ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)
6 september 2012 ( *1 )
„Toetreding van nieuwe lidstaten — Overgangsmaatregelen — Landbouwproducten — Suiker — Verordening (EG) nr. 60/2004 — Tarief en grondslag van belasting op overtollige voorraden”
In zaak C-471/11,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Augstākās Tiesas Senāts (Letland) bij beslissing van 9 november 2010, ingekomen bij het Hof op 14 september 2011, in de procedure
Cido Grupa SIA
tegen
Valsts ieņēmumu dienests,
wijst HET HOF (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: U. Lõhmus, kamerpresident, A. Ó Caoimh en C. G. Fernlund (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
—
Cido Grupa SIA, vertegenwoordigd door I. Lielpinka, advokāte,
—
de Valsts ieņēmumu dienests, vertegenwoordigd door N. Jezdakova als gemachtigde,
—
de Letse regering, vertegenwoordigd door I. Kalniņš en D. Pelše als gemachtigden,
—
de Estse regering, vertegenwoordigd door M. Linntam als gemachtigde,
—
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Triantafyllou en A. Sauka als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 6, lid 3, van verordening (EG) nr. 60/2004 van de Commissie van 14 januari 2004 houdende overgangsmaatregelen in de sector suiker in verband met de toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije (PB L 9, blz. 8), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1667/2005 van de Commissie van 13 oktober 2005 (PB L 269, blz. 3; hierna: „verordening nr. 60/2004”).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Cido Grupa SIA (hierna: „Cido Grupa”) en de Valsts ieņēmumu dienests (Letse belastingdienst; hierna: „VID”) over de heffing van belasting over een overtollige voorraad suikerstroop.
Toepasselijke bepalingen
3
Krachtens artikel 41, eerste alinea, van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond (PB 2003, L 236, blz. 33) kan de Europese Commissie gedurende een tijdvak dat drie jaar na de datum van toetreding verstrijkt, maatregelen nemen ter vergemakkelijking van de overgang van de nieuwe lidstaten naar de regeling van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Met name op grond van deze bepaling heeft de Commissie verordening nr. 60/2004 vastgesteld.
4
De considerans van verordening nr. 60/2004 luidt als volgt:
„[...]
(5)
Er bestaat een aanzienlijk risico dat de markten in de sector suiker worden verstoord doordat voor speculatieve doeleinden producten in de nieuwe lidstaten worden binnengebracht voordat deze zijn toegetreden. Daarom dienen regelingen ter vergemakkelijking van de overgang te worden getroffen om dergelijk speculatief verkeer in het vooruitzicht van de toetreding van de nieuwe lidstaten te voorkomen. In verband met de toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije zijn reeds soortgelijke regelingen voor het handelsverkeer van landbouwproducten getroffen bij verordening (EG) nr. 1972/2003. Wegens de bijzondere kenmerken van de sector suiker zijn voor die sector afzonderlijke regels nodig.
[...]
(7)
Bovendien moeten in overeenstemming met de toetredingsakte de voorraden suiker of isoglucose die de normale overdrachthoeveelheid te boven gaan, op kosten van de nieuwe lidstaten van de markt worden weggewerkt. De overtollige voorraden zullen door de Commissie worden bepaald op basis van de ontwikkeling van handel, productie en verbruik in de nieuwe lidstaten in de periode van 1 mei 2000 tot en met 30 april 2004. Bij deze procedure dient behalve met suiker en isoglucose ook rekening te worden gehouden met andere producten die een belangrijk suikerequivalentgehalte hebben, aangezien ook die producten mogelijke doelwitten van speculatie zijn. Als de vastgestelde overtollige hoeveelheid suiker en isoglucose niet uiterlijk op 30 april 2005 van de communautaire markt wordt weggewerkt, zal de betrokken nieuwe lidstaat financieel aansprakelijk worden gesteld voor de desbetreffende hoeveelheid. Het aan een nieuwe lidstaat in rekening te brengen en in de Gemeenschapsbegroting te storten bedrag in geval van niet-wegwerking van overtollige voorraden dient de hoogste uitvoerrestitutie te zijn die in de periode van 1 mei 2004 tot en met 30 april 2005 geldt.”
5
In artikel 4, punt 1, van verordening nr. 60/2004 wordt het begrip „suiker” gedefinieerd als:
„[...]
a)
beetwortelsuiker en rietsuiker in vaste vorm van GN-code 1701;
b)
suikerstroop van de GN-codes 1702 60 95, 1702 90 99 en 2106 90 59;
c)
inulinestroop van de GN-codes 1702 60 80 en 1702 90 80”.
6
Artikel 6, lid 1, van deze verordening bepaalt:
„Uiterlijk op 31 mei 2005 bepaalt de Commissie voor elke nieuwe lidstaat [...] de hoeveelheid suiker als zodanig of in verwerkte producten, isoglucose en fructose die de als de normale overdrachthoeveelheid op 1 mei 2004 beschouwde hoeveelheid overschrijdt en op kosten van de nieuwe lidstaten van de markt moet worden weggewerkt.
Voor de bepaling van deze overtollige hoeveelheid wordt met name rekening gehouden met de ontwikkeling in het jaar vóór de toetreding in vergelijking met de voorgaande jaren ten aanzien van:
a)
de ingevoerde en uitgevoerde hoeveelheden suiker als zodanig of in verwerkte producten, isoglucose en fructose;
b)
de productie en het verbruik van suiker en isoglucose en de voorraden van deze producten;
c)
de omstandigheden waaronder de voorraden zijn gevormd.”
7
Artikel 6, lid 2, van verordening nr. 60/2004 verplicht de nieuwe lidstaten om de hoeveelheden suiker of isoglucose die de Commissie voor elk van deze staten als overtollig heeft bepaald, uiterlijk op 30 november 2005 van de markt weg te werken.
8
Artikel 6, lid 3, van deze verordening luidt:
„Voor de toepassing van lid 2 beschikken de bevoegde autoriteiten van de nieuwe lidstaten op 1 mei 2004 over een systeem voor de identificatie, op het niveau van de belangrijkste betrokken marktdeelnemers, van de verhandelde of geproduceerde overtollige hoeveelheden suiker als zodanig of in verwerkte producten, isoglucose of fructose. Dit systeem kan met name steunen op het volgen van de invoer, fiscale controle en onderzoek op basis van de boekhouding en de fysieke voorraden van de marktdeelnemers en kan maatregelen zoals risicogaranties omvatten. Het identificatiesysteem wordt gebaseerd op een risicobeoordeling waarbij met name de volgende criteria terdege in aanmerking worden genomen:
—
type activiteit van de betrokken marktdeelnemers,
—
capaciteit van de opslagvoorzieningen,
—
omvang van de activiteiten.
De nieuwe lidstaat gebruikt dit systeem om de betrokken marktdeelnemers ertoe te dwingen een hoeveelheid suiker of isoglucose die overeenstemt met hun individuele overtollige hoeveelheid zoals deze is bepaald, op eigen kosten van de markt weg te werken. De betrokken marktdeelnemers bewijzen ten genoegen van de nieuwe lidstaat dat de nodige producten uiterlijk op 30 november 2005 van de markt zijn weggewerkt.
Indien dit bewijs niet wordt geleverd, heft de nieuwe lidstaat een bedrag dat gelijk is aan de betrokken hoeveelheid, vermenigvuldigd met de hoogste invoerbelastingen die in de periode van 1 mei 2004 tot en met 30 november 2005 voor het betrokken product hebben gegolden, verhoogd met 1,21 EUR/100 kg wittesuiker- of drogestofequivalent.
Het in de derde alinea bedoelde bedrag wordt toegewezen aan de nationale begroting van de nieuwe lidstaat.”
9
Artikel 7, lid 2, van verordening nr. 60/2004 bepaalt:
„Als voor een deel van de overtollige hoeveelheid of die hoeveelheid in haar geheel niet overeenkomstig lid 1 het bewijs van de wegwerking van de markt wordt geleverd, wordt ten laste van de nieuwe lidstaat een bedrag geheven dat gelijk is aan de niet-weggewerkte hoeveelheid, vermenigvuldigd met de hoogste uitvoerrestituties die in de periode van 1 mei 2004 tot en met 30 november 2005 voor witte suiker van GN-code 1701 99 10 hebben gegolden. [...]”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
10
Bij besluit van 12 september 2006 stelde de VID bij Cido Grupa een overtollige voorraad suikerstroop (GN-code 2106 90 59) vast en bepaalde het bedrag van de verschuldigde belasting op 79697,88 LVL, ongeveer 113400 EUR. Dat bedrag werd berekend op basis van de overeenkomstige hoeveelheid witte suiker (GN-code 1701 99 10) in de suikerstroop. Daartoe vermenigvuldigde de VID de in voorraad gehouden overtollige hoeveelheid suikerstroop, namelijk 295857 kg, met de concentratie witte suiker in dit product, namelijk 69 %, en werd een overtollige hoeveelheid van 204141 kg vastgesteld. Voor de berekening van de verschuldigde belasting paste de VID op die hoeveelheid de voor witte suiker geldende invoerbelasting, verhoogd met 1,21 EUR/100 kg, namelijk 55,55 EUR/100 kg, toe.
11
Naar aanleiding van een door Cido Grupa ingesteld beroep werd dat besluit door de rechtbank van eerste aanleg gedeeltelijk nietig verklaard. Volgens die rechtbank had de VID een vergissing gemaakt door het belastingtarief voor witte suiker toe te passen hoewel het betrokken product suikerstroop was, waarvoor een lager tarief gold. Nadat de uitspraak van deze rechtbank in hoger beroep werd bevestigd, hebben de VID en Cido Grupa bij de verwijzende rechter cassatieberoep ingesteld.
12
In zijn cassatieberoep stelt de VID dat de rechter in hoger beroep artikel 6 van verordening nr. 60/2004 onjuist heeft geïnterpreteerd door te oordelen dat de grondslag van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde belasting de overtollige hoeveelheid suikerstroop was en dat voor het tarief van deze belasting moest worden uitgegaan van de invoerbelasting op suikerstroop. De verwijzende rechter is daarom van oordeel dat de uitlegging van de begrippen „betrokken hoeveelheid” en „betrokken product” in artikel 6, lid 3, derde alinea, van verordening nr. 60/2004 beslissend is voor de uitkomst van het geding.
13
In die omstandigheden heeft de Augstākās Tiesas Senāts de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1)
Moet artikel 6, lid 3, derde alinea, van [verordening nr. 60/2004] aldus worden uitgelegd dat, indien bij een marktdeelnemer een individuele overtollige hoeveelheid is vastgesteld van een product dat kan worden aangemerkt als suiker in de zin van artikel 4, punt 1, van de verordening, de marktdeelnemer dan aan de fiscus een bedrag dient te betalen waarvan de berekening is gebaseerd op de hoeveelheid witte suiker (code van de gecombineerde nomenclatuur 1701 99 10) die overeenkomt met het suikergehalte van het bij de marktdeelnemer vastgestelde product, en niet op de hoeveelheid van het bij hem vastgestelde product zelf (bijvoorbeeld suikerstroop)?
2)
Moet bij de berekening van het te betalen bedrag worden uitgegaan van de hoogste invoerbelastingen die voor witte suiker hebben gegolden, en niet van die welke voor het specifieke bij de marktdeelnemer vastgestelde product hebben gegolden?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
14
Met zijn twee prejudiciële vragen, die tezamen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 6, lid 3, derde alinea, van verordening nr. 60/2004 aldus moet worden uitgelegd dat de grondslag van de belasting op een overtollige voorraad suikerstroop de daadwerkelijk aanwezige hoeveelheid witte suiker in dat product is en dat het tarief van deze belasting dat van de invoerbelasting op witte suiker, verhoogd met 1,21 EUR/100 kg, is.
15
Met betrekking tot het tarief van de belasting op overtollige voorraden wordt in artikel 6, lid 3, derde alinea, van verordening nr. 60/2004 alleen verwezen naar de hoogste invoerbelasting die „voor het betrokken product” heeft gegolden. Nagegaan moet dus worden of daarmee wordt bedoeld, zoals Cido Grupa stelt, de invoerbelasting op het product waarvan er een overtollige hoeveelheid is, in casu suikerstroop, dan wel, zoals de VID, de Letse en de Estse regering en de Commissie betogen, de invoerbelasting op witte suiker.
16
Het is juist dat het begrip „betrokken product” in artikel 6, lid 3, derde alinea, van verordening nr. 60/2004 gezien het ontbreken van nadere gegevens aldus kan worden begrepen dat het ziet op het product waarvan er een overtollige hoeveelheid is. Een dergelijke uitlegging is echter niet in overeenstemming met de context van deze bepaling en is in strijd met het doel van verordening nr. 60/2004, dat volgens punt 5 van de considerans van de verordening erin bestaat het risico te beperken dat de markten in de sector suiker worden verstoord doordat voor speculatieve doeleinden producten in de nieuwe lidstaten worden binnengebracht.
17
Overeenkomstig artikel 6, lid 3, tweede alinea, van nr. 60/2004 zijn de betrokken marktdeelnemers verplicht de door de autoriteiten van de nieuwe lidstaten bepaalde overtollige hoeveelheden suiker of isoglucose op hun kosten van de markt weg te werken of belastingen te betalen indien het bewijs van de wegwerking van die hoeveelheden niet kan worden geleverd. In het licht van die bepaling moet het begrip „betrokken product” in artikel 6, lid 3, derde alinea, van deze verordening dus zo worden begrepen dat het ziet op suiker en isoglucose, welke twee producten in de voorgaande alinea van artikel 6, lid 3, worden genoemd.
18
In overeenstemming met de in punt 7 van de considerans van verordening nr. 60/2004 aangegeven doelstelling om overtollige voorraden suiker, isoglucose en andere producten die een belangrijk suikerequivalentgehalte hebben weg te werken, bepaalt artikel 6, lid 3, derde alinea, van deze verordening dat de hoogste invoerbelasting wordt geheven die heeft gegolden voor suiker of isoglucose, welke twee begrippen in artikel 4 van verordening nr. 60/2004 worden gedefinieerd. Volgens artikel 4 omvat het begrip „suiker” naast suiker in vaste vorm van GN-code 1701, suikerstroop (GN-codes 1702 60 95, 1702 90 99 en 2106 90 59) en inulinestroop (GN-codes 1702 60 80 en 1702 90 80). Uit bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256, blz. 1) blijkt dat van deze producten witte suiker het product met het hoogste tarief is.
19
Verordening nr. 60/2004 verwijst voor de berekening van het verschuldigde bedrag uitdrukkelijk naar witte suiker wanneer een nieuwe lidstaat die de overtollige hoeveelheid suiker en isoglucose niet uiterlijk op 30 november 2005 heeft weggewerkt, financieel aansprakelijk wordt gesteld voor het wegwerken van die overtollige hoeveelheid. In dat geval wordt overeenkomstig artikel 7, lid 2, van verordening nr. 60/2004 ten laste van de nieuwe lidstaat „een bedrag geheven dat gelijk is aan de niet-weggewerkte hoeveelheid, vermenigvuldigd met de hoogste uitvoerrestituties die in de periode van 1 mei 2004 tot en met 30 november 2005 voor witte suiker van GN-code 1701 99 10 hebben gegolden”.
20
Ten slotte moet erop worden gewezen dat de door Cido Grupa verdedigde interpretatie, die de heffing inhoudt van de invoerbelasting die heeft gegolden voor het product waarvan er een overtollige hoeveelheid is, in dit geval suikerstroop, afbreuk doet aan het nuttig effect van verordening nr. 60/2004. Aangezien voor suikerstroop een belastingtarief geldt dat ongeveer 100 keer lager is dan het belastingtarief voor witte suiker, zou de belasting op overtollige voorraden immers niet voldoende hoog zijn om speculatief gedrag te ontmoedigen en de marktdeelnemers ertoe aan te zetten de overtollige voorraden weg te werken.
21
Artikel 6, lid 3, derde alinea, van verordening nr. 60/2004 moet dan ook aldus worden uitgelegd dat voor de belasting op een overtollige voorraad suikerstroop het tarief van de invoerbelasting op witte suiker, verhoogd met 1,21 EUR/100 kg, geldt.
22
Logischerwijs en om redenen van billijkheid moet worden aangenomen dat voor de verschuldigde belasting over een overtollige voorraad suikerstroop de daarin aanwezige hoeveelheid witte suiker als grondslag dient.
23
Gelet op al het voorgaande dient op de prejudiciële vragen te worden geantwoord dat artikel 6, lid 3, derde alinea, van verordening nr. 60/2004 aldus moet worden uitgelegd dat de grondslag van de verschuldigde belasting over een overtollige voorraad suikerstroop (GN-code 2106 90 59) de daadwerkelijk aanwezige hoeveelheid witte suiker (GN-code 1701 99 10) in dat product is en dat het tarief van deze belasting dat van de invoerbelasting op witte suiker is, verhoogd met 1,21 EUR/100 kg.
Kosten
24
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 6, lid 3, derde alinea, van verordening (EG) nr. 60/2004 van de Commissie van 14 januari 2004 houdende overgangsmaatregelen in de sector suiker in verband met de toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1667/2005 van de Commissie van 13 oktober 2005, moet aldus worden uitgelegd dat de grondslag van de belasting op een overtollige voorraad suikerstroop (GN-code 2106 90 59) de daadwerkelijk aanwezige hoeveelheid witte suiker (GN-code 1701 99 10) in dat product is en dat het tarief van deze belasting dat van de invoerbelasting op witte suiker is, verhoogd met 1,21 EUR/100 kg.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Lets.
Full & Egal Universal Law Academy