27.8.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 252/12
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberlandesgericht Düsseldorf (Duitsland) op 18 februari 2011 — Der Generalbundesanwalt beim Bundesgerichtshof/Mohsen Afrasiabi, Behzad Sahabi en Heinz Ulrich Kessel
(Zaak C-72/11)
2011/C 252/23
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Oberlandesgericht Düsseldorf
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Der Generalbundesanwalt beim Bundesgerichtshof
Verwerende partijen: Mohsen Afrasiabi, Behzad Sahabi en Heinz Ulrich Kessel
Prejudiciële vragen
1)
Is voor een ter beschikking stellen van een economisch middel in de zin van artikel 7, lid 3, van verordening (EG) nr. 423/2007 (1) vereist dat het economisch middel onmiddellijk door de in de lijst opgenomen persoon/entiteit kan worden gebruikt om tegoeden of diensten te verkrijgen? Of moet artikel 7, lid 3, van verordening (EG) nr. 423/2007 aldus worden uitgelegd dat het verbod op het indirect ter beschikking stellen de levering en de montage van een operationeel, maar nog niet voor gebruik gereed economisch middel (hier: een vacuümoven) bij een derde in Iran omvat, met welk economisch middel de derde voornemens is om in een later stadium producten te vervaardigen voor een in de bijlagen IV en V van de verordening opgesomde rechtspersoon, entiteit of lichaam?
2)
Moet artikel 7, lid 4, van verordening (EG) nr. 423/2007 aldus worden uitgelegd dat van een omzeiling alleen dan sprake kan zijn, wanneer de dader zijn handelen formeel — ofschoon echter alleen voor de schijn — aan de verboden op grond van artikel 7, leden 1 tot en met 3, van verordening (EG) nr. 423/2007 aanpast, zodat zijn handelen zelfs bij de meest ruime uitlegging niet meer onder het verbod valt? Sluiten de bestanddelen van het omzeilingverbod en het verbod tot ter beschikking stellen elkaar dus onderling uit?
Indien dit bevestigend wordt beantwoord: kan een gedrag dat (nog) niet valt onder het verbod op het (indirect) ter beschikking stellen, toch een omzeiling in de zin van artikel 7, lid 4, van verordening (EG) nr. 423/2007 uitmaken?
Of is artikel 7, lid 4, van verordening (EG) nr. 423/2007 een vangnetbepaling, waaronder elke handeling kan worden ondergebracht die alles bij elkaar genomen moet resulteren in een ter beschikking stellen van een economisch middel aan een in de lijst opgenomen persoon of entiteit?
3)
Vereist het subjectieve constitutieve vereiste „bewust en opzettelijk” in artikel 7, lid 4, van verordening (EG) nr. 423/2007 allereerst positieve kennis van de gerealiseerde of beoogde omzeiling van het verbod van het ter beschikking stellen, en bovendien nog een verdergaand volitief element, minstens in die zin dat de dader de omzeiling van het verbod in elk geval op de koop toe heeft genomen? Of moet het voor de dader erom te doen zijn het verbod te omzeilen, zodat hij in dat opzicht dus opzettelijk handelt?
Of is niet vereist dat het verbod willens en wetens wordt omzeild, en volstaat het veeleer dat de dader de omzeiling van het verbod voor mogelijk houdt en dat op de koop toe neemt?
(1) Verordening (EG) nr. 423/2007 van de Raad van 19 april 2007 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran (PB L 103, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy