ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
12 juni 2014 ( *1 )
„Hogere voorziening — Mededingingsregelingen — Italiaanse markt voor aankoop en eerste bewerking van ruwe tabak — Beschikking tot vaststelling van een inbreuk op artikel 81 EG — Immuniteit tegen geldboeten — Verplichting tot medewerking — Rechten van verdediging — Grenzen van de rechterlijke toetsing — Recht op een eerlijk proces — Verhoor van getuigen of partijen — Redelijke termijn — Beginsel van gelijke behandeling”
In zaak C‑578/11 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 18 november 2011,
Deltafina SpA, gevestigd te Orvieto (Italië), vertegenwoordigd door J.‑F. Bellis, F. Di Gianni en G. Coppo, avvocati,
rekwirante,
andere partij in de procedure:
Europese Commissie, vertegenwoordigd door É. Gippini Fournier en L. Malferrari als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: R. Silva de Lapuerta, kamerpresident, J. L. da Cruz Vilaça, G. Arestis, J.‑C. Bonichot en A. Arabadjiev (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: E. Sharpston,
griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 13 november 2012,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 27 maart 2014,
het navolgende
Arrest
1
Met haar hogere voorziening verzoekt Deltafina SpA (hierna: „Deltafina”) primair om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie Deltafina/Commissie (T‑12/06, EU:T:2011:441; hierna: „bestreden arrest”) houdende verwerping van haar beroep tot nietigverklaring en subsidiair tot verlaging van de geldboete die haar is opgelegd bij beschikking C(2005) 4012 definitief van de Commissie van 20 oktober 2005 in een procedure op grond van artikel [81, lid 1, EG] (zaak COMP/C.38.281/B.2 – Ruwe tabak – Italië) (hierna: „litigieuze beschikking”), alsook om nietigverklaring van de litigieuze beschikking, voor zover deze haar betreft, en om intrekking of verlaging van de geldboete die haar bij die beschikking is opgelegd, en subsidiair om terugverwijzing van de zaak naar het Gerecht.
Voorgeschiedenis van het geding
2
Deltafina SpA is een Italiaanse vennootschap die zich voornamelijk bezighoudt met de eerste bewerking van ruwe tabak en de verkoop van bewerkte tabak. Zij is voor 100 % in handen van Universal Corp. (hierna: „Universal”), een in Richmond (Verenigde Staten) gevestigde vennootschap.
3
Van 3 tot en met 5 oktober 2001 heeft de Europese Commissie krachtens artikel 14 van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen [81 EG] en [82 EG] (PB 1962, 13, blz. 204), verificaties verricht, met name op de zetels van de Fédération européenne des transformateurs de tabac te Brussel (België) en van de drie belangrijkste Spaanse bewerkers van ruwe tabak. De Fédération européenne des transformateurs de tabac heeft haar leden, waaronder de Associazione professionale trasformatori tabacchi italiani (APTI), onmiddellijk op de hoogte gesteld van deze verificaties.
4
Op 19 februari 2002 heeft Deltafina krachtens titel A van de mededeling van de Commissie betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2002, C 45, blz. 3; hierna: „mededeling inzake medewerking van 2002”) een verzoek om immuniteit tegen geldboeten ingediend bij de Commissie. Dit verzoek betrof een vermeende mededingingsregeling tussen bewerkers van ruwe tabak op de Italiaanse markt.
5
Op 6 maart 2002 heeft de Commissie Deltafina meegedeeld dat haar verzoek voldeed aan de voorwaarden van de mededeling inzake medewerking van 2002 en dat zij haar aan het einde van de administratieve procedure immuniteit tegen geldboeten zou verlenen, op voorwaarde dat zij aan alle voorwaarden van punt 11 van deze mededeling voldeed.
6
Op 14 maart 2002 zijn de diensten van de Commissie en de vertegenwoordigers van Deltafina en Universal bijeengekomen om te bespreken hoe de samenwerking tussen Deltafina en de Commissie precies zou verlopen (hierna: „bijeenkomst van 14 maart 2002”).
7
Op die bijeenkomst hebben de diensten van de Commissie duidelijk gemaakt dat zij van plan waren om onverwachtse verificaties met betrekking tot de door Deltafina onthulde mededingingsregeling te verrichten, dat deze verificaties niet konden plaatsvinden vóór 18 april 2002 en dat de op til zijnde verificaties dus tot die datum geheim moesten worden gehouden, teneinde de doeltreffendheid ervan te garanderen (punt 412 van de litigieuze beschikking).
8
Deltafina heeft uitgelegd dat het voor haar onmogelijk was om haar immuniteitsverzoek geheim te houden tot de geplande datum van deze verificaties, omdat zij weldra zou deelnemen aan vergaderingen van de APTI, waarop het voor haar moeilijk zou zijn de vertrouwelijkheid te handhaven, en omdat zij haar middenkader van het immuniteitsverzoek op de hoogte diende te brengen en over dit verzoek moest berichten in het kader van financieringstransacties waarbij Universal in de Verenigde Staten betrokken was (punt 413 van de litigieuze beschikking).
9
De Commissie heeft nota genomen van die moeilijkheden en heeft, gelet op het feit dat aan de doeltreffendheid van de voorgenomen verificaties dreigde te worden afgedaan indien de andere kartelleden ervan op de hoogte zouden worden gesteld, aan Deltafina gevraagd om haar binnen een nog kortere termijn bewijzen en inlichtingen te verschaffen, zodat zij de bedoelde verificaties kon uitvoeren (punten 413‑417 van de litigieuze beschikking).
10
Op 22 maart 2002 heeft een telefoongesprek plaatsgevonden tussen de vertegenwoordigers van Deltafina en de met het betrokken dossier belaste ambtenaar van de Commissie (hierna: „telefoongesprek van 22 maart 2002”), waarin verschillende kwesties in verband met de samenwerking tussen Deltafina en de Commissie werden besproken (punten 418‑420 van de litigieuze beschikking en punten 10, 157 en 158 van het bestreden arrest).
11
Op 4 april 2002 heeft de voorzitter van Deltafina tijdens een bestuursvergadering van de APTI aan de aanwezigen onthuld dat Deltafina meewerkte met de Commissie (hierna: „onthulling van 4 april 2002”). Dezelfde dag hebben Dimon Italia Srl (hierna: „Dimon Italia”) en Transcatab SpA (hierna: „Transcatab”), waarvan de vertegenwoordigers op de bedoelde vergadering aanwezig waren, krachtens de mededeling inzake medewerking van 2002 een verzoek ingediend, zonder gewag te maken van de verklaring die de voorzitter van Deltafina op de vergadering van de APTI had afgelegd (punten 421‑426, 454 en 455 van de litigieuze beschikking).
12
Op 18 en 19 april 2002 heeft de Commissie krachtens artikel 14 van verordening nr. 17 verificaties verricht in de kantoren van Dimon Italia en Transcatab en in die van Trestina Azienda Tabacchi SpA en Romana Tabacchi SpA (punt 428 van de litigieuze beschikking).
13
Op 29 mei en 11 juli 2002 hebben nog twee bijeenkomsten plaatsgehad tussen de vertegenwoordigers van Deltafina en de diensten van de Commissie, waarop noch Deltafina, noch de Commissie de kwestie van de vertrouwelijkheid van Deltafina’s immuniteitsverzoek ter sprake heeft gebracht en waarop die onderneming evenmin heeft meegedeeld dat zij dit immuniteitsverzoek op de bestuursvergadering van de APTI van 4 april 2002 had onthuld aan Dimon Italia en aan Transcatab (punten 420 en 429 van de litigieuze beschikking).
14
Op 25 februari 2004 heeft de Commissie een mededeling van punten van bezwaar gericht tot verschillende ondernemingen en ondernemingsverenigingen, waaronder Deltafina, Universal, Dimon Italia en Transcatab.
15
Op 22 juni 2004 heeft een hoorzitting plaatsgevonden, waaraan Deltafina heeft deelgenomen. Tijdens die hoorzitting heeft een vertegenwoordiger van Dimon Italia de aandacht van de Commissie gevestigd op twee documenten die naar aanleiding van de verificaties in de kantoren van Dimon Italia aan het dossier waren toegevoegd. Het ging om handgeschreven nota’s waarin een samenvatting werd gegeven van de onthullingen die de voorzitter van Deltafina had gedaan op de bestuursvergadering van de APTI van 4 april 2002.
16
Op 21 december 2004 heeft de Commissie een addendum bij de mededeling van punten van bezwaar van 25 februari 2004 vastgesteld, waarbij zij Deltafina en de andere betrokken ondernemingen heeft meegedeeld dat zij van plan was om Deltafina de gevraagde immuniteit tegen geldboeten niet te verlenen omdat zij haar in punt 11, sub a, van de mededeling inzake medewerking van 2002 bedoelde verplichting tot medewerking niet was nagekomen.
17
Op 20 oktober 2005 heeft de Commissie de litigieuze beschikking vastgesteld. In artikel 1 daarvan heeft zij met name aangegeven dat Deltafina en Universal van 29 september 1995 tot 19 februari 2002 inbreuk hadden gemaakt op artikel 81, lid 1, EG door deel te nemen aan overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de sector ruwe tabak in Italië. Bij artikel 2 van die beschikking is Deltafina en Universal hoofdelijk een geldboete van 30 miljoen EUR opgelegd wegens de in artikel 1 bedoelde inbreuken.
18
De Commissie heeft de daadwerkelijke medewerking van Deltafina in aanmerking genomen als verzachtende omstandigheid en de haar op te leggen geldboete daarom met 50 % verminderd. In het bijzonder heeft de Commissie erkend dat Deltafina van meet af aan wezenlijk aan haar onderzoek had bijgedragen en de feiten nooit heeft betwist.
19
Wat Deltafina’s verzoek om immuniteit tegen geldboeten betreft, was de Commissie van mening dat de in punt 11, sub a, van de mededeling inzake medewerking van 2002 bedoelde verplichting tot medewerking een verbod inhoudt om maatregelen te nemen die haar vermogen om een onderzoek te verrichten en/of de inbreuk vast te stellen kunnen aantasten. Nog volgens de Commissie verzet die verplichting zich ertegen dat een immuniteitsverzoek openbaar wordt gemaakt op een ogenblik waarop de Commissie nog geen verificaties heeft verricht en de sector niet weet dat er verificaties ophanden zijn. Een dergelijke openbaarmaking kan het vermogen van die instelling om doeltreffende verificaties te verrichten en aldus de inbreuk vast te stellen immers onherroepelijk aantasten (punten 432 en 433 van de litigieuze beschikking).
20
De Commissie heeft gepreciseerd dat een verzoeker aan de „intrinsieke spanning” tussen deze laatste verplichting en die welke is opgelegd bij punt 11, sub b, van de mededeling inzake medewerking van 2002, volgens hetwelk de verzoeker zijn betrokkenheid bij de inbreuk uiterlijk moet beëindigen op het tijdstip waarop hij zijn immuniteitsverzoek indient, niet het recht kan ontlenen om de andere kartelleden vrijwillig mee te delen dat hij een immuniteitsverzoek heeft ingediend (punt 434 van de litigieuze beschikking).
21
De Commissie is tot de conclusie gekomen dat Deltafina de op haar rustende verplichting niet was nagekomen, aangezien haar voorzitter – hoewel hij wist dat de Commissie van plan was om in de periode van 18 tot 20 april 2002 verificaties te verrichten – Deltafina’s voornaamste concurrenten vóór deze verificaties vrijwillig had ingelicht over de indiening van haar immuniteitsverzoek (punten 441‑444 en 460 van de litigieuze beschikking).
22
De Commissie heeft hieraan toegevoegd dat de gesprekken die tijdens de bijeenkomst van 14 maart 2002 zijn gevoerd en de wijze waarop zij zich daarna heeft gedragen er geen twijfel over lieten bestaan dat zij nooit heeft aanvaard dat Deltafina haar concurrenten noodzakelijkerwijs op de hoogte moest stellen van haar immuniteitsverzoek en dat de verificaties dus niet meer konden plaatsvinden. Zij stelt dat zij duidelijk heeft gepreciseerd dat de vertrouwelijkheid nog een maand langer in acht moest worden genomen, zodat zij de bedoelde verificaties kon voorbereiden (punten 445‑448 van de litigieuze beschikking).
23
De Commissie heeft verklaard te hebben erkend dat het voor Deltafina praktisch gezien moeilijk was om het immuniteitsverzoek vertrouwelijk te houden en dat het uiterst onwaarschijnlijk was dat de voorgenomen verificaties nog konden plaatsvinden indien Deltafina dat verzoek moest onthullen aan haar concurrenten. Zij heeft evenwel ook benadrukt dat de voorzitter van Deltafina zijn onthulling van 4 april 2002 vrijwillig en uit eigen beweging had gedaan, aangezien hij niet onder enige dwingende bedreiging heeft gehandeld (punten 450‑453 en 459 van de litigieuze beschikking).
24
Zij is tot de slotsom gekomen dat dit gedrag op geen enkele manier kon worden gerechtvaardigd (punten 454‑459 van de litigieuze beschikking).
25
Voorts heeft de Commissie gepreciseerd dat het feit dat Deltafina haar met name niet op de hoogte had gesteld van de onthulling van 4 april 2002 deed vermoeden dat zij niet verwachtte dat de Commissie haar gedrag zou goedkeuren (punt 449 van de litigieuze beschikking).
26
Bijgevolg is de Commissie tot de conclusie gekomen dat „[Deltafina], door haar immuniteitsverzoek vrijwillig openbaar te maken op de vergadering van de APTI van 4 april 2002, om alle hierboven uiteengezette redenen de krachtens punt 11, sub a, van de mededeling inzake medewerking van 2002 op haar rustende verplichting tot medewerking niet [was] nagekomen” (punt 460 van de litigieuze beschikking).
Procesverloop bij het Gerecht en bestreden arrest
27
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 19 januari 2006, heeft Deltafina een beroep ingesteld dat primair strekte tot intrekking van de haar bij de litigieuze beschikking opgelegde geldboete en subsidiair tot verlaging ervan.
28
Ter ondersteuning van haar beroep heeft Deltafina zeven middelen aangevoerd, waarvan er vier primair werden aangevoerd en strekten tot nietigverklaring van de litigieuze beschikking, voor zover haar daarbij een geldboete was opgelegd. De drie andere middelen werden subsidiair aangevoerd en strekten tot verlaging van het bedrag van die geldboete.
29
Het Gerecht heeft alle door Deltafina aangevoerde middelen verworpen, met uitzondering van haar zesde middel, dat zij zelf had ingetrokken.
Conclusies van partijen
30
Deltafina verzoekt het Hof:
—
primair, het bestreden arrest geheel of gedeeltelijk te vernietigen en de litigieuze beschikking nietig te verklaren, voor zover deze haar betreft, alsook de haar opgelegde boete in te trekken of het bedrag ervan te verlagen;
—
subsidiair, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht, en
—
de Commissie te verwijzen in de kosten.
31
De Commissie verzoekt het Hof:
—
de hogere voorziening af te wijzen, en
—
Deltafina te verwijzen in de kosten.
Hogere voorziening
32
Tot staving van haar hogere voorziening voert Deltafina vier middelen aan. Om te beginnen moeten het eerste en het tweede middel – samen – worden onderzocht, daarna het vierde middel en ten slotte het derde middel.
Eerste en tweede middel
Argumenten van partijen
33
Met haar eerste middel verwijt Deltafina het Gerecht allereerst dat het zich niet heeft uitgesproken over het middel waarmee zij had aangevoerd dat zij na de bijeenkomst van 14 maart 2002 mocht besluiten dat de Commissie haar had ontheven van de vertrouwelijkheidsplicht en dat zij haar verplichting tot medewerking dus niet had geschonden met haar onthulling van 4 april 2002.
34
Vervolgens beklemtoont Deltafina dat haar bij de litigieuze beschikking slechts één schending van de verplichting tot medewerking ten laste wordt gelegd, te weten de onthulling van 4 april 2002. Door te oordelen dat Deltafina haar verplichting tot medewerking niet was nagekomen doordat zij de Commissie niet op de hoogte had gesteld van die onthulling, heeft het Gerecht derhalve de rechten van de verdediging geschonden en zijn bevoegdheden, die beperkt waren tot de beoordeling van de rechtmatigheid van deze beschikking, overschreden.
35
Tot slot betoogt Deltafina dat het Gerecht in punt 149 van het bestreden arrest zijn eigen beoordeling van de op haar rustende verplichtingen inzake medewerking in de plaats heeft gesteld van hetgeen tussen haar en de Commissie was overeengekomen op de bijeenkomst van 14 maart 2002. Om de precieze inhoud van deze verplichtingen te bepalen, had het Gerecht rekening moeten houden met de overeengekomen samenwerkingsvoorwaarden.
36
Het Gerecht heeft zich immers gebaseerd op de onjuiste premisse dat Deltafina haar verplichting tot medewerking hoe dan ook niet was nagekomen omdat zij niet aan de Commissie had meegedeeld dat zij haar immuniteitsverzoek had onthuld, terwijl de kwalificatie van die feiten afhangt van de afgesproken voorwaarden. Zoals door punt 12, sub a, van de mededeling van de Commissie betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2006, C 298, blz. 17) wordt bevestigd, kon de Commissie de onthulling van dat immuniteitsverzoek toestaan.
37
In casu is die toestemming volgens rekwirante gegeven tijdens de bijeenkomst van 14 maart 2002. Op basis van de notulen van bijeenkomst die toen zijn opgesteld en van de wijze waarop de betrokken partijen zich daarna hebben gedragen, had het Gerecht namelijk moeten constateren dat Deltafina en de Commissie het erover eens waren geworden dat die onthulling onvermijdelijk was en dat op Deltafina daarom de zwaardere verplichting rustte om snel andere bewijzen aan te dragen.
38
Deltafina preciseert dat uit de notulen van de bijeenkomst van 14 maart 2002 blijkt dat niet was besproken of die onthulling „vrijwillig en uit eigen beweging”, dan wel „onvrijwillig en vereist” moest zijn. Door bij zijn beoordeling de onthullingswijze in aanmerking te nemen, heeft het Gerecht zich volgens haar dan ook gebaseerd op een ontoelaatbare reconstructie achteraf van de feiten. Voorts betoogt zij dat eventuele twijfel over de inhoud van het vermeende akkoord inzake de precieze voorwaarden van de medewerking haar hoe dan ook ten goede moet komen.
39
Met haar tweede middel voert Deltafina aan dat het Gerecht de artikelen 65 en 68 van zijn Reglement voor de procesvoering heeft geschonden door ter terechtzitting de mondelinge getuigenissen te verzamelen van haar advocaat (R.) en van de met het dossier belaste ambtenaar van de Commissie (V. E.), in hun hoedanigheid van deelnemers aan de bijeenkomst van 14 maart 2002 en dus als getuigen, zonder dat een beschikking is gegeven om de vast te stellen feiten te preciseren, zonder dat die getuigen de eed hebben afgelegd en zonder dat een proces-verbaal is opgesteld waarin de betrokken getuigenissen werden opgetekend.
40
Volgens Deltafina heeft het Gerecht zich in punt 159 van het bestreden arrest gebaseerd op de getuigenis van V. E. om aan te tonen dat deze niet had begrepen dat Deltafina voornemens was de onthulling van 4 april 2002 te verrichten en dat hij daar hoe dan ook niet mee zou hebben ingestemd. Doordat het Gerecht die getuigenis niet heeft afgezet tegen een getuigenis van J., aan wie niet is gevraagd om te komen getuigen, heeft het Deltafina’s recht op een eerlijk proces geschonden.
41
De Commissie bestrijdt het betoog van Deltafina.
Beoordeling door het Hof
42
Wat de ontvankelijkheid van het in punt 33 van dit arrest samengevatte betoog betreft, die door de Commissie wordt bestreden, moet worden vastgesteld dat Deltafina het Hof niet verzoekt de feiten opnieuw te beoordelen, maar wel te verklaren dat het bestreden arrest gebrekkig is gemotiveerd. Dit betoog is dus ontvankelijk.
43
Wat de ontvankelijkheid van het in de punten 35 en 36 van dit arrest samengevatte betoog betreft, moet worden opgemerkt dat Deltafina het Gerecht met dit betoog verwijt dat het bij de vaststelling van de op haar rustende verplichtingen tot medewerking blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Bijgevolg is dat betoog eveneens ontvankelijk.
44
Daarentegen moet met de Commissie worden vastgesteld dat Deltafina met haar in de punten 37 en 38 van dit arrest samengevatte betoog een feitelijke beoordeling van het Gerecht ter discussie stelt, maar niet aanvoert dat het bewijs onjuist is opgevat. Het Hof is echter volgens zijn vaste rechtspraak niet bevoegd om een dergelijk onderzoek te verrichten, zodat dit betoog niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
45
Ten gronde moet worden opgemerkt dat Deltafina het Gerecht met haar in de punten 33 en 34 van het onderhavige arrest samengevatte betoog ten eerste verwijt dat het zich niet heeft uitgesproken over het middel waarmee Deltafina aanvoerde dat de Commissie haar had ontheven van de vertrouwelijkheidsplicht, en ten tweede dat het zijn motivering op onrechtmatige wijze in de plaats heeft gesteld van die van de Commissie en bijgevolg zijn bevoegdheid heeft overschreden.
46
Met betrekking tot het eerste onderdeel van Deltafina’s betoog moet worden opgemerkt dat het Gerecht in punt 160 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat de Commissie Deltafina niet kon hebben toegestaan om uit eigen beweging de onthulling van 4 april 2002 te verrichten, aangezien die onderneming niet had aangetoond dat zij de Commissie vooraf naar behoren had ingelicht over haar voornemens.
47
Gelet op met name die overweging heeft het Gerecht in punt 173 van dat arrest de beoordeling van de Commissie bevestigd dat Deltafina haar verplichting tot medewerking niet was nagekomen.
48
Dienaangaande volgt uit de punten 441, 450 en 460 van de litigieuze beschikking dat de situatie waarin een karteldeelnemer op een tijdstip waarop verificaties ter plaatse zijn gepland bij andere ondernemingen die aan hetzelfde kartel hebben deelgenomen, vrijwillig en uit eigen beweging aan die andere ondernemingen onthult dat hij met de Commissie meewerkt, volgens de Commissie van een andere aard is dan de situatie waarin die andere ondernemingen die medewerking ontdekken vanwege de praktische moeilijkheden voor eerstbedoelde onderneming om haar medewerking vertrouwelijk te houden.
49
De Commissie was namelijk van mening dat uit deze vrijwillige en spontane onthulling op zich reeds niet-nakoming van de verplichting tot medewerking blijkt, tenzij ondubbelzinnig wordt aangetoond dat zij die onthulling vooraf uitdrukkelijk had toegestaan.
50
Het Gerecht heeft geoordeeld dat dit in casu niet het geval was en heeft derhalve in de punten 160 en 173 van het bestreden arrest bevestigd dat Deltafina haar verplichting tot medewerking niet was nagekomen, zoals de Commissie in punt 460 van de litigieuze beschikking heeft vastgesteld.
51
Anders dan Deltafina betoogt, berust die beoordeling niet op een onjuiste opvatting.
52
In het bijzonder heeft Deltafina de feitelijke vaststelling van het Gerecht dat de Commissie geen uitdrukkelijke voorafgaande toestemming had verleend voor de spontane onthulling van 4 april 2002, niet betwist. Bijgevolg hoefde het Gerecht niet uitdrukkelijk Deltafina’s betoog te verwerpen dat de Commissie en zijzelf het erover eens waren geworden dat haar medewerking onvermijdelijk openbaar moest worden gemaakt.
53
De onthulling van 4 april 2002 was immers niet onvermijdelijk, aangezien zij spontaan was. Gesteld al dat de Commissie had ingestemd met een eventuele onvrijwillige onthulling van de medewerking van Deltafina, dan nog rechtvaardigde die instemming de spontane onthulling van Deltafina niet en kon zij dus niet afdoen aan de vaststelling dat die onderneming haar verplichting tot medewerking niet was nagekomen. Derhalve was dit betoog niet ter zake dienend.
54
Met betrekking tot het tweede onderdeel van het betoog dat tot staving van het eerste middel is aangevoerd, te weten het argument dat het Gerecht op onrechtmatige wijze zijn motivering in de plaats heeft gesteld van die van de Commissie, blijkt uit de punten 143 tot en met 145 van het bestreden arrest dat het Gerecht een globale beoordeling heeft verricht van de verplichting tot medewerking die rust op de onderneming die verzoekt om definitieve immuniteit te genieten aan het einde van de administratieve procedure. Deze in punt 11, sub a, van de mededeling inzake medewerking van 2002 bedoelde verplichting om onafgebroken en zonder dralen volledige medewerking te verlenen omvat met name de verplichting om de Commissie volledig te informeren over alle omstandigheden die voor haar onderzoek relevant zijn.
55
Bovendien blijkt uit de punten 429, 449 en 459 van de litigieuze beschikking dat de Commissie rekening heeft gehouden met het feit dat de onderneming bepaalde verplichte inlichtingen, in het bijzonder met betrekking tot de omstandigheden van de bijeenkomst van 4 april 2002, niet heeft verstrekt.
56
Aldus heeft het Gerecht in de punten 152 tot en met 162 van het bestreden arrest enkel geantwoord op Deltafina’s betoog, zoals dit in punt 151 van dat arrest is weergegeven. Aangezien het Gerecht dus geenszins zijn motivering in de plaats heeft gesteld van die van de Commissie, moet het tweede onderdeel van het betoog van Deltafina worden afgewezen.
57
Voor zover Deltafina met haar tweede middel betoogt dat het Gerecht haar recht op een eerlijk proces heeft geschonden, omdat het ten eerste – in strijd met de artikelen 65 en 68 van zijn Reglement voor de procesvoering – ter terechtzitting de mondelinge getuigenissen van Deltafina’s advocaat en van de met het dossier belaste ambtenaar van de Commissie heeft verzameld, en zich ten tweede in punt 159 van het bestreden arrest heeft gebaseerd op één van die getuigenissen, zonder deze te hebben vergeleken met die van J., aan wie niet gevraagd is een getuigenis af te leggen, moet het volgende worden opgemerkt.
58
Allereerst staat vast dat het Gerecht R. en V. E. ter terechtzitting heeft gehoord in hun hoedanigheid van deelnemers aan de bijeenkomst van 14 maart 2002, en V. E. als deelnemer aan het telefoongesprek van 22 maart 2002. Ook staat vast dat het Gerecht de belanghebbenden heeft ondervraagd over wat volgens hen op die bijeenkomst en tijdens dat gesprek is gezegd, dat deze ondervraging niet binnen het procedurele kader van artikel 68 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht heeft plaatsgevonden en dat Deltafina hieromtrent ter terechtzitting geen enkel bezwaar heeft gemaakt.
59
Anders dan de Commissie stelt, leidt het feit dat Deltafina tijdens die terechtzitting geen bezwaar heeft gemaakt echter nog niet tot de niet-ontvankelijkheid van het tweede middel (zie in die zin arrest Corus UK/Commissie, C‑199/99 P, EU:C:2003:531, punten 32 en 35).
60
De Commissie wijst er voorts wel terecht op dat er een gangbare en legitieme praktijk bestaat waarbij het Gerecht vertegenwoordigers van partijen die kennis hebben van relevante details, ondervraagt over technische kwesties of complexe feiten.
61
Zoals de advocaat-generaal in de punten 116 en 117 van haar conclusie heeft opgemerkt, hadden de vragen die het Gerecht in casu aan R. en V. E. heeft gesteld echter met name betrekking op feiten waarover tussen partijen betwisting bestond. Bovendien zijn die onderwerpen niet technisch van aard en evenmin complex en blijkt niet dat R. en V. E. zijn ondervraagd vanwege eventuele specifieke technische kennis die zij zouden bezitten.
62
Bijgevolg moet worden vastgesteld dat Deltafina terecht aanvoert dat het Gerecht verder is gegaan dan op grond van voornoemde praktijk was toegestaan, aangezien het Gerecht Deltafina’s advocaat en de met het dossier belaste ambtenaar van de Commissie ter terechtzitting heeft ondervraagd over wat volgens hen op de bijeenkomst van 14 maart 2002 en tijdens het telefoongesprek van 22 maart 2002 is gezegd. De ondervraging door het Gerecht betrof immers feiten die in voorkomend geval moesten worden vastgesteld aan de hand van getuigenissen overeenkomstig de procedure van artikel 68 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.
63
Anders dan Deltafina betoogt, levert die procedurele onregelmatigheid evenwel geen schending van haar recht op een eerlijk proces op.
64
Zoals de Commissie terecht betoogt en anders dan Deltafina stelt, heeft het Gerecht in punt 159 van het bestreden arrest de verklaringen van de met het dossier belaste ambtenaar van de Commissie immers slechts in aanmerking genomen in het kader van een ten overvloede geformuleerde redenering en was zijn redenering in wezen gebaseerd op de schriftelijke bewijsstukken die in de punten 153 tot en met 158 van dat arrest zijn onderzocht, met name op de verslagen van de bijeenkomst van 14 maart 2002 en het telefoongesprek van 22 maart 2002.
65
Zoals de advocaat-generaal in punt 120 van haar conclusie heeft opgemerkt, mocht het Gerecht zijn conclusie baseren op die bewijsstukken alleen.
66
In het bijzonder gelet op het feit dat in die schriftelijke bewijsstukken nergens wordt vermeld dat Deltafina uitdrukkelijk heeft meegedeeld dat zij van plan was haar samenwerking met de Commissie vrijwillig te onthullen, noch dat de Commissie uitdrukkelijk met een dergelijke onthulling zou hebben ingestemd, alsook op het belang van een dergelijke uitdrukkelijke goedkeuring voor Deltafina en voor het nut van de voorgenomen verificaties, moet worden aangenomen dat het Gerecht geen vergissing heeft begaan door te oordelen dat uit deze bewijsstukken rechtens genoegzaam bleek dat niet uitdrukkelijk informatie was verstrekt of toestemming was verkregen.
67
Volgens vaste rechtspraak staat het namelijk uitsluitend ter beoordeling van het Gerecht of de gegevens waarover het beschikt betreffende de aan hem voorgelegde zaken, eventueel aanvulling behoeven. De waardering van de bewijskracht van de processtukken maakt deel uit van de soevereine beoordeling van de feiten door het Gerecht, die door het Hof in hogere voorziening niet wordt getoetst, behoudens in geval van een onjuiste voorstelling van de aan het Gerecht overgelegde bewijzen of wanneer de materiële onjuistheid van hetgeen het Gerecht heeft vastgesteld, uit de processtukken volgt (arrest Der Grüne Punkt – Duales System Deutschland/Commissie, C‑385/07 P, EU:C:2009:456, punt 163 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
68
In casu had Deltafina echter niet om een getuigenverhoor verzocht en voert zij evenmin aan dat het Gerecht het door hem in aanmerking genomen bewijs onjuist heeft opgevat, zodat het Gerecht mocht aannemen dat het niet noodzakelijk was R. en J. of V. E. als getuigen te horen.
69
Hieruit volgt dat het tweede middel ongegrond is en dat de redenering van het Gerecht in de punten 153 tot en met 160 van het bestreden arrest de rechten van de verdediging niet schendt.
70
Bijgevolg moeten het eerste en het tweede middel worden afgewezen.
Vierde middel
Argumenten van partijen
71
Deltafina verzoekt het Hof om de haar opgelegde geldboete te verlagen teneinde de schending van het gelijkheidsbeginsel te ondervangen die de Commissie heeft begaan door haar dezelfde boetevermindering toe te kennen als Dimon Italia.
72
Volgens Deltafina heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te verklaren dat dit verzoek, dat was ingediend ter terechtzitting in eerste aanleg, een nieuw middel was dat niet gebaseerd was op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling was gebleken, zodat het niet-ontvankelijk was. Deltafina’s argumenten berustten immers op het arrest van het Gerecht Nintendo en Nintendo of Europe/Commissie (T‑13/03, EU:T:2009:131), dat pas is gewezen toen de schriftelijke fase van de procedure reeds was afgesloten.
73
De Commissie bestrijdt dit betoog van Deltafina.
Beoordeling door het Hof
74
Zoals volgt uit artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht en artikel 127, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof mogen in de loop van het geding geen nieuwe middelen worden voorgedragen, tenzij deze steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken (beschikking Arbos/Commissie, C‑615/12 P, EU:C:2013:742, punt 35).
75
Voor het Gerecht heeft Deltafina evenwel geen elementen aangevoerd waaruit blijkt dat het middel in kwestie is gebaseerd op een juridisch gegeven waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken. Zoals de advocaat-generaal in punt 127 van haar conclusie heeft opgemerkt, is het door Deltafina aangevoerde beginsel van gelijke behandeling immers een algemeen beginsel van Unierecht, waarvan het Hof en het Gerecht volgens vaste rechtspraak de eerbiediging verzekeren, met name op het gebied van geldboeten wegens inbreuken op het mededingingsrecht.
76
Een arrest waarin wordt gepreciseerd welke verplichtingen krachtens het beginsel van gelijke behandeling op de Commissie rusten, zoals het door Deltafina aangevoerde arrest, kan dus niet worden beschouwd als een nieuw juridisch gegeven dat de tardieve voordracht van een nieuw middel rechtvaardigt.
77
Derhalve moet het vierde middel worden afgewezen.
Derde middel
Argumenten van partijen
78
Deltafina merkt op dat de procedure voor het Gerecht vijf jaar en acht maanden heeft geduurd en preciseert dat drieënveertig maanden zijn verstreken tussen het einde van de schriftelijke behandeling en het besluit tot opening van de mondelinge behandeling. Zij is van mening dat deze procedure buitensporig lang was en verzoekt het Hof om in de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht de haar opgelegde geldboete in te trekken of aanzienlijk te verlagen, teneinde aldus de schending te ondervangen van Deltafina’s fundamentele recht op een beslissing binnen een redelijke termijn, dat door de artikelen 41, lid 1, en 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) wordt gewaarborgd.
79
De Commissie bestrijdt Deltafina’s betoog.
Beoordeling door het Hof
80
Om te beginnen moet eraan worden herinnerd dat in geval van overschrijding van een redelijke procestermijn, als procedurele onregelmatigheid die inbreuk maakt op een grondrecht, voor de betrokken partij een effectief rechtsmiddel moet bestaan waarmee zij passende genoegdoening kan krijgen (arrest Gascogne Sack Deutschland/Commissie, C‑40/12 P, EU:C:2013:768, punt 80).
81
In zoverre Deltafina om vernietiging van het bestreden arrest verzoekt en subsidiair om verlaging van de haar opgelegde geldboete, moet worden opgemerkt dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat de niet-inachtneming van een redelijke procestermijn geen grond voor vernietiging van het bestreden arrest kan zijn indien nergens uit blijkt dat de buitensporig lange duur van de procedure de uitkomst van het geding heeft beïnvloed (arrest Gascogne Sack Deutschland/Commissie, EU:C:2013:768, punt 81 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
82
Deze rechtspraak is met name gebaseerd op de overweging dat de vernietiging van het bestreden arrest de schending van het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming door het Gerecht niet opheft wanneer er geen aanwijzingen zijn dat de te lange duur van de procedure de uitkomst van het geding heeft beïnvloed (arrest Gascogne Sack Deutschland/Commissie, EU:C:2013:768, punt 82 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
83
In de onderhavige zaak heeft Deltafina het Hof geen enkele aanwijzing verschaft waaruit blijkt dat de niet-inachtneming van een redelijke procestermijn door het Gerecht invloed heeft kunnen hebben op de uitkomst van het bij die rechterlijke instantie aanhangige geding.
84
Gelet op de noodzaak de mededingingsregels van de Unie te handhaven, kan het Hof een rekwirant bovendien niet toestaan de gegrondheid of de hoogte van een geldboete wegens de enkele niet-inachtneming van een redelijke procestermijn ter discussie te stellen, hoewel alle middelen zijn afgewezen die hij heeft aangevoerd tegen de vaststellingen van het Gerecht inzake de hoogte van deze geldboete en de gedragingen die daarmee zijn bestraft (arrest Gascogne Sack Deutschland/Commissie, EU:C:2013:768, punt 84 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
85
Anders dan Deltafina stelt, kan het derde middel dus niet tot – zelfs maar gedeeltelijke – vernietiging van het bestreden arrest leiden.
86
Voor zover Deltafina verzoekt om intrekking of verlaging van de haar opgelegde geldboete, zodat rekening wordt gehouden met de financiële gevolgen die zij door de buitensporig lange duur van de procedure bij het Gerecht heeft ondervonden, heeft het Hof geoordeeld dat een schadevordering kan worden ingesteld wanneer het Gerecht zijn uit artikel 47, tweede alinea, van het Handvest voortvloeiende verplichting om aanhangig gemaakte zaken binnen een redelijke termijn te behandelen niet is nagekomen, en dat die niet-nakoming dus moet worden bestraft in het kader van een beroep tot schadevergoeding bij het Gerecht, dat een effectief rechtsmiddel vormt (arrest Gascogne Sack Deutschland/Commissie, EU:C:2013:768, punten 87 en 89).
87
Het staat bijgevolg aan het Gerecht, dat op grond van artikel 256, lid 1, VWEU bevoegd is, om zich over dergelijke verzoeken om schadevergoeding uit te spreken, zij het in een andere formatie dan die welke kennis heeft genomen van het geschil dat heeft geleid tot de procedure waarvan de duur wordt bekritiseerd. Zulke verzoeken kunnen niet rechtstreeks aan het Hof worden voorgelegd in het kader van een hogere voorziening (arrest Gascogne Sack Deutschland/Commissie, EU:C:2013:768, punten 90 en 96).
88
Dienaangaande moet in herinnering worden geroepen dat het in het kader van een beroep tot schadevergoeding waarmee de verzoekende partij aanvoert dat het Gerecht artikel 47, tweede alinea, van het Handvest heeft geschonden, aangezien het de vereisten inzake de naleving van een redelijke procestermijn niet in acht heeft genomen, en waarbij sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel die ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen (zie met name arrest Commissie/CEVA en Pfizer, C‑198/03 P, EU:C:2005:445, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak), aan het Gerecht staat om bij zijn beoordeling van die schending rekening te houden met de specifieke omstandigheden van elke zaak, zoals de complexiteit ervan en het gedrag van partijen, het fundamentele vereiste van rechtszekerheid voor de marktdeelnemers en het doel te garanderen dat de mededinging niet wordt vervalst, zoals uit de punten 91 tot en met 95 van het arrest Gascogne Sack Deutschland/Commissie voortvloeit (EU:C:2013:768).
89
Het Gerecht moet ook beoordelen of de aangevoerde schade zich heeft voorgedaan en of er een causaal verband bestaat tussen die schade en de buitensporig lange duur van de gerechtelijke procedure. Het moet in dit verband de algemene beginselen in acht nemen die in de rechtsorden van de lidstaten gelden voor op vergelijkbare schendingen gebaseerde beroepen.
90
Aangezien in casu, zonder dat partijen dienaangaande gegevens hoeven over te leggen, duidelijk vaststaat dat het Gerecht zijn verplichting om de zaak binnen een redelijke termijn te behandelen op voldoende gekwalificeerde wijze heeft geschonden, mag het Hof dit opmerken.
91
De duur van de procedure bij het Gerecht, te weten bijna vijf jaar en acht maanden, die voornamelijk het gevolg is van het feit dat drie jaar en zeven maanden zijn verstreken tussen het einde van de schriftelijke behandeling en de terechtzitting, kan immers niet gerechtvaardigd worden door het feit dat deze zaak zonder twijfel een moeilijke zaak was, noch door het feit dat zes adressaten van de litigieuze beschikking een beroep tot nietigverklaring ervan hebben ingesteld en evenmin door het feit dat Deltafina erom had verzocht dat tijdens de schriftelijke behandeling voor het Gerecht een document zou worden overgelegd dat zich bij de Commissie bevond.
92
Uit de overwegingen die in de punten 81 tot en met 87 van dit arrest zijn geformuleerd, volgt evenwel dat het derde middel moet worden afgewezen.
93
Gelet op alle voorgaande overwegingen moet de hogere voorziening worden afgewezen.
Kosten
94
Artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof bepaalt dat het Hof over de kosten beslist wanneer de hogere voorziening ongegrond is. Ingevolge artikel 138, lid 1, van dit Reglement, dat op grond van artikel 184, lid 1, daarvan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd.
95
Aangezien Deltafina in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten.
Het Hof (Tweede kamer) verklaart:
1)
De hogere voorziening wordt afgewezen.
2)
Deltafina SpA wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy