14.5.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 145/3
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Administrativen sad Sofia — grad (Bulgarije) op 17 januari 2011 — Anton Vinkov/Nachalnik „Administrativno-nakazatelna deynost” v otdel „Patna politsia” na Stolichna Direktsia na vatreshnite raboti (Hoofd „Zaken betreffende bestuurlijke sancties” van de afdeling „Verkeerspolitie” van de hoofdstedelijke directie van Binnenlandse Zaken)
(Zaak C-27/11)
2011/C 145/03
Procestaal: Bulgaars
Verwijzende rechter
Administrativen sad Sofia — grad
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Anton Vinkov
Verwerende partij: Nachalnik „Administrativno-nakazatelna deynost” v otdel „Patna politsia” na Stolichna Direktsia na vatreshnite raboti (Hoofd „Zaken betreffende bestuurlijke sancties” van de afdeling „Verkeerspolitie” van de hoofdstedelijke directie van Binnenlandse Zaken)
Prejudiciële vragen
1)
Dienen toepasselijke nationale rechtsregels, zoals deze in het hoofdgeding, betreffende de rechtsgevolgen van een door een overheidsinstantie genomen beslissing over de oplegging van een geldelijke sanctie wegens een bestuursrechtelijke inbreuk op de verkeerswetgeving, aldus te worden uitgelegd dat zij verenigbaar zijn met de voorschriften van de Verdragen en de op grond van deze Verdragen vastgestelde unierechtelijke maatregelen op het gebied van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht en/of in voorkomend geval op het gebied van het vervoer?
2)
Volgt uit de voorschriften van de Verdragen en de op basis hiervan vastgestelde unierechtelijke maatregelen op het gebied van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht in samenhang met de justitiële samenwerking in strafzaken overeenkomstig artikel 82, lid 1, tweede alinea, sub a, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie alsmede op het gebied van het vervoer overeenkomstig artikel 91, lid 1, sub c, van dit Verdrag, dat bestuursrechtelijke inbreuken op de verkeerswetgeving die in de zin van en in verband met artikel 2 van het Protocol nr. 7 bij het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden als „licht” kunnen worden gekwalificeerd, binnen de werkingssfeer van het Unierecht vallen?
3)
Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord, worden volgende vragen ter beantwoording voorgelegd:
3.1.
Vormt een bestuursrechtelijke inbreuk op de verkeerswetgeving in de omstandigheden van het hoofdgeding een lichte overtreding in de zin van het Unierecht wanneer zich tegelijkertijd de volgende omstandigheden voordoen:
a)
Het strafbare feit is een verkeersongeval waardoor financieel nadeel is ontstaan, dient te worden gekwalificeerd als een feit waarvoor dat de betrokkene schuld treft en is strafbaar als bestuursrechtelijke inbreuk.
b)
Ingevolge de hoogte van de bepaalde geldelijke sanctie kan de beslissing over de oplegging ervan niet voor een rechter worden betwist, en heeft de betrokkene niet de mogelijkheid het bewijs te leveren dat hij geen schuld heeft aan het hem verweten strafbare feit.
c)
Het in de beslissing vermelde aantal controlepunten wordt automatisch afgetrokken op het tijdstip waarop de beslissing definitief wordt.
d)
In het kader van het ingestelde rijbewijzensysteem, waar bij de afgifte ervan een bepaald aantal controlepunten wordt toegewezen waarmee bij het plegen van inbreuken rekening dient te worden gehouden, wordt ook de aftrek van controlepunten op grond van niet voor beroep vatbare strafbeschikkingen als ambtshalve rechtsgevolg in aanmerking genomen.
e)
Indien bij de rechter een beroep wordt ingesteld tegen de dwangmaatregel van de intrekking van het rijbewijs wegens de ontzegging van de rijbevoegdheid, te weten het ambtshalve rechtsgevolg van de aftrek van het aanvankelijk verleende aantal controlepunten, dan volgt er geen incidentele rechterlijke toetsing van de rechtmatigheid van de niet voor beroep vatbare strafbeschikking op grond waarvan de controlepunten werden afgetrokken.
3.2.
Is het op grond van artikel 82 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, in voorkomend geval artikel 91, lid 1, sub c, van dit Verdrag, en de op grond van deze voorschriften vastgestelde maatregelen alsook op basis van het kaderbesluit 2005/214/JBZ van de Raad van 24 februari 2005 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op geldelijke sancties toegestaan, dat respectievelijk het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken en beslissingen en de maatregelen ter verbetering van de verkeersveiligheid niet worden toegepast op een beslissing over de oplegging van een geldelijke sanctie wegens een volgens het Unierecht als „licht” te kwalificeren inbreuk op de verkeerswetgeving in de omstandigheden van het hoofdgeding, daar de betrokken lidstaat heeft bepaald dat geen rekening dient te worden gehouden met de noodzakelijke voorwaarden voor een beroep bij een met name in strafzaken bevoegde rechter noch met de toepasbaarheid van de nationale regels van procesrecht inzake rechtsmiddelen met betrekking tot de tenlastelegging van een strafbaar feit?
4)
Indien de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord, worden volgende vragen ter beantwoording voorgelegd:
Is het op grond van artikel 82 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, in voorkomend geval artikel 91, lid 1, sub c, van dit Verdrag, en de op grond van deze voorschriften vastgestelde maatregelen alsook op basis van het kaderbesluit 2005/214/JBZ van de Raad van 24 februari 2005 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op geldelijke sancties toegestaan, dat respectievelijk het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken en beslissingen en de unierechtelijke maatregelen ter verbetering van de verkeersveiligheid volgens de lidstaat — doordat hij in een normatieve handeling heeft bepaald dat geen rekening dient te worden gehouden met de noodzakelijke voorwaarden voor een beroep bij een met name in strafzaken bevoegde rechter noch met de toepasbaarheid van de nationale regels van procesrecht inzake rechtsmiddelen met betrekking tot de tenlastelegging van een strafbaar feit — niet worden toegepast op een beslissing over de oplegging van een geldelijke sanctie waarbij voor de beslissing in de omstandigheden van het hoofdgeding tegelijkertijd het volgende geldt:
a)
Het strafbare feit is een verkeersongeval waardoor financieel nadeel is ontstaan, dient te worden gekwalificeerd als een feit waarvoor de betrokkene schuld treft en is strafbaar als bestuursrechtelijke inbreuk.
b)
Ingevolge de hoogte van de bepaalde geldelijke sanctie kan de beslissing over de oplegging ervan niet voor een rechter worden betwist, en heeft de betrokkene niet de mogelijkheid het bewijs te leveren dat hij geen schuld heeft aan het hem verweten strafbare feit.
c)
Het in de beslissing vermelde aantal controlepunten wordt automatisch afgetrokken op het tijdstip waarop de beslissing definitief wordt.
d)
In het kader van het ingestelde rijbewijzensysteem, waar bij de afgifte ervan een bepaald aantal controlepunten wordt toegewezen waarmee bij het plegen van inbreuken rekening dient te worden gehouden, wordt ook de aftrek van controlepunten op grond van niet voor beroep vatbare strafbeschikkingen als ambtshalve rechtsgevolg in aanmerking genomen.
e)
Indien bij de rechter een beroep wordt ingesteld tegen de dwangmaatregel van de intrekking van het rijbewijs wegens de ontzegging van de rijbevoegdheid, te weten het ambtshalve rechtsgevolg van de aftrek van het aanvankelijk verleende aantal controlepunten, dan volgt er geen incidentele rechterlijke toetsing van de rechtmatigheid van de niet voor beroep vatbare strafbeschikking op grond waarvan de controlepunten werden afgetrokken
Full & Egal Universal Law Academy