2.4.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 103/17
Hogere voorziening ingesteld op 4 februari 2011 door Fernando Marcelino Victoria Sánchez tegen de beschikking van het Gerecht (Vierde kamer) van 17 november 2010 in zaak T-61/10
(Zaak C-52/11 P)
2011/C 103/31
Procestaal: Spaans
Partijen
Rekwirant: Fernando Marcelino Victoria Sánchez (vertegenwoordiger: P. Suarez Plácido, abogado)
Andere partijen in de procedure: Europees Parlement en Europese Commissie
Conclusies
—
de beschikking van het Gerecht (Vierde kamer) van 17 november 2010 met inbegrip van de beslissing omtrent de kosten vernietigen en vaststellen dat het door F. M. Victoria Sánchez ingestelde beroep wegens nalaten ontvankelijk en niet kennelijk ongegrond is;
—
dientengevolge de zaak zelf afdoen dan wel, subsidiair, deze na vaststelling dat het beroep ontvankelijk en gegrond is, voor een nieuwe uitspraak terugverwijzen naar het Gerecht, met verwijzing van de verwerende instellingen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Rekwirant voert de volgende middelen aan:
1)
schending van artikel 44 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, aangezien het inleidend verzoekschrift het voorwerp van het geschil, een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen en ten slotte zijn conclusies bevat. Dit laatste blijkt overduidelijk waar in het verzoekschrift het Gerecht wordt verzocht, „vast te stellen dat het stilzitten van het Europees Parlement en de Commissie bij de beantwoording van het bij brieven van 6 oktober 2009 ingediende verzoek in strijd is met het gemeenschapsrecht, en de betrokken instellingen aan te manen om te reageren”;
2)
schending van de artikelen 20, lid 2, sub d, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (oud artikel 17 VEG), 24 VWEU (oud artikel 21 VEG) en 227 VWEU (oud artikel 194 VEG), juncto artikel 58 van het Statuut van het Hof van Justitie, en wel in verband met het in 2008 door hem bij het Europees Parlement ingediende verzoekschrift, waarin hij de aandacht vestigde op het risico dat een Spaans staatsburger loopt die het waagt de politieke corruptie en de belastingfraude in deze lidstaat aan de kaak te stellen. Als bijlage bij dit aan het Parlement gerichte verzoekschrift ging een overeenkomst die was ondertekend door prominente figuren uit zijn land — waaronder een advocaat naar wie het grootste advocatenkantoor van Spanje en Portugal is genoemd —, waarin werd uiteengezet hoe zij allen de Schatkist en de burgers oplichtten via fictieve, voor de Staat ondoorzichtige ondernemingen. Het verzoekschrift is niet behandeld, en geen van de Spaanse vertegenwoordigers in het Europees Parlement heeft gereageerd op de verdere steunverzoeken die hij in de vorm van tien e-mailberichten aan hen had gericht, waarin hij hun vroeg om samen te werken teneinde zijn integriteit in het licht van de ontvangen bedreigingen te garanderen;
3)
schending door de verwerende instellingen van de in artikel 6 VEU en de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verankerde grondrechten. Het stilzitten van de Europese Commissie ten aanzien van het schrijven van 6 oktober 2009 betekent een ernstige schending van artikel 6 VEU, aangezien deze instelling moet zorgen voor een democratische ruimte waarin alle Europeanen kunnen samenleven, de gelijkheid van toegang van alle burgers tot de instellingen van de Unie moet eerbiedigen en effectieve rechtsbescherming moet garanderen, tenzij belastingfraude een feitelijke aangelegenheid is waarover het Europees Hof voor de Rechten van de Mens te beslissen heeft, dat de belastingbetaler als een indirect benadeelde beschouwt. Voorts leiden de opeenvolgende beslissingen van de Spaanse rechters, waarin wordt voorbijgegaan aan de aanmaningen van zijn wettelijke vertegenwoordigers om het Europees recht na te leven — concreet de uitspraken van het Hof van Justitie in de gevoegde zaken C-570/07 en C-571/07 (1) inzake de vrijheid van vestiging met betrekking tot apotheken in Spanje — tot rechtsonzekerheid in het gemeenschapsrecht;
4)
schending van de artikelen 265 en 266 VWEU, aangezien in de procedure voor het Gerecht is verzocht, vast te stellen dat het stilzitten van het Parlement en de Commissie bij de beantwoording van het verzoek van 6 oktober 2009 in strijd is met het gemeenschapsrecht, en deze instellingen aan te manen om te reageren. Van rechtswege is het overeenkomstig artikel 266 VWEU de instelling waarvan de handeling nietig is verklaard of de nalatigheid strijdig met de Verdragen is verklaard, die gehouden is de maatregelen te nemen welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat wil zeggen in het onderhavige geval haar stilzitten moet beëindigen door op het bij schrijven van 6 oktober 2009 ingediende verzoekschrift te reageren.
(1) Arrest van 1 juni 2010, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie.
Full & Egal Universal Law Academy