ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
17 januari 2013 ( *1 )
„Landbouw — Voedselhulp — Verordening (EG) nr. 111/1999 — Programma om de Russische Federatie van landbouwproducten te voorzien — Voor rundvleestransport geselecteerde inschrijver — Bevoegdheidstoewijzing — Arbitragebeding”
In zaak C-623/11,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Conseil d’État (Frankrijk) bij beslissing van 18 november 2011, ingekomen bij het Hof op 5 december 2011, in de procedure
Geodis Calberson GE
tegen
Établissement national des produits de l’agriculture et de la mer (FranceAgriMer),
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: A. Tizzano, kamerpresident, A. Borg Barthet, M. Ilešič, M. Safjan (rapporteur) en M. Berger, rechters,
advocaat-generaal: N. Jääskinen,
griffier: V. Tourrès, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 26 september 2012,
gelet op de opmerkingen van:
—
Geodis Calberson GE, vertegenwoordigd door F. Thouin-Palat, F. Boucard en E. Dereviankina, avocats,
—
Établissement national des produits de l’agriculture et de la mer (FranceAgriMer), vertegenwoordigd door F. Ancel, avocat,
—
de Franse regering, vertegenwoordigd door G. de Bergues, C. Candat en S. Menez als gemachtigden,
—
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Bianchi en I. Galindo Martín als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 16 van verordening (EG) nr. 111/1999 van de Commissie van 18 januari 1999 houdende algemene uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 2802/98 van de Raad betreffende een programma om de Russische Federatie van landbouwproducten te voorzien (PB L 14, blz. 3), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1125/1999 van de Commissie van 28 mei 1999 (PB L 135, blz. 41; hierna: „verordening nr. 111/1999”).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Geodis Calberson GE en het Établissement national des produits de l’agriculture et de la mer (FranceAgriMer) over een vordering tot vergoeding van de beweerde schade van deze onderneming door de vertraging van het nationale interventiebureau bij de afhandeling van de verzoeken om betaling van de verrichte diensten en vrijgave van de leveringszekerheid die de betrokken onderneming ten gunste van dit bureau had moeten stellen.
Toepasselijke bepalingen
3
Artikel 1, lid 1, van verordening (EG) nr. 2802/98 van de Raad van 17 december 1998 betreffende een programma om de Russische Federatie van landbouwproducten te voorzien (PB L 349, blz. 12), bepaalt:
„Overeenkomstig het bepaalde in deze verordening worden landbouwproducten als vermeld in artikel 3 die beschikbaar zijn als gevolg van interventiemaatregelen of, in geval van onbeschikbaarheid van interventieproducten, op de communautaire markt worden aangekocht, kosteloos aan Rusland geleverd.”
4
Artikel 2, lid 3, van die verordening luidt:
„De kosten voor de levering, inclusief voor het vervoer tot de havens of grensovergangen zonder de lossing en, in voorkomend geval, voor de verwerking in de Gemeenschap, worden bepaald via een procedure van openbare inschrijving of, op grond van het spoedeisende karakter of moeilijkheden bij het vervoer, via een procedure van besloten inschrijving.”
5
Artikel 4, lid 1, van de betrokken verordening bepaalt:
„De Commissie wordt belast met de uitvoering van de acties overeenkomstig het bepaalde in deze verordening.
[...]”
6
Artikel 2 van verordening nr. 111/1999 bepaalt:
„1. Voor producten die ofwel uit interventievoorraden afkomstig zijn ofwel op de markt van de Gemeenschap zijn aangekocht, wordt een openbare inschrijving gehouden ter bepaling van de leveringskosten tot de in het inschrijvingsbericht aangegeven zeehavens of grensovergangen waar de begunstigde de producten overneemt.
a)
De kosten kunnen betrekking hebben op de levering van de producten, af interventieopslagplaats, op het laadperron of geladen in een vervoermiddel, tot de plaats van overname in het voorgeschreven leveringsstadium;
[...]”
7
Artikel 4, lid 1, van die verordening bepaalt:
„De offertes worden uiterlijk op het in het inschrijvingsbericht bepaalde tijdstip schriftelijk ingediend bij het interventiebureau en op het adres die daarin zijn vermeld.
[...]”
8
Artikel 6 van die verordening luidt:
„1. De betrokken interventiebureaus zenden de Commissie binnen 24 uur na afloop van de termijn voor de indiening van de offertes per fax of via schriftelijke telecommunicatie een mededeling toe waarin, onder verwijzing naar de verordening houdende opening van de betrokken openbare inschrijving, voor iedere partij de volgende gegevens zijn vermeld:
a)
naam en adres van de inschrijvers die overeenkomstig met name de artikelen 3, 4 en 5 een geldige offerte hebben ingediend;
b)
voor elke in aanmerking genomen offerte, het offertebedrag, respectievelijk de voorgestelde hoeveelheid.
Binnen de 24 uur als bedoeld in de vorige alinea zenden de betrokken interventiebureaus de Commissie voor elke partij een volledige kopie van de twee gunstigste offertes die zij ontvangen hebben, samen met een kopie van de in artikel 5, lid 1, sub h en i bedoelde zekerheid en verbintenis, alsmede een specimen van de handtekening van de personen die gemachtigd zijn deze documenten af te geven.
2. Op grond van de ingediende offertes kan voor elke partij worden besloten:
—
de levering niet toe te wijzen,
of
—
de levering toe te wijzen op grond van de offerteprijs of de voorgestelde hoeveelheid.
3. De Commissie stelt de gekozen opdrachtnemer zo spoedig mogelijk in kennis van de toewijzing van de levering en zendt daarvan een kopie aan de interventiebureaus die de betrokken offertes ontvangen hebben.
4. De interventiebureaus die offertes ontvangen hebben, delen de inschrijvers zo spoedig mogelijk, eventueel per fax of elektronische post, het resultaat van hun deelname aan de inschrijving mee.”
9
Artikel 7, lid 4, van verordening nr. 111/1999 bepaalt:
„De leveringszekerheid wordt overeenkomstig artikel 8, lid 1, van titel III van verordening (EEG) nr. 2220/85 gesteld ten gunste van het met de betaling belaste interventiebureau als bedoeld in artikel 4.
Het bewijs dat de leveringszekerheid is gesteld, wordt geleverd door middel van het origineel van het volgens het model in bijlage III opgestelde document dat is afgegeven door de financiële instelling die de zekerheid verstrekt.”
10
Artikel 8, lid 3, van verordening nr. 111/1999 luidt:
„Behoudens in geval van urgentie is, wanneer zich bij de uitvoering van de levering na de overname van de producten door de opdrachtnemers moeilijkheden voordoen, alleen de Commissie bevoegd instructies te geven om het verdere verloop van de levering te vergemakkelijken.”
11
In artikel 10, lid 1, van die verordening is bepaald:
„De aanvraag tot betaling van de levering wordt binnen twee maanden na afloop van de voor de levering in het inschrijvingsbericht vastgestelde termijn ingediend bij het in artikel 4 bedoelde interventiebureau. [...]”
12
Artikel 12, lid 2, van de betrokken verordening bepaalt:
„De leveringszekerheid wordt vrijgegeven wanneer de opdrachtnemer het bewijs levert dat de levering is uitgevoerd overeenkomstig de voorwaarden die zijn vastgesteld in deze verordening en in de verordening houdende opening van de bijzondere inschrijving.
[...]”
13
Artikel 16 van die verordening luidt:
„Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is bevoegd uitspraak te doen over ieder geschil in verband met de uitvoering of de niet-uitvoering van of de uitlegging van de voorschriften met betrekking tot de leveringen die overeenkomstig deze verordening plaatsvinden.”
14
Artikel 1 van verordening (EG) nr. 1799/1999 van de Commissie van 16 augustus 1999 inzake de levering van rundvlees aan Rusland (PB L 217, blz. 20), bepaalt:
„Er wordt een openbare inschrijving geopend voor de bepaling van de kosten van levering van het vervoer, van [...] rundvlees [...] uit interventievoorraden, [...] af te leveren [in Rusland] in het kader van een levering als bedoeld in artikel 2, lid 1, sub a, van verordening (EG) nr. 111/1999.
De levering vindt plaats overeenkomstig het bepaalde in laatstgenoemde verordening en in deze verordening.
[...]”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
15
Na afloop van de bij verordening nr. 1799/1999 geopende openbare inschrijving is Geodis Calberson GE een opdracht gegund voor het transport van rundvlees van het Franse grondgebied naar Rusland.
16
Na uitvoering van het transport heeft die onderneming het nationale interventiebureau, het Établissement national des produits de l’agriculture et de la mer (FranceAgriMer), in overeenstemming met artikel 10 van verordening nr. 111/1999 verzocht om betaling van de verrichte diensten en overeenkomstig de in artikel 12 van die verordening neergelegde voorwaarden om vrijgave van de leveringszekerheid die zij ten gunste van het nationale interventiebureau had moeten stellen.
17
Omdat zij geen volledige voldoening kreeg, heeft Geodis Calberson GE bij het Tribunal de grande instance de Paris (arrondissementsrechtbank te Parijs) een vordering ingesteld tot vergoeding van haar beweerde schade door de vertraging van het nationale interventiebureau bij de afhandeling van haar verzoeken. Nadat het Tribunal de grande instance de Paris zich onbevoegd had verklaard, heeft Geodis Calberson GE haar zaak voorgelegd aan het Tribunal administratif de Paris (bestuursrechtbank te Parijs).
18
Nadat haar vordering bij beslissing van 30 juli 2007 was afgewezen op grond dat in verordening nr. 111/1999 geen termijn was bepaald voor de betaling van de verrichte transportdienst en de vrijgave van de financiële zekerheid en het nationale interventiebureau dus geen vertraging in de uitvoering van die verrichtingen kon worden verweten, heeft de betrokken onderneming hoger beroep ingesteld bij de Cour administrative d’appel de Paris (bestuursrechter in hoger beroep te Parijs).
19
De Cour administrative d’appel de Paris heeft de bestreden beslissing deels bevestigd, waarna Geodis Calberson GE cassatieberoep bij de Conseil d’État heeft ingesteld.
20
De verwijzende rechter merkt op dat het Hof in het arrest van 11 februari 1993, Cebag/Commissie (C-142/91, Jurispr. blz. I-553), enerzijds heeft geoordeeld dat de rechten en verplichtingen van de opdrachtnemers voor kosteloze leveringen van levensmiddelen van de Europese Gemeenschappen niet uitsluitend door gemeenschapsverordeningen worden geregeld, maar voortvloeien uit overeenkomsten tussen de Commissie en die opdrachtnemers, waarin de verordening ter zake van die leveringen voorziet, en anderzijds dat de bepalingen van een verordening van de Commissie die identiek zijn aan die van artikel 16 van verordening nr. 111/1999 moeten worden aangemerkt als een arbitragebeding dat een integrerend bestanddeel van de leveringsovereenkomst vormt.
21
De verwijzende rechter wijst er ook op dat het Gerecht, in zijn arresten van 9 oktober 2002, Hans Fuchs/Commissie (T-134/01, Jurispr. blz. II-3909), en 10 februari 2004, Calberson GE/Commissie (T-215/01, T-220/01 en T-221/01, Jurispr. blz. II-587), heeft geoordeeld, ten eerste, dat blijkens de bepalingen van de verordeningen nr. 2802/98 en nr. 111/1999 een rechtsverhouding is ontstaan tussen de Commissie en de opdrachtnemer, zonder dat aan het bestaan daarvan wordt afgedaan door de omstandigheid dat de maatregelen voor de beschikbaarstelling van de leveringen deels worden uitgevoerd door de interventiebureaus van de lidstaten, in het bijzonder wat de betaling van de opdrachtnemers betreft, ten tweede, dat die verhouding, bij ontbreken van een uitdrukkelijke contractuele kwalificatie in de geldende verordeningen toch voldoet aan de criteria van een wederkerige overeenkomst en ten derde, dat artikel 16 van verordening nr. 111/1999 naar zijn aard een arbitragebeding is in de zin van artikel 272 VWEU.
22
In die omstandigheden heeft de Conseil d’État de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende prejudiciële vraag:
„[Moet] artikel 16 van verordening nr. 111/1999 [...] aldus [...] worden uitgelegd dat het aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de bevoegdheid toekent om uitspraak te doen in geschillen over de voorwaarden waaronder het interventiebureau dat is aangeduid om de inschrijvingen te ontvangen voor de gunning van de kosteloze levering van landbouwproducten aan Rusland, overgaat tot betaling aan de opdrachtnemer en tot vrijgave van de leveringszekerheid die de opdrachtnemer heeft gesteld ten behoeve van het interventiebureau, en meer in het bijzonder om uitspraak te doen in beroepen tot vergoeding van de schade die is veroorzaakt door onrechtmatige handelingen van het interventiebureau bij de uitvoering van die verrichtingen?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
23
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 16 van verordening nr. 111/1999 aldus moet worden uitgelegd dat het aan het Hof de bevoegdheid toekent om uitspraak te doen in alle geschillen over een openbare inschrijving zoals die in het hoofdgeding, in het bijzonder over beroepen tot vergoeding van de schade die voortvloeit uit onrechtmatige handelingen van het interventiebureau bij de betaling van de opdrachtnemer en de vrijgave van de door deze laatste ten behoeve van dat bureau gestelde leveringszekerheid.
24
Teneinde de prejudiciële vraag te beantwoorden moet eerst in herinnering worden gebracht dat op grond van artikel 272 VWEU het Hof van Justitie van de Europese Unie bevoegd is uitspraak te doen krachtens een arbitragebeding vervat in een door of namens de Europese Unie gesloten publiekrechtelijke of privaatrechtelijke overeenkomst.
25
Vervolgens zij opgemerkt dat op grond van de in casu geldende Unieregeling contractuele rechtsverhoudingen ontstaan tussen de Unie en een opdrachtnemer zoals verzoekster in het hoofdgeding.
26
De Commissie is immers krachtens artikel 4, lid 1, van verordening nr. 2802/98 belast met de uitvoering van de terbeschikkingstelling van landbouwproducten aan de Russische Federatie. Volgens de bepalingen van artikel 6 van verordening nr. 111/1999 beslist die instelling over de toewijzing van de levering aan een opdrachtnemer en is de rol van de interventiebureaus in dat stadium beperkt tot het ontvangen en doorsturen aan de Commissie van de geldige offertes van de inschrijvers. Voorts is volgens artikel 8, lid 3, van verordening nr. 111/1999 alleen de Commissie bevoegd instructies te geven om het verdere verloop van de levering te vergemakkelijken. Tot slot bepaalt artikel 9 van diezelfde verordening dat de controle van de levering op haar rust.
27
Uit bovengenoemde bepalingen volgt dat sprake is van een rechtsverhouding tussen de Commissie, als opdrachtgever, en de opdrachtnemer.
28
Ofschoon de kwalificatie van de betrokken rechtsverhouding niet uitdrukkelijk blijkt uit de verordeningen nr. 2802/98, nr. 111/1999 en nr. 1799/1999, worden, zoals het Gerecht terecht heeft opgemerkt (zie reeds aangehaalde arresten Hans Fuchs/Commissie, punt 53, en Calberson GE/Commissie, punt 86), de respectieve rechten en verplichtingen van de Commissie en de opdrachtnemer niet uitsluitend door die verordeningen geregeld, aangezien een wezenlijk bestanddeel van de levering, te weten de prijs, afhankelijk is van de offertes van de inschrijvers en de aanvaarding ervan door de Commissie. Bijgevolg vindt de in die verordeningen bedoelde levering plaats op basis van een overeenkomst tussen de Commissie en de opdrachtnemer (zie naar analogie arrest Cebag/Commissie, reeds aangehaald, punten 12 en 13).
29
Eveneens zij opgemerkt dat artikel 1 van verordening nr. 1799/1999 bepaalt dat de levering plaatsvindt overeenkomstig het bepaalde in verordening nr. 111/1999. Het in artikel 16 van die laatste verordening geformuleerde beding vormt dus een integrerend bestanddeel van de leveringsovereenkomst en moet worden beschouwd als een arbitragebeding in de zin van artikel 272 VWEU (zie naar analogie arrest Cebag/Commissie, reeds aangehaald, punt 14).
30
Wat de omvang van dat arbitragebeding betreft, geeft volgens vaste rechtspraak een arbitragebeding het Hof in beginsel de bevoegdheid om kennis te nemen van vorderingen uit de overeenkomst waarin het arbitragebeding voorkomt, of van vorderingen die rechtstreeks verband houden met de verbintenissen uit deze overeenkomst (zie arresten van 18 december 1986, Commissie/Zoubek, 426/85, Jurispr. blz. 4057, punt 11; 20 februari 1997, IDE/Commissie, C-114/94, Jurispr. blz. I-803, punt 82, en 3 december 1998, Commissie/Iraco, C-337/96, Jurispr. blz. I-7943, punt 49).
31
De betaling van de levering en de vrijgave van de financiële zekerheid zijn contractuele verbintenissen. Zij worden immers geformuleerd in artikel 10, respectievelijk artikel 12, lid 2, van verordening nr. 111/1999 en zijn een integrerend bestanddeel geworden van de litigieuze overeenkomst op grond van artikel 1 van verordening nr. 1799/1999, dat bepaalt dat de levering plaatsvindt „volgens het bepaalde in [...] verordening [nr. 111/1999]”. Derhalve moeten de vorderingen tot vergoeding van de schade door vertraging bij de uitvoering van die twee contractuele verbintenissen worden aangemerkt als vorderingen uit de litigieuze overeenkomst waarin het arbitragebeding voorkomt of die rechtstreeks verband houden met de verbintenissen uit deze overeenkomst.
32
Bovendien verlangen de vereisten van een goede rechtsbedeling dat ter zake van eenzelfde overeenkomst niet meerdere rechterlijke instanties bevoegd zijn, in het bijzonder naargelang de aard van de betrokken contractuele verbintenis, en dat tegenstrijdige beslissingen die daaruit kunnen voortvloeien worden vermeden (zie naar analogie arresten van 11 juli 2002, Gabriel, C-96/00, Jurispr. blz. I-6367, punten 57 en 58, en 5 februari 2004, DFDS Torline, C-18/02, Jurispr. blz. I-1417, punt 26).
33
Bijgevolg moet artikel 16 van verordening nr. 111/1999 aldus worden begrepen dat het aan het Hof de bevoegdheid toekent om kennis te nemen van de vorderingen tot vergoeding van de schade door beweerde vertragingen bij de betaling van het verrichte vervoer en de vrijgave van de financiële zekerheid.
34
Het is in dat verband van weinig belang dat het nationale interventiebureau moet tussenkomen om de contractuele verbintenissen tot betaling van de levering en vrijgave van de financiële zekerheid uit te voeren. Zijn recht op tussenkomst ligt uitsluitend besloten in de litigieuze leveringsovereenkomst die de Commissie met de opdrachtnemer verbindt. Aangezien de betrokken vorderingen in casu op die overeenkomst zijn gebaseerd, moet het Hof van Justitie van de Europese Unie bevoegd worden geacht om er kennis van te nemen, daar de vereisten van een goede rechtsbedeling zich ertegen verzetten dat meerdere rechterlijke instanties bevoegd zijn ter zake van eenzelfde overeenkomst, afhankelijk van de vraag wie de contractuele verbintenissen niet is nagekomen.
35
Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 16 van verordening nr. 111/1999 aldus moet worden uitgelegd dat het aan het Hof van Justitie de bevoegdheid toekent om uitspraak te doen in geschillen over de voorwaarden waaronder het interventiebureau dat is aangeduid om de offertes te ontvangen voor de gunning van de kosteloze levering van landbouwproducten aan de Russische Federatie, overgaat tot betaling aan de opdrachtnemer en tot vrijgave van de door de opdrachtnemer ten behoeve van het interventiebureau gestelde leveringszekerheid, en meer in het bijzonder in beroepen tot vergoeding van de schade die is veroorzaakt door onrechtmatige handelingen van het interventiebureau bij de uitvoering van die verrichtingen.
Kosten
36
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
Artikel 16 van verordening (EG) nr. 111/1999 van de Commissie van 18 januari 1999 houdende algemene uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 2802/98 van de Raad betreffende een programma om de Russische Federatie van landbouwproducten te voorzien, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1125/1999 van de Commissie van 28 mei 1999, moet aldus worden uitgelegd dat het aan het Hof van Justitie de bevoegdheid toekent om uitspraak te doen in geschillen over de voorwaarden waaronder het interventiebureau dat is aangeduid om de offertes te ontvangen voor de gunning van de kosteloze levering van landbouwproducten aan de Russische Federatie, overgaat tot betaling aan de opdrachtnemer en tot vrijgave van de door de opdrachtnemer ten behoeve van het interventiebureau gestelde leveringszekerheid, en meer in het bijzonder in beroepen tot vergoeding van de schade die is veroorzaakt door onrechtmatige handelingen van het interventiebureau bij de uitvoering van die verrichtingen.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy