ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)
6 november 2012 ( *1 )
„Verordening (EG) nr. 343/2003 — Bepaling welke lidstaat verantwoordelijk is voor behandeling van asielverzoek dat door onderdaan van derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend — Humanitaire clausule — Artikel 15 van deze verordening — Persoon aan wie in lidstaat asiel is verleend die aan ernstige ziekte lijdt en daarom afhankelijk is van hulp van asielzoeker — Artikel 15, lid 2, van verordening — Verplichting van deze volgens criteria van hoofdstuk III van deze verordening niet verantwoordelijke lidstaat tot behandeling van door deze asielzoeker ingediend asielverzoek — Voorwaarden”
In zaak C-245/11,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Asylgerichtshof (Oostenrijk) bij beslissing van 20 mei 2011, ingekomen bij het Hof op 23 mei 2011, in de procedure
K
tegen
Bundesasylamt,
wijst
HET HOF (Grote kamer),
samengesteld als volgt: V. Skouris, president, K. Lenaerts, vicepresident, A. Tizzano, R. Silva de Lapuerta, L. Bay Larsen (rapporteur), A. Rosas, M. Berger en E. Jarašiūnas, kamerpresidenten, E. Juhász, J.-C. Bonichot, D. Šváby, A. Prechal en C. G. Fernlund, rechters,
advocaat-generaal: V. Trstenjak,
griffier: R. Şereş, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 8 mei 2012,
gelet op de opmerkingen van:
—
K, vertegenwoordigd door A. Egger, Rechtsanwalt,
—
de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door C. Pesendorfer en P. Cede als gemachtigden,
—
de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek als gemachtigde,
—
de Franse regering, vertegenwoordigd door G. de Bergues en B. Beaupère-Manokha als gemachtigden,
—
de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door G. Palatiello, avvocato dello Stato,
—
de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door M. Z. Fehér en K. Veres als gemachtigden,
—
de Poolse regering, vertegenwoordigd door M. Szpunar als gemachtigde,
—
de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door S. Ossowski als gemachtigde,
—
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Condou-Durande en W. Bogensberger als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 27 juni 2012,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van ten eerste artikel 15 van verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB L 50, blz. 1), en ten tweede artikel 3, lid 2, van deze verordening.
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen K, onderdaan van een derde land, en het Bundesasylamt (federaal bestuur voor asielaangelegenheden) over de verwerping door het Bundesasylamt van het door verzoekster in het hoofdgeding in Oostenrijk ingediende asielverzoek op grond dat de Republiek Polen de voor de behandeling van het asielverzoek verantwoordelijke lidstaat is.
Toepasselijke bepalingen
Verordening nr. 343/2003
3
De punten 3 en 4 van de considerans van verordening nr. 343/2003 luiden:
„(3)
In de conclusies van Tampere werd [...] aangegeven [dat het gemeenschappelijk Europees asielstelsel] op korte termijn een duidelijke en hanteerbare methode moet bevatten om vast te stellen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek.
(4)
Deze methode moet zijn gebaseerd op objectieve en zowel voor de lidstaten als voor de betrokken asielzoekers eerlijke criteria. Met de methode moet met name snel kunnen worden vastgesteld welke lidstaat verantwoordelijk is, teneinde de daadwerkelijke toegang tot de procedures voor het toekennen van de vluchtelingenstatus te waarborgen en de doelstelling om asielverzoeken snel te behandelen, niet te ondermijnen.”
4
De punten 6 en 7 van de considerans van deze verordening luiden:
„(6)
De eenheid van het gezin moet worden gehandhaafd, voor zover dat verenigbaar is met de overige doelstellingen die worden nagestreefd met de opstelling van criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek.
(7)
De gezamenlijke behandeling van asielverzoeken van de leden van een gezin door dezelfde lidstaat zorgt ervoor dat de verzoeken grondig worden behandeld en de beslissingen daarover coherent zijn. De lidstaten moeten echter kunnen afwijken van de verantwoordelijkheidscriteria om gezinsleden bijeen te kunnen brengen als dat nodig is om humanitaire redenen.”
5
Zoals blijkt uit punt 15 van de considerans van richtlijn nr. 343/2003, gelezen in het licht van artikel 6, lid 1, VEU, neemt deze verordening de rechten, vrijheden en beginselen die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) worden erkend, in acht. Zij is met name erop gericht op grond van de artikelen 1 en 18 van het Handvest de menselijke waardigheid en het recht op asiel volledig te waarborgen.
6
Artikel 1 van verordening nr. 343/2003 bepaalt dat in deze verordening „de criteria en instrumenten [worden] vastgesteld om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten is ingediend”.
7
Volgens artikel 2, sub c, d, e en i, van deze verordening wordt verstaan onder:
„c)
‚asielverzoek’: een verzoek van een onderdaan van een derde land dat kan worden opgevat als een verzoek om verlening van internationale bescherming door een lidstaat krachtens het Verdrag van Genève [van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen]. Elk verzoek om internationale bescherming wordt als een asielverzoek beschouwd, tenzij de onderdaan van een derde land uitdrukkelijk vraagt om een andere vorm van bescherming waarvoor een afzonderlijk verzoek kan worden ingediend;
d)
‚asielzoeker’: een onderdaan van een derde land die een asielverzoek heeft ingediend waarover nog geen definitieve beslissing is genomen;
e)
‚behandeling van een asielverzoek’: alle maatregelen in verband met de behandeling van en beslissingen of uitspraken van bevoegde instanties over een asielverzoek overeenkomstig het nationaal recht, met uitzondering van de procedures waarbij wordt bepaald welke lidstaat krachtens de bepalingen van deze verordening verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek;
[...]
i)
‚gezinsleden’: voor zover het gezin reeds in het land van herkomst bestond, de volgende leden van het gezin van de asielzoeker die op het grondgebied van de lidstaat aanwezig zijn:
i)
de echtgenoot van de asielzoeker of de ongehuwde partner met wie een duurzame relatie wordt onderhouden, indien in de wetgeving of de praktijk van de betrokken lidstaat ongehuwde paren en gehuwde paren op een vergelijkbare manier worden behandeld in het kader van het vreemdelingenrecht;
ii)
de minderjarige kinderen van paren zoals bedoeld onder punt i), of van de asielzoeker, mits zij ongehuwd en afhankelijk zijn, ongeacht of zij volgens de nationale wetgeving wettige, buitenechtelijke of geadopteerde kinderen zijn;
iii)
de vader, moeder of voogd wanneer de asielzoeker of vluchteling minderjarig en ongehuwd is.”
8
Artikel 3 van deze verordening, dat deel uitmaakt van hoofdstuk II, „Algemene beginselen”, bepaalt in de leden 1 en 2:
„1. De lidstaten behandelen elk asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van hen wordt ingediend, hetzij aan de grens hetzij op hun grondgebied. Een asielverzoek wordt door een enkele lidstaat behandeld, namelijk de lidstaat die volgens de in hoofdstuk III genoemde criteria verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek.
2. In afwijking van lid 1 kan elke lidstaat een bij hem ingediend asielverzoek van een onderdaan van een derde land behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht. In dat geval wordt deze lidstaat de verantwoordelijke lidstaat in de zin van deze verordening en neemt hij de daaruit voortvloeiende verplichtingen op zich. In voorkomend geval stelt hij de lidstaat die op grond van de criteria van deze verordening voorheen verantwoordelijk was, of de lidstaat waar een procedure loopt om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk was, of de lidstaat tot welke een verzoek tot overname of terugname is gericht, daarvan in kennis.”
9
Ter bepaling van de „verantwoordelijke lidstaat” in de zin van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 343/2003 vermelden de artikelen 6 tot en met 14 van hoofdstuk III een lijst van objectieve criteria, die in een bepaalde volgorde moeten worden getoetst.
10
Artikel 15 van deze verordening, enig artikel van hoofdstuk IV, „Humanitaire clausule”, bepaalt:
„1. Iedere lidstaat kan, ook wanneer hij met toepassing van de in deze verordening vastgestelde criteria niet verantwoordelijk is voor de behandeling, gezinsleden en andere afhankelijke familieleden herenigen op humanitaire gronden, in het bijzonder op grond van familiebanden of op culturele gronden. In dat geval behandelt deze lidstaat op verzoek van een andere lidstaat het asielverzoek van de betrokkene. De beide betrokkenen moeten hun instemming geven.
2. Wanneer de ene betrokkene afhankelijk is van de hulp van de andere wegens een zwangerschap, een pasgeboren kind, een ernstige ziekte, een zware handicap of hoge leeftijd, zorgen de lidstaten er normaliter voor dat de asielzoeker kan blijven bij of wordt herenigd met een familielid dat zich op het grondgebied van een van de lidstaten bevindt, op voorwaarde dat er in het land van herkomst familiebanden bestonden.
[...]
4. Indien de aangezochte lidstaat zo’n verzoek inwilligt, wordt de verantwoordelijkheid voor de behandeling aan deze staat overgedragen.
5. De voorwaarden en procedures voor de toepassing van dit artikel, inclusief de bemiddelingsprocedures ter oplossing van eventuele geschillen tussen lidstaten over de noodzaak om de betrokkenen te herenigen of de plaats waar dat moet gebeuren, worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 27, lid 2, bedoelde procedure.”
11
Hoofdstuk V van verordening nr. 343/2003, „Overname en terugname”, bevat met name artikel 16, waarvan het eerste lid als volgt luidt:
„De lidstaat die krachtens deze verordening verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek, is verplicht:
[...]
c)
een asielzoeker wiens verzoek in behandeling is en die zich ophoudt in een andere lidstaat zonder daarvoor toestemming te hebben gekregen, volgens de in artikel 20 bepaalde voorwaarden terug te nemen;
[...]”
Verordening (EG) nr. 1560/2003
12
Verordening (EG) nr. 1560/2003 van de Commissie van 2 september 2003 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 343/2003 (PB L 222, blz. 3) bepaalt in artikel 11, „Situaties van afhankelijkheid”:
„1. Artikel 15, lid 2, van [verordening nr. 343/2003] is van toepassing zowel wanneer de asielzoeker afhankelijk is van de hulp van het familielid dat zich op het grondgebied van een lidstaat bevindt als wanneer het familielid dat zich op het grondgebied van een lidstaat bevindt afhankelijk is van de hulp van de asielzoeker.
2. De in artikel 15, lid 2, van [verordening nr. 343/2003] beoogde situaties van afhankelijkheid worden zo veel mogelijk beoordeeld op grond van objectieve elementen, zoals medische attesten. Wanneer dergelijke elementen niet voorhanden zijn of niet kunnen worden overgelegd, kunnen de humanitaire redenen alleen worden geacht te zijn bewezen op grond van door de betrokken personen verstrekte overtuigende inlichtingen.
[...]
4. Voor de toepassing van artikel 15, lid 2, van [verordening nr. 343/2003] is in ieder geval vereist dat wordt gewaarborgd dat de asielzoeker of het familielid daadwerkelijk de nodige hulp zal verlenen.
[...]”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
13
K is uit een derde land onregelmatig in Polen binnengekomen en heeft er in maart 2008 een eerste asielverzoek ingediend.
14
Zonder het einde van de behandeling van dit asielverzoek af te wachten, heeft zij vervolgens het Poolse grondgebied verlaten en is zij onregelmatig in Oostenrijk binnengekomen, waar zij zich heeft gevoegd bij een van haar meerderjarige zonen die er reeds de vluchtelingenstatus heeft met zijn echtgenote en hun drie minderjarige kinderen.
15
In april 2008 heeft K in Oostenrijk een tweede asielverzoek ingediend.
16
Volgens het Asylgerichtshof is aangetoond dat de schoondochter van K zich ten aanzien van K in een situatie van afhankelijkheid bevindt wegens een pasgeboren kind en wegens de ernstige ziekte en de zware handicap waaraan zij lijdt ten gevolge van een ernstige traumatische gebeurtenis die in een derde land heeft plaatsgevonden. Indien deze gebeurtenis wordt onthuld, loopt de schoondochter wegens culturele tradities om de eer van de familie te herstellen, het gevaar door de mannelijke familieleden zwaar te worden mishandeld. Sinds K haar schoondochter in Oostenrijk heeft teruggezien, is zij haar raadgeefster en vertrouwelinge, niet alleen vanwege de familiebanden, maar ook omdat K over adequate beroepservaring beschikt.
17
Van mening dat de Republiek Polen verantwoordelijk is voor de behandeling van het door K ingediende asielverzoek, hebben de Oostenrijkse autoriteiten aan deze lidstaat gevraagd K terug te nemen.
18
In antwoord op dit verzoek hebben de Poolse autoriteiten zonder de Oostenrijkse autoriteiten te verzoeken K op grond van artikel 15 van verordening nr. 343/2003 over te nemen, aanvaard K terug te nemen overeenkomstig artikel 16, lid 1, sub c, van deze verordening.
19
Daarop heeft het Bundesasylamt bij beslissing van 16 juli 2008 het door K in Oostenrijk ingediende asielverzoek verworpen op grond dat de Republiek Polen de lidstaat was die verantwoordelijk was om over dit verzoek te beslissen.
20
K heeft tegen deze beslissing tot verwerping beroep ingesteld bij het Asylgerichtshof.
21
Op grond van de vaststelling dat de Republiek Polen in beginsel bevoegd is om over het asielverzoek van K te beslissen, daar K vanuit een derde staat is gekomen en eerst de grens van deze lidstaat op illegale wijze heeft overschreden, is het Asylgerichtshof bovendien van oordeel dat in een situatie als bij haar aanhangig, moet worden overwogen om artikel 15 van verordening nr. 343/2003 of zelfs artikel 3, lid 2, ervan toe te passen. Toepassing van een van deze bepalingen leidt echter tot de bevoegdheid van de Republiek Oostenrijk om over dit asielverzoek te beslissen.
22
Het oordeelt bovendien dat artikel 15 van verordening nr. 343/2003 als lex specialis primeert op de in de artikelen 6 tot en met 14 ervan bepaalde algemene regels.
23
Volgens het Asylgerichtshof is de toepassing van artikel 3, lid 2, van verordening nr. 343/2003 subsidiair ten opzichte van de toepassing van artikel 15 ervan, zodat de Republiek Oostenrijk gebruik moet maken van haar recht om ambtshalve de verantwoordelijkheid te nemen voor de behandeling van het asielverzoek op humanitaire gronden als bedoeld in dit artikel.
24
Ten slotte blijkt uit de toelichtingen van de verwijzende rechter over de uitlegging van dit artikel 15 dat hij van oordeel is dat in omstandigheden als in het aan hem voorgelegde geding, de vraag van een mogelijke toepassing van artikel 15, lid 2, moet worden onderzocht vóór de vraag of lid 1 van dit artikel subsidiair van toepassing zou kunnen zijn.
25
Daarop heeft het Asylgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1)
Dient artikel 15 van verordening nr. 343/2003 aldus te worden uitgelegd dat een volgens de artikelen 6 tot en met 14 van deze verordening voor het voeren van de procedure van een asielzoekster als zodanig niet verantwoordelijke lidstaat de verantwoordelijkheid dient over te nemen wanneer de ernstig zieke en wegens culturele omstandigheden in gevaar verkerende schoondochter of de door de ziekte van de schoondochter verzorging behoevende minderjarige kleinkinderen van de asielzoekster zich in deze lidstaat bevinden en de asielzoekster bereid en in staat is de schoondochter of de kleinkinderen te ondersteunen? Geldt dit ook wanneer geen verzoek is ingediend door de volgens artikel 15, lid 1, tweede zin, van verordening nr. 343/2003 op zich verantwoordelijke lidstaat?
2)
Dient artikel 3, lid 2, van verordening nr. 343/2003 aldus te worden uitgelegd dat in een situatie als in de eerste vraag beschreven, een als zodanig niet verantwoordelijke lidstaat de verantwoordelijkheid dient over te nemen in het geval dat de verantwoordelijkheid zoals die anders uit verordening nr. 343/2003 voortvloeit, inbreuk zou maken op de artikelen 3 of 8 [van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden] (de artikelen 4 of 7 van het [Handvest])? Zo ja, kunnen bij de incidentele uitlegging en toepassing van de artikelen 3 of 8 [van dit Verdrag] (de artikelen 4 of 7 van het [Handvest]), de begrippen ‚onmenselijke behandeling’ of ‚familie- en gezinsleven’ ruimer worden opgevat, afwijkend van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
26
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 15 van verordening nr. 343/2003 aldus moet worden uitgelegd dat in omstandigheden als in het hoofdgeding, waarin de schoondochter van de asielzoekster afhankelijk is van haar hulp omdat zij een pasgeboren kind heeft, aan een ernstige ziekte lijdt en een zware handicap heeft, een lidstaat die niet de lidstaat is die op grond van de criteria van hoofdstuk III van deze verordening verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek van de asielzoekster, verplicht verantwoordelijk kan worden op humanitaire gronden. Zo ja, wenst deze rechter te vernemen of deze uitlegging geldig blijft wanneer de krachtens deze criteria verantwoordelijke lidstaat geen verzoek overeenkomstig lid 1, tweede zin, van dit artikel 15 heeft gedaan.
27
Dienaangaande dient te worden opgemerkt dat hoewel artikel 15, lid 1, van verordening nr. 343/2003 een facultatieve bepaling is die de lidstaten een ruime beoordelingsbevoegdheid toekent om te beslissen gezinsleden en andere afhankelijke familieleden te „herenigen” op humanitaire gronden, in het bijzonder op grond van familiebanden of op culturele gronden, lid 2 van dit artikel aan deze bevoegdheid nochtans de beperking stelt dat wanneer de in deze bepaling gestelde voorwaarden zijn vervuld, de lidstaten normaliter ervoor zorgen dat de asielzoeker bij een familielid kan blijven.
28
Met de eerste vraag wordt dus in de eerste plaats een uitlegging van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 343/2003 verlangd.
29
Enerzijds dient te worden vastgesteld dat anders dan de Oostenrijkse en de Tsjechische regering hebben gesteld, het loutere feit dat de asielzoeker zich niet langer op het grondgebied van de „verantwoordelijke lidstaat” bevindt, maar reeds op het grondgebied van de lidstaat waar hij „gezinshereniging” wenst te krijgen op humanitaire gronden, niet tot gevolg kan hebben dat de toepassing van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 343/2003 zonder meer uitgesloten is.
30
Dit lid 2 betreft immers niet alleen situaties waarin de lidstaten de asielzoeker en een ander familielid „herenigen”, maar ook situaties waarin zij „ervoor zorgen” dat de betrokkenen die zich reeds bevinden op het grondgebied van een andere lidstaat dan de overeenkomstig de criteria van hoofdstuk III van verordening nr. 343/2003 verantwoordelijke lidstaat, samen kunnen blijven.
31
Deze uitlegging stemt niet alleen overeen met artikel 3, lid 2, van verordening nr. 343/2003, dat bepaalt dat elke lidstaat een bij hem ingediend asielverzoek van een onderdaan van een derde land „kan” behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de criteria van die verordening niet verplicht, maar zij is ook de meest geschikte uitlegging om de nuttige werking van artikel 15, lid 2, ervan te verzekeren.
32
Anderzijds dient in de eerste plaats te worden nagegaan of dit artikel 15, lid 2, kan worden toegepast in een situatie van afhankelijkheid als die in het hoofdgeding, waarin niet de asielzoeker zelf afhankelijk is van de hulp van het familielid dat zich bevindt in een andere lidstaat dan de volgens de criteria van hoofdstuk III van verordening nr. 343/2003 verantwoordelijke lidstaat, maar het familielid dat zich in deze andere lidstaat bevindt, afhankelijk is van de hulp van de asielzoeker.
33
Dienaangaande dient te worden opgemerkt dat artikel 15, lid 2, van verordening nr. 343/2003 niet uitdrukkelijk verwijst naar de situatie van een asielzoeker die afhankelijk is van de hulp van een andere persoon. Door in deze bepaling algemene termen te gebruiken, zoals „de betrokkene” ter aanduiding van de persoon die afhankelijk is van de hulp van de „andere” in de zin van deze bepaling, heeft de Uniewetgever integendeel laten verstaan dat zowel het begrip „betrokkene” als het begrip „andere” kan verwijzen naar de asielzoeker.
34
Aan deze uitlegging wordt niet afgedaan door het loutere feit dat in lid 1, tweede zin, van dit artikel 15 de Uniewetgever, door de termen „het asielverzoek van de betrokkene” te gebruiken, in deze specifieke bepaling een verband heeft gelegd tussen de asielzoeker en de term „betrokkene”. In de volgende zin van dit lid worden de asielzoeker en de andere persoon namelijk „betrokkenen” genoemd.
35
Bedoelde uitlegging is daarentegen wel in overeenstemming met het doel van artikel 15 van verordening nr. 343/2003, dat, zoals volgt uit punt 7 van de considerans ervan, de mogelijkheid creëert voor de lidstaten om familieleden bijeen te brengen als dat nodig is om humanitaire redenen.
36
Het doel van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 343/2003 wordt bereikt zowel in het geval van de asielzoeker die afhankelijk is van een familielid dat zich bevindt in een andere dan de volgens de criteria van hoofdstuk III van deze verordening verantwoordelijke lidstaat, als omgekeerd, in het geval van dit familielid dat afhankelijk is van de hulp van de asielzoeker.
37
In dezelfde zin preciseert artikel 11, lid 1, van verordening nr. 1560/2003, binnen de grenzen van de door verordening nr. 343/2003 verleende uitvoeringsbevoegdheden, dat de term „betrokkene” in artikel 15, lid 2, van deze verordening aldus moet worden opgevat dat daarmee ook op een situatie van afhankelijkheid als die in het hoofdgeding wordt gedoeld.
38
In de tweede plaats dient te worden gepreciseerd dat hoewel het begrip „gezinsleden” in de zin van artikel 2, sub i, van verordening nr. 343/2003 niet doelt op de schoondochter en evenmin op de kleinkinderen van een asielzoeker, artikel 15 van deze verordening toch aldus moet worden uitgelegd dat dergelijke personen vallen onder de term „familielid” in lid 2 van dit artikel 15.
39
Dienaangaande dient allereerst te worden opgemerkt dat er verschillen zijn tussen de verschillende taalversies van deze termen in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 343/2003 en dat bepaalde ervan, zoals de Engelse versie, andere en ruimere termen gebruiken dan de in artikel 2, sub i, van deze verordening aangewende termen.
40
Vervolgens zij opgemerkt dat verordening nr. 343/2003 in de artikelen 6 tot en met 8 ervan dwingende bepalingen bevat die ertoe strekken de eenheid van het gezin te handhaven overeenkomstig punt 6 van de considerans ervan, zodat de humanitaire clausule van artikel 15, die tot doel heeft de lidstaten de mogelijkheid te geven af te wijken van de criteria voor bevoegdheidsverdeling tussen de lidstaten om het bijeenbrengen van gezinsleden als dat om humanitaire redenen nodig is te vergemakkelijken, moet kunnen worden toegepast op situaties die verder gaan dan die waarop deze artikelen 6 tot en met 8 betrekking hebben, zelfs al betreffen zij personen die niet onder de omschrijving van „familielid” in de zin van dit artikel 2, sub i, vallen.
41
Gelet op het humanitaire doel ervan, bakent artikel 15, lid 2, van verordening nr. 343/2003 op basis van een criterium van afhankelijkheid wegens met name een ernstige ziekte of handicap, een kring van familieleden van de asielzoeker af die noodzakelijkerwijze ruimer is dan de kring van familieleden als bedoeld in artikel 2, sub i, van deze verordening.
42
Wanneer in het land van herkomst familiebanden bestonden, moet worden nagegaan of de asielzoeker of de persoon die met de asielzoeker familiebanden heeft daadwerkelijk hulp nodig heeft en, in voorkomend geval, of diegene die de hulp moet verlenen, daartoe in staat is.
43
In deze omstandigheden is artikel 15, lid 2, van verordening nr. 343/2003 van toepassing wanneer voldaan is aan de erin vermelde humanitaire gronden door een afhankelijke persoon in de zin van deze bepaling, die geen gezinslid is in de zin van artikel 2, sub i, van deze verordening maar wel familiebanden heeft met de asielzoeker, die in staat is hem daadwerkelijk de nodige hulp te verlenen overeenkomstig artikel 11, lid 4, van verordening nr. 1560/2003.
44
In de derde plaats dient te worden benadrukt dat wanneer zich een situatie van afhankelijkheid voordoet, die kan vallen onder artikel 15, lid 2, van verordening nr. 343/2003, zoals uitgelegd in de punten 33 tot en met 43 van het onderhavige arrest, waarin de betrokkenen zich bevinden op het grondgebied van een andere dan de volgens de criteria van hoofdstuk III van deze verordening verantwoordelijke lidstaat, deze lidstaat „normaliter” ervoor moet zorgen dat deze personen samen kunnen blijven, op voorwaarde dat er in het land van herkomst familiebanden bestonden.
45
Wat deze laatste voorwaarde betreft, kan worden volstaan met te preciseren dat uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat in het hoofdgeding reeds in het land van herkomst familiebanden bestonden tussen de asielzoekster en haar schoondochter.
46
Meer in het bijzonder de verplichting om „normaliter” ervoor te zorgen dat de asielzoeker kan blijven bij het andere familielid in de zin van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 343/2003, moet aldus worden opgevat dat een lidstaat slechts kan afwijken van deze verplichting om ervoor te zorgen dat de betrokkenen samen kunnen blijven, indien een dergelijke afwijking gerechtvaardigd is op grond van een uitzonderlijke situatie. In zijn verzoek om een prejudiciële beslissing heeft de verwijzende rechter echter geen gewag gemaakt van een dergelijke uitzonderlijke situatie.
47
Wanneer aan de voorwaarden van dit artikel 15, lid 2, is voldaan, wordt de lidstaat die wegens de in deze bepaling bedoelde humanitaire gronden verplicht is een asielzoeker over te nemen, de voor de behandeling van het asielverzoek verantwoordelijke lidstaat.
48
Hieraan moet worden toegevoegd dat de bevoegde nationale autoriteiten verplicht zijn zich ervan te vergewissen dat de toepassing van verordening nr. 343/2003 gebeurt op een manier die de daadwerkelijke toegang tot de procedures voor het toekennen van de vluchtelingenstatus verzekert en de doelstelling van een snelle behandeling van asielverzoeken niet in gevaar brengt.
49
Dit doel van een snelle behandeling, dat blijkt uit punt 4 van de considerans van verordening nr. 343/2003, moet tevens worden benadrukt wanneer ten slotte, met betrekking tot het tweede deel van de eerste vraag, moet worden gepreciseerd waarom in omstandigheden als die in het hoofdgeding, de toepassing van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 343/2003 gerechtvaardigd is, ook al heeft de „verantwoordelijke lidstaat” geen verzoek in die zin overeenkomstig artikel 15, lid 1, tweede zin, van deze verordening gedaan.
50
Vervolgens moet, wat de zienswijze betreft van verschillende regeringen die in de onderhavige zaak bij het Hof opmerkingen hebben ingediend, dat een verzoek van de „verantwoordelijke lidstaat” in alle gevallen een conditio sine qua non is voor de toepassing van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 343/2003, worden gepreciseerd dat deze bepaling, anders dan lid 1, tweede zin, van dit artikel, geen gewag maakt van een „verzoek” van een andere lidstaat.
51
Wanneer de asielzoeker en een familielid die zich samen bevinden op het grondgebied van een andere dan de volgens de criteria van hoofdstuk III van verordening nr. 343/2003 verantwoordelijke lidstaat, naar behoren hebben aangetoond dat er sprake is van een situatie van afhankelijkheid in de zin van artikel 15, lid 2, van deze verordening, mogen de bevoegde autoriteiten van deze lidstaat het bestaan van deze bijzondere situatie niet negeren en heeft een verzoek als bedoeld in lid 1, tweede zin, van dit artikel geen zin meer. In deze omstandigheden is een dergelijk vereiste louter formeel.
52
In een situatie als die in het hoofdgeding, waarin het niet erom gaat familieleden te „herenigen” in de zin van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 343/2003, maar ervoor te zorgen dat zij samen kunnen „blijven” in de lidstaat waarin zij zich bevinden, moet de verplichting van een verzoek van de „verantwoordelijke lidstaat” wijken voor de verplichting van een snelle behandeling, omdat zij de procedure om te bepalen welke de verantwoordelijke lidstaat is, nutteloos zou verlengen.
53
Bijgevolg kan in een situatie als die in het hoofdgeding artikel 15, lid 2, van verordening nr. 343/2003 worden toegepast hoewel de „verantwoordelijke lidstaat” de lidstaat waar het asielverzoek is ingediend daar niet om heeft verzocht.
54
Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat in omstandigheden als die in het hoofdgeding artikel 15, lid 2, van verordening nr. 343/2003 aldus moet worden uitgelegd dat een lidstaat die niet op grond van de criteria van hoofdstuk III van deze verordening verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek, verantwoordelijk wordt. Het staat aan de lidstaat die de verantwoordelijke lidstaat in de zin van deze verordening is geworden, de daaruit voortvloeiende verplichtingen op zich te nemen. Hij stelt de lidstaat die voorheen verantwoordelijk was, daarvan in kennis. Deze uitlegging van dit artikel 15, lid 2, geldt ook wanneer de op grond van de criteria van hoofdstuk III van deze verordening verantwoordelijke lidstaat niet overeenkomstig lid 1, tweede zin, van dit artikel een verzoek in die zin heeft gedaan.
Tweede vraag
55
Gelet op het antwoord op de eerste vraag, behoeft in deze prejudiciële zaak de tweede vraag van de verwijzende rechter niet te worden beantwoord.
Kosten
56
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:
In omstandigheden als die in het hoofdgeding moet artikel 15, lid 2, van verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten is ingediend, aldus worden uitgelegd dat een lidstaat die niet op grond van de criteria van hoofdstuk III van deze verordening verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek, verantwoordelijk wordt. Het staat aan de lidstaat die de verantwoordelijke lidstaat in de zin van deze verordening is geworden, de daaruit voortvloeiende verplichtingen op zich te nemen. Hij stelt de lidstaat die voorheen verantwoordelijk was, daarvan in kennis. Deze uitlegging van dit artikel 15, lid 2, geldt ook wanneer de op grond van de criteria van hoofdstuk III van deze verordening verantwoordelijke lidstaat niet overeenkomstig lid 1, tweede zin, van dit artikel een verzoek in die zin heeft gedaan.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy