ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
13 december 2012 ( *1 )
„Vrij verkeer van werknemers — Artikel 45 VWEU — Aanstellingssubsidie voor oudere of langdurige werklozen — Voorwaarde van inschrijving bij bemiddelingsbureau van nationale dienst voor arbeidsbemiddeling — Woonplaatsvereiste — Beperking — Rechtvaardiging”
In zaak C-379/11,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Cour administrative (Luxemburg) bij beslissing van 14 juli 2011, ingekomen bij het Hof op 18 juli 2011, in de procedure
Caves Krier Frères Sàrl
tegen
Directeur de l’Administration de l’emploi,
wijst
HET HOF (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: A. Rosas, waarnemend president van de Tweede kamer, U. Lõhmus, A. Ó Caoimh (rapporteur), A. Arabadjiev en C. G. Fernlund, rechters,
advocaat-generaal: E. Sharpston,
griffier: R. Şereş, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 21 juni 2012,
gelet op de opmerkingen van:
—
Caves Krier Frères Sàrl, vertegenwoordigd door M. Mailliet, avocat,
—
de Luxemburgse regering, vertegenwoordigd door C. Schiltz als gemachtigde, bijgestaan door G. Pierret en S. Coï, avocats,
—
de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek en D. Hadroušek als gemachtigden,
—
de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door C. Pesendorfer als gemachtigde,
—
de Poolse regering, vertegenwoordigd door M. Szpunar en B. Majczyna als gemachtigden,
—
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Rozet als gemachtigde,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 27 september 2012,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 21 VWEU en 45 VWEU.
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Caves Krier Frères Sàrl (hierna: „Caves Krier”) en de Administration de l’emploi (hierna: „ADEM”), over de weigering om een aanstellingssubsidie voor oudere of langdurige werklozen toe te kennen.
Luxemburgse toepasselijke bepalingen
3
Artikel L. 541-1 van de code du travail (Luxemburgs arbeidswetboek) luidt als volgt:
„Het werkgelegenheidsfonds betaalt aan werkgevers uit de particuliere sector zowel het werkgevers- als het werknemersaandeel van de socialezekerheidsbijdragen terug voor de werklozen die zij hebben aangesteld, ongeacht of deze een uitkering ontvangen, mits zij de leeftijd van [45] jaar hebben bereikt en sinds ten minste een maand als werkzoekende zijn ingeschreven bij een bemiddelingsbureau voor arbeid van de [ADEM].
Werkzoekenden die een leeftijd van [40] tot en met [44] hebben bereikt moeten gedurende ten minste drie maanden als werkzoekende zijn ingeschreven bij een bemiddelingsbureau voor arbeid van de [ADEM] en zij die de leeftijd van [30] tot en met [39] hebben bereikt gedurende ten minste twaalf maanden.
De voorwaarde van inschrijving bij een bemiddelingsbureau voor arbeid van de [ADEM] is niet van toepassing op werkzoekenden die de leeftijd van [40] jaar hebben bereikt en onder een plan voor handhaving van de werkgelegenheid in de zin artikel L. 513-3 vallen dat door de minister van Werkgelegenheid is goedgekeurd in het kader van zijn bevoegdheden.”
4
Artikel L. 622-6 (1) van diezelfde code du travail bepaalt dat elk werkloze die werkzoekend is, zich als werkzoekende moet inschrijven bij de ADEM.
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
5
M. Schmidt-Krier, die de Luxemburgse nationaliteit heeft en op 30 juli 1955 is geboren, woont met haar echtgenoot in Duitsland, dicht bij de Luxemburgse grens. Zij heeft gedurende haar gehele carrière in Luxemburg gewerkt.
6
Op 1 mei 2008 is Schmidt-Krier, die toen de leeftijd van 52 jaar had, aangesteld door Caves Krier, een vennootschap met zetel te Remich (Luxemburg), in het kader van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur.
7
Na de aanstelling van Schmidt-Krier heeft Caves Krier op 2 september 2008 bij de ADEM een aanvraag voor aanstellingssubsidie voor oudere of langdurige werklozen krachtens artikel L. 541-1, eerste alinea, van de code du travail ingediend.
8
Bij beslissing van 4 september 2008 heeft de ADEM deze aanvraag afgewezen op grond dat Schmidt-Krier niet voldeed aan de voorwaarde van inschrijving als werkzoekende bij de ADEM gedurende ten minste een maand, zoals bij die bepaling voorzien (hierna: „litigieuze beslissing”).
9
Op 11 januari 2010 heeft Caves Krier bij het tribunal administratif een beroep tot nietigverklaring van die beslissing ingesteld, waarin zij benadrukt dat Schmidt-Krier in Duitsland als werkzoekende was ingeschreven en dat zij haar gehele leven in Luxemburg had gewerkt. Zij had zich enkel in Duitsland als werkloze ingeschreven omdat zij en haar levenspartner daar hun woonplaats naar hadden verlegd, maar niettemin in Luxemburg waren blijven werken.
10
Caves Krier heeft haar beroep gesteund op een enkel middel, ontleend aan schending van het beginsel van gelijkheid voor de wet zoals neergelegd in de grondwet van het Groothertogdom Luxemburg, daar de toepasselijke regelgeving en daarmee ook de litigieuze beslissing een Luxemburgse onderdaan die in Luxemburg woont en een Luxemburgse onderdaan die in het buitenland woont, die beiden in Luxemburg werken, bij de subsidieverlening anders behandelen, zonder dat dit verschil in behandeling op grond van objectieve criteria wordt gerechtvaardigd.
11
Bij zijn uitspraak van 14 juli 2010 heeft het tribunal administratif dit beroep verworpen op grond dat Schmidt-Krier ten tijde van haar aanstelling niet voldeed aan de voorwaarde van inschrijving bij de ADEM. Aangaande de schending van het beginsel van gelijkheid voor de wet, meende dit gerecht dat de situatie van een werkloze die in Luxemburg woont, die zich daardoor mag inschrijven als werkzoekende bij de ADEM, niet vergelijkbaar is met die van een werkloze zonder woonplaats in Luxemburg die zich niet bij deze instantie kan inschrijven, maar zich daarentegen moet inschrijven bij de dienst voor arbeidsbemiddeling van de woonstaat.
12
Op 12 augustus 2010 heeft Caves Krier onder verwijzing naar de ongrondwettelijkheid van artikel L. 541-1, eerste alinea, van de code du travail, hoger beroep tegen deze uitspraak ingesteld bij de Cour administrative.
13
De Cour constitutionnelle (Luxemburgs grondwettelijk hof), aan wie deze vraag is voorgelegd, heeft bij arrest nr. 64/11 van 4 mei 2011 (Mémorial A 2011, blz. 1572), geoordeeld dat deze bepaling met de Luxemburgse grondwet in overeenstemming was.
14
De Cour administrative is in haar verwijzingsbeslissing evenwel van oordeel dat deze zaak een vraag van Unierecht doet rijzen. Het staat namelijk vast dat alleen ingezetenen zich bij de ADEM kunnen inschrijven. Nu de aanstellingssubsidie in artikel L. 541-1, eerste alinea, van de code du travail van een dergelijke inschrijving afhangt, is deze subsidie derhalve voorbehouden aan werkgevers die ingezeten werklozen aanstellen. Deze bepaling kan dus een belemmering van het vrije verkeer van de burgers van de Unie vormen in de zin van de artikelen 21 VWEU en 45 VWEU, nu de potentiële werkgever van een werkloze die ouder dan 45 jaar is hierdoor eerder een Luxemburgse ingezetene zal aanstellen, omdat dit de enige aanstelling is op basis waarvan hij de betrokken subsidie kan verkrijgen.
15
De verwijzende rechterlijke instantie doet opmerken dat zij, aangezien de Luxemburgse Staat niet is vertegenwoordigd in de bij haar aanhangige zaak, niet de mogelijkheid heeft gehad, vast te stellen of het woonplaatsvereiste gebaseerd is op objectieve overwegingen van algemeen belang die losstaan van de nationaliteit van de betrokkenen en evenredig zijn aan het door de litigieuze nationale bepaling nagestreefde legitieme doel. Deze rechterlijke instantie is van oordeel dat zij deze rechtvaardigingen niet ambtshalve kan aanvullen.
16
In die omstandigheden heeft de Cour administrative de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
„Is artikel L. 541-1, [eerste alinea,] van de Luxemburgse [c]ode du Travail, in overeenstemming met het recht van de Unie, meer bepaald de artikelen 21 [VWEU] en 45 [VWEU], voor zover dit het recht op restitutie van zowel het werkgevers- als het werknemersaandeel van de socialezekerheidsbijdragen voorbehoudt aan werkgevers uit de particuliere sector die werklozen in dienst nemen die de leeftijd van [45] jaar hebben bereikt, ongeacht of zij al dan niet een uitkering ontvingen, mits die werklozen sinds ten minste een maand als werkzoekend stonden ingeschreven bij een bemiddelingsbureau van de [ADEM], terwijl werkgevers die werklozen in dienst nemen die als werkzoekend zijn ingeschreven bij een vergelijkbare instantie in het buitenland, niet voor deze maatregel in aanmerking komen?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
Ontvankelijkheid
17
In de eerste plaats geeft de Oostenrijkse regering te kennen dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk is, omdat de verwijzende rechterlijke instantie niet nauwkeurig de relevante feiten van de zaak en de toepasselijke nationale bepalingen heeft uiteengezet. Uit de letterlijke weergave van artikel L. 541-1, eerste alinea, van de code du travail en de bewoordingen van de vraag blijkt immers niet dat de litigieuze aanstellingssubsidie voor de werkgever beperkt is tot personen die hun woonplaats in Luxemburg hebben. Het lijkt de verwijzende rechterlijke instantie te zijn die een dergelijke beperking stelt. Bijgevolg is het niet zeker of in de onderhavige zaak de verenigbaarheid van een woonplaatsvereiste met het Unierecht moet worden onderzocht, of een eenvoudige verplichting tot inschrijving bij de ADEM.
18
Dit bezwaar kan niet worden aanvaard. Zoals immers volgt uit punt 14 van het onderhavige arrest, heeft de verwijzende rechterlijke instantie met de vereiste duidelijkheid in haar beslissing tot prejudiciële verwijzing naar het Hof de relevante feiten van het geschil uiteengezet en nauwkeurig de daarop toepasselijke nationale bepaling aangegeven, namelijk artikel L. 541-1, eerste alinea, van de code du travail. Deze rechterlijke instantie heeft bovendien uiteengezet hoe zij de toepasselijke nationale regeling uitlegt, door te constateren dat vaststaat dat alleen ingezetenen van het nationale grondgebied zich als werkzoekende kunnen inschrijven bij de ADEM. Het Hof beschikt dus over alle noodzakelijke gegevens om de verwijzende rechterlijke instantie een dienstig antwoord te geven, zodat deze in het hoofdgeding uitspraak kan doen.
19
In de tweede plaats vraagt de Tsjechische regering zich af of de door de verwijzende rechterlijke instantie gestelde vraag niet hypothetisch is, aangezien Schmidt-Krier niettegenstaande het bepaalde in artikel L. 541-1, eerste alinea, van de code du travail door Caves Krier is aangesteld.
20
Ofschoon het juist is dat de weigering om Caves Krier de bij artikel L. 541-1, eerste alinea, van de code du travail voorziene aanstellingssubsidie toe te kennen, deze onderneming er niet van heeft weerhouden om Schmidt-Krier aan te stellen, neemt dit niet weg dat, zoals de Tsjechische regering zelf toegeeft in haar schriftelijke opmerkingen, een dergelijke weigering niettemin tot gevolg heeft dat deze aanstelling heeft plaatsgevonden onder minder gunstige voorwaarden dan de aanstelling van een werkzoekende die ouder dan 45 jaar is die bij de ADEM is ingeschreven, hetgeen volgens Caves Krier een belemmering van het in het Unierecht voorziene vrije verkeer van werknemers vormt en derhalve aanleiding heeft gegeven tot een geschil tussen haarzelf en de ADEM. In die omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat de door de verwijzende rechterlijke instantie gestelde vraag hypothetisch is.
21
In de derde plaats merkt de Tsjechische regering tot slot op dat de gestelde vraag ook niet-ontvankelijk kan zijn omdat uit de verwijzingsbeslissing lijkt te volgen dat Schmidt-Krier als werkzoekende was ingeschreven in Duitsland, terwijl zij tegelijkertijd in Luxemburg werkte.
22
Daar de verwijzende rechterlijke instantie heeft vastgesteld dat artikel L. 541-1, eerste alinea, van de code du travail op het hoofdgeding toepasselijk is, hetgeen veronderstelt dat Schmidt-Krier werkloos was toen zij werd aangesteld, kan het Hof, wiens taak het niet is om het in het kader van een prejudiciële verwijzing de feiten te beoordelen, deze vooronderstelling in twijfel te trekken.
23
Bijgevolg moet worden geoordeeld dat het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk is.
Ten gronde
24
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in wezen te vernemen of de artikelen 21 VWEU en 45 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regeling van een lidstaat die de toekenning aan de werkgever van een subsidie voor de aanstelling van werklozen van ouder dan 45 jaar ervan afhankelijk stelt dat de werkloze in diezelfde lidstaat als werkzoekende is ingeschreven, indien voor een dergelijke inschrijving een woonplaats op het nationale grondgebied is vereist.
25
Het is vaste rechtspraak dat iedere onderdaan van een lidstaat die gebruik heeft gemaakt van het recht van vrij verkeer van werknemers en een beroepswerkzaamheid in een andere lidstaat dan zijn woonstaat heeft uitgeoefend, ongeacht zijn woonplaats en zijn nationaliteit binnen de werkingssfeer van artikel 45 VWEU valt (zie onder meer arresten van 21 februari 2006, Ritter-Coulais, C-152/03, Jurispr. blz. I-1711, punt 31, en 18 juli 2007, Hartmann, C-212/05, Jurispr. blz. I-6303, punt 17).
26
Daarnaast volgt uit de rechtspraak van het Hof dat in het kader van artikel 45 VWEU als „werknemer” wordt beschouwd, degene die gedurende bepaalde tijd voor een ander en onder diens gezag prestaties levert en als tegenprestatie een beloning ontvangt. Wanneer de arbeidsverhouding is beëindigd, verliest de betrokkene in beginsel zijn hoedanigheid van werknemer. Dit neemt echter niet weg, dat die hoedanigheid bepaalde effecten kan hebben na het eindigen van de arbeidsverhouding, en dat ook iemand die daadwerkelijk werk zoekt als werknemer moet worden aangemerkt (zie arrest van 12 mei 1998, Martínez Sala, C-85/96, Jurispr. blz. I-2691, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
27
Hieruit volgt dat de situatie van een grensarbeider als Schmidt-Krier, die nadat zij haar baan had verloren in een andere lidstaat dan die waarin zij haar werkelijke woonplaats heeft, in die andere lidstaat werk heeft gevonden in het kader van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur, binnen de werkingssfeer van artikel 45 VWEU valt.
28
Hoewel vaststaat dat de in dat artikel bedoelde rechten van vrij verkeer voor werknemers, waaronder werkzoekenden, gelden, wijst niets in de bewoordingen van genoemd artikel er echter op dat deze rechten niet kunnen worden ingeroepen door anderen. Het recht van werknemers om zonder discriminatie te worden tewerkgesteld en een beroep uit te oefenen, kan immers slechts doeltreffend en zinvol zijn, indien daartegenover staat dat de werkgevers het recht hebben om werknemers met inachtneming van de regels betreffende het vrije verkeer in dienst te nemen (zie arresten van 7 mei 1998, Clean Car Autoservice, C-350/96, Jurispr. blz. I-2521, punten 19 en 20, en 11 januari 2007, ITC, C-208/05, Jurispr. blz. I-181, punten 22 en 23).
29
In die omstandigheden kan een werkgever als Caves Krier zich beroepen op de rechten die werknemers rechtstreeks aan artikel 45 VWEU ontlenen.
30
Aangezien het hoofdgeding binnen de werkingssfeer van deze bepaling valt, behoeft geen uitspraak te worden gedaan over de uitlegging van artikel 21 VWEU. Deze bepaling, die op algemene wijze bepaalt dat iedere burger van de Unie het recht heeft om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, vindt immers in artikel 45 VWEU een specifieke uitdrukking met betrekking tot het vrije verkeer van werknemers (zie met name arrest ITC, reeds aangehaald, punten 64 en 65, en arresten van 11 september 2007, Hendrix, C-287/05, Jurispr. blz. I-6909, punten 61 en 62, en 25 oktober 2012, Prete, C-367/11, punt 20).
31
Met betrekking tot de vraag of een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, een beperking als bedoeld in artikel 45 VWEU vormt, moet eraan worden herinnerd dat de bepalingen van het VWEU inzake het vrije verkeer van personen in hun geheel beogen het de onderdanen van de lidstaten gemakkelijker te maken, op het grondgebied van de Europese Unie om het even welk beroep uit te oefenen, en dat zij in de weg staan aan regelingen die deze onderdanen zouden kunnen benadelen wanneer zij op het grondgebied van een andere lidstaat een economische activiteit willen verrichten (zie met name arrest ITC, reeds aangehaald, punt 31, en arrest van 16 maart 2010, Olympique Lyonnais, C-325/08, Jurispr. blz. I-2177, punt 33).
32
De Luxemburgse regering stelt evenwel dat de nationale regeling die in het hoofdgeding aan de orde is geen enkele belemmering van het vrij verkeer van werknemers met zich brengt, nu zij niet in enig woonplaatsvereiste voorziet. De gestelde vraag berust in dat verband op een onjuiste uitlegging van de nationale regeling door de verwijzende rechterlijke instantie. Elke niet-ingezeten werkloze kan zich immers bij de ADEM inschrijven. Artikel L. 622-6 (1) van de code du travail bepaalt duidelijk dat elke persoon zonder werk die werkzoekend is, zich als werkzoekende moet inschrijven bij de ADEM. Een werknemer met de Luxemburgse nationaliteit die in Duitsland woont, zal zich uiteraard bij de Duitse dienst voor arbeidsbemiddeling moeten inschrijven om eventuele werkloosheidsuitkeringen te krijgen, maar er is geen enkele Luxemburgse wettekst die een dergelijke werknemer belet om zich bij de ADEM in te schrijven om van vacatures in Luxemburg op de hoogte te worden gehouden en om de werkgever die hem aanstelt de mogelijkheid te bieden om het voordeel van de uit artikel L. 541-1, eerste alinea, van de code du travail voortvloeiende rechten te genieten.
33
De Luxemburgse regering is dus van mening dat noch deze bepaling noch artikel L. 622-6 (1) van de code du travail naar Unierecht discriminatoir is, aangezien er geen nationaliteits- of woonplaatsvereiste met betrekking tot de werkzoekende wordt voorgeschreven opdat een werkgever de betrokken subsidie kan aanvragen. Artikel L. 541-1, eerste alinea, van genoemde code preciseert overigens duidelijk dat aan de werkgever de socialezekerheidsbijdragen voor aangestelde werklozen zullen worden terugbetaald, ongeacht of deze een uitkering ontvangen. In het hoofdgeding heeft de ADEM in de litigieuze beslissing alleen vastgesteld dat Schmidt-Krier niet voldeed aan de voorwaarde van inschrijving bij deze instantie. De ADEM heeft daarentegen niet beslist inschrijving te weigeren op gronden die naar Unierecht discriminatoir zijn.
34
Hieruit volgt volgens deze regering dat de werknemers die op het Luxemburgse grondgebied wonen, aan dezelfde verplichtingen zijn onderworpen als de onderdanen van andere lidstaten die in Luxemburg werken of Luxemburgse onderdanen die in Luxemburg werken en in een andere lidstaat wonen. Er is tussen hen geen verschil in behandeling, aangezien zij zich allen kunnen inschrijven bij de ADEM.
35
In dat verband moet eraan worden herinnerd dat het Hof volgens vaste rechtspraak niet bevoegd is om het nationale recht van een lidstaat uit te leggen (zie onder meer arrest van 17 maart 2011, Naftiliaki Etaireia Thasou en Amaltheia I Naftiki Etaireia, C-128/10 en C-129/10, Jurispr. blz. I-1885, punt 40).
36
Het staat dus niet aan het Hof om zich in het kader van een prejudiciële verwijzing krachtens artikel 267 VWEU uit te spreken over de uitlegging van de nationale bepalingen en te beoordelen of de verwijzende rechterlijke instantie deze correct uitlegt (arrest van 23 april 2009, Angelidaki e.a., C-378/07-C-380/07, Jurispr. blz. I-3071, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
37
Daarentegen dient het Hof in het kader van de bevoegdheidsverdeling tussen de rechterlijke instanties van de Unie en de nationale rechterlijke instanties rekening te houden met de in de verwijzingsbeslissing omschreven feitelijke en juridische context waarin de prejudiciële vragen moeten worden geplaatst (arrest van 29 oktober 2009, Pontin, C-63/08, Jurispr. blz. I-10467, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38
Bijgevolg moet de onderhavige prejudiciële verwijzing, ongeacht de kritiek die de Luxemburgse regering heeft geuit over de uitlegging van het nationale recht door de verwijzende rechterlijke instantie, worden onderzocht in het licht van de uitlegging die deze rechterlijke instantie aan dit recht heeft gegeven (zie naar analogie arrest Pontin, reeds aangehaald, punt 38).
39
Hoewel in de onderhavige zaak niet wordt betwist dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling niet uitdrukkelijk erin voorziet dat voor inschrijving bij de ADEM een woonplaats in Luxemburg is vereist, heeft de verwijzende rechterlijke instantie in haar beslissing tot prejudiciële verwijzing naar het Hof geconstateerd dat vaststaat dat alleen ingezetenen zich bij de ADEM kunnen inschrijven, zoals volgt uit punt 18 van het onderhavige arrest.
40
Bovendien volgt uit het aan het Hof overgelegde dossier dat van deze uitlegging ook is uitgegaan in de context van het hoofdgeding, door het tribunal administratif in zijn uitspraak van 14 juli 2010 en door de Cour constitutionnelle in zijn arrest nr. 64/11 van 4 mei 2011.
41
Overigens volgt uit de door Caves Krier in antwoord op een schriftelijke vraag van het Hof overgelegde stukken dat de website ten behoeve van werkzoekenden in Luxemburg weliswaar de korte vermelding bevat dat grensarbeiders die dat willen zich bij de ADEM kunnen inschrijven, maar dat deze vermelding wordt tegengesproken door andere passages op diezelfde website en door meerdere andere stukken, waarin integendeel is benadrukt dat een werkzoekende die zich bij de ADEM wil inschrijven, in die lidstaat moet wonen. Bovendien volgt weliswaar uit de totstandkomingsgeschiedenis van de regels rond de hervorming van de ADEM, die ook door Caves Krier zijn verstrekt, dat grensarbeiders die hun baan in Luxemburg hebben verloren vanaf 2012 toegang zullen hebben tot alle diensten van de ADEM, maar dit neemt niet weg dat deze hervorming, die niet van kracht was ten tijde van de feiten van het hoofdgeding, sterk de indruk wekt dat die toegang vóór 2012 was uitgesloten.
42
Bijgevolg moet bij het onderzoek van de onderhavige prejudiciële vraag worden uitgegaan van de hypothese dat volgens de nationale regeling die in het hoofdgeding aan de orde is, voor inschrijving bij de ADEM en derhalve toekenning van de bij artikel L. 541-1, eerste alinea, van de code du travail voorziene aanstellingssubsidie, het vereiste van een woonplaats in Luxemburg geldt. Het staat evenwel aan de verwijzende rechterlijke instantie om dit in het kader van de uitoefening van zijn bevoegdheden na te gaan.
43
In die omstandigheden blijkt dat de nationale regeling die in het hoofdgeding aan de orde is, een verschil in behandeling invoert tussen enerzijds de onderdanen van de lidstaten die als werkzoekende op het Luxemburgse grondgebied wonen en anderzijds diezelfde onderdanen die in een andere lidstaat wonen.
44
Door aan de toekenning van de aanstellingssubsidie de voorwaarde te verbinden dat de werkzoekende in Luxemburg moet wonen, benadeelt deze nationale regeling bepaalde werknemers op de enkele grond dat zij hun woonplaats in een andere lidstaat hebben.
45
Om die reden kan een dergelijke nationale regeling een in Luxemburg gevestigde werkgever ontmoedigen om een werkzoekende aan te stellen die, zoals Schmidt-Krier in het hoofdgeding, zijn woonplaats niet in die lidstaat heeft, aangezien deze werkgever met een dergelijke aanstelling, anders dan de aanstelling van een werkzoekende die zijn woonplaats in dezelfde lidstaat heeft, geen aanstellingssubsidie kan verkrijgen.
46
Dit betekent dat deze regeling de toegang tot werkgelegenheid in Luxemburg kan bemoeilijken voor een grensarbeider die, zoals Schmidt-Krier, werkloos is.
47
Een dergelijke nationale regeling, die niet-ingezeten werknemers minder gunstig behandelt dan werknemers die in Luxemburg wonen, vormt een beperking van de vrijheid die werknemers krachtens artikel 45 VWEU genieten (zie naar analogie arrest van 7 juli 2005, Van Pommeren-Bourgondiën, C-227/03, Jurispr. blz. I-6101, punt 44, en arrest Ritter-Coulais, reeds aangehaald, punten 37 en 38).
48
Een maatregel die het vrije verkeer van werknemers belemmert is slechts toelaatbaar wanneer hij een legitieme, met het Verdrag verenigbare doelstelling nastreeft en zijn rechtvaardiging vindt in dwingende redenen van algemeen belang. Daarenboven moet in een dergelijk geval de toepassing van de betrokken maatregel geschikt zijn om de verwezenlijking van de nagestreefde doelstelling te verzekeren en mag deze niet verder gaan dan ter bereiking van deze doelstelling noodzakelijk is (zie met name reeds aangehaalde arresten ITC, punt 37, en Olympique Lyonnais, punt 38).
49
Volgens vaste rechtspraak is het een zaak van de lidstaten om bij de vaststelling van een maatregel die afwijkt van een beginsel dat in het recht van de Unie is verankerd, in elk concreet geval te bewijzen dat deze maatregel geschikt is ter verzekering dat de genoemde doelstelling wordt verwezenlijkt en niet verder gaat dan daartoe nodig is. Bij de rechtvaardigingsgronden die een lidstaat kan aanvoeren moet een onderzoek zijn gevoegd van de geschiktheid en de evenredigheid van de door die lidstaat genomen beperkende maatregel, alsmede specifieke gegevens ter onderbouwing van zijn betoog (arrest van 13 april 2010, Bressol e.a., C-73/08, Jurispr. blz. I-2735, punt 71).
50
In de onderhavige zaak moet worden vastgesteld dat de Luxemburgse regering, ondanks de daarover door het Hof ter terechtzitting gestelde vragen, niet heeft getracht een omschrijving te geven van de doelstelling die wordt nagestreefd met het woonplaatsvereiste dat door de in het hoofdgeding aan de orde zijn regelgeving wordt voorgeschreven voor inschrijving bij de ADEM en dus de toekenning van de aanstellingssubsidie. Zij heeft zich beperkt tot een rechtvaardiging van de voorwaarde van inschrijving bij deze instantie, zodat deze regering geen enkel element naar voren heeft geschoven ter rechtvaardiging van dit woonplaatsvereiste als een dwingend vereiste van algemeen belang dat door artikel 45 VWEU wordt beschermd.
51
Teneinde de verwijzende rechterlijke instantie een volledig antwoord te geven, moet eraan worden herinnerd dat het Hof inderdaad reeds heeft geoordeeld dat het aan de lidstaten staat, de maatregelen ter verwezenlijking van hun werkgelegenheidsbeleid te kiezen. Het Hof heeft erkend dat de lidstaten bij de uitoefening van deze bevoegdheid over een ruime beoordelingsmarge beschikken. Bovendien kan niet worden betwist dat de bevordering van de werkgelegenheid een rechtmatige doelstelling van sociaal beleid vormt (zie arrest ITC, reeds aangehaald, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
52
De beoordelingsmarge waarover de lidstaten inzake sociaal beleid beschikken, kan evenwel geen aantasting rechtvaardigen van de rechten die particulieren ontlenen aan de bepalingen van het Verdrag waarin hun fundamentele vrijheden zijn neergelegd (zie arrest ITC, reeds aangehaald, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
53
Daarbij moet er in het bijzonder aan worden herinnerd dat uit de rechtspraak van het Hof volgt dat een woonplaatsvereiste in beginsel ongeschikt is voor migrerende werknemers en grensarbeiders, aangezien zij, nadat zij tot de arbeidsmarkt van een lidstaat zijn toegetreden, in beginsel voldoende in de samenleving van die lidstaat zijn geïntegreerd, zodat zij daar het voordeel van het beginsel van gelijke behandeling ten opzichte van respectievelijk nationale werknemers en ingezeten werknemers kunnen genieten. De integratie is onder meer het gevolg van het feit dat de migrerende werknemers en grensarbeiders, met de fiscale bijdragen die zij in het gastland betalen uit hoofde van de arbeid in loondienst die zij daar verrichten, ook bijdragen aan de financiering van de sociale regelingen in die staat (zie in die zin met name arrest van 14 juni 2012, Commissie/Nederland, C-542/09, punten 63, 65 en 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
54
In het hoofdgeding staat vast dat Schmidt-Krier, hoewel zij niet in Luxemburg woont, een grensarbeider is die onderdaan is van die lidstaat en daar gedurende haar gehele carrière heeft gewerkt. Derhalve is zij in de Luxemburgse arbeidsmarkt geïntegreerd.
55
Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 45 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat die de toekenning aan de werkgever van een subsidie voor de aanstelling van werklozen van ouder dan 45 jaar ervan afhankelijk stelt dat de werkloze in diezelfde lidstaat als werkzoekende is ingeschreven, indien voor een dergelijke inschrijving een woonplaats op het nationale grondgebied is vereist. Het staat aan de verwijzende rechterlijke instantie om na te gaan of dit laatste het geval is.
Kosten
56
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:
Artikel 45 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat die de toekenning aan de werkgever van een subsidie voor de aanstelling van werklozen van ouder dan 45 jaar ervan afhankelijk stelt dat de werkloze in diezelfde lidstaat als werkzoekende is ingeschreven, indien voor een dergelijke inschrijving een woonplaats op het nationale grondgebied is vereist. Het staat aan de verwijzende rechterlijke instantie om na te gaan of dit laatste het geval is.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy