30.4.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 130/13
Beroep ingesteld op 21 februari 2011 — Europese Commissie/Republiek Oostenrijk
(Zaak C-75/11)
2011/C 130/23
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: V. Kreuschitz en D. Roussanov, gemachtigden)
Verwerende partij: Republiek Oostenrijk
Conclusies
—
vaststellen dat de Republiek Oostenrijk niet aan haar verplichtingen op grond van artikel 18 VWEU juncto artikelen 20 en 21 VWEU alsook artikel 24 van richtlijn 2004/38/EG (1) van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG heeft voldaan, doordat zij gereduceerde tarieven voor het openbaar vervoer in principe alleen toekent aan studenten waarvoor aanspraak op Oostenrijkse kinderbijslag bestaat.
—
de Republiek Oostenrijk verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Burgers van de Unie hebben het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij de Verdragen en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld. Wanneer burgers van de Unie van dit recht gebruik maken, dienen zij in principe precies zoals de staatsburgers van de gastlidstaat te worden behandeld.
Het verband dat is gelegd tussen het litigieuze gereduceerde vervoerstarief voor studenten en de kinderbijslag in Oostenrijk benadeelt naar zijn aard burgers van andere lidstaten meer dan Oostenrijkse staatsburgers, zodat hierdoor het beginsel van gelijke behandeling van burgers van de Unie en eigen inwoners wordt geschonden.
Anders dan de Oostenrijkse regering stelt, vormt het gereduceerde vervoerstarief geen prestatie in natura ter compensatie van gezinsbijslagen aangezien het blijkbaar een voordeel betreft waarop alleen personen die college volgen aan een hogeschool of universiteit recht hebben.
De ongelijke behandeling van studenten waarvan de ouders geen recht hebben op de Oostenrijkse kinderbijslag valt ook niet onder de uitzonderingsbepaling van artikel 24, lid 2, van richtlijn 2004/38 volgens welke een gastlidstaat in bepaalde omstandigheden de toekenning van studiesteun in de vorm van een studiebeurs of -lening aan studenten uit andere lidstaten kan weigeren.
Uitzonderingen op het beginsel van gelijke behandeling moeten strikt worden uitgelegd. Daarom kan het bij een gereduceerd vervoerstarief voor studenten niet gaan om studiesteun in de vorm van een studiebeurs of -lening. Bijgevolg is de uitsluiting van studenten waarvan de ouders geen Oostenrijkse kinderbijslag ontvangen, van het litigieuze gereduceerde vervoerstarief in strijd met het recht van de Unie.
(1) PB L 158, blz. 77.
Full & Egal Universal Law Academy