16.4.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 120/7
Beroep ingesteld op 22 februari 2011 — Raad van de Europese Unie/Europees Parlement
(Zaak C-77/11)
2011/C 120/12
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: G. Maganza en M. Vitsentzatos, gemachtigden)
Verwerende partij: Europees Parlement
Conclusies
—
nietig verklaren de handeling van de voorzitter van het Parlement van 14 december 2010 houdende constatering dat de begroting van de Unie voor het jaar 2011 definitief is vastgesteld, voor zover die handeling samenvalt met de handeling houdende vaststelling van die begroting;
—
of, voor het geval dat het zou gaan om een handeling die verschilt van de eerste handeling, nietig verklaren de handeling van de voorzitter van het Parlement van diezelfde datum die wordt geacht de begroting van de Unie voor het jaar 2011 vast te stellen en daaraan verbindende kracht te verlenen ten aanzien van de instellingen en de lidstaten;
—
subsidiair, nietig verklaren de handeling van de voorzitter van het Europees Parlement houdende constatering dat de begroting van de Europese Unie voor het jaar 2011 definitief is vastgesteld, voor zover deze constatering heeft plaatsgevonden voor de begrotingsprocedure 2010 (begroting 2011) was afgesloten;
—
oordelen dat de gevolgen van de begroting 2011 worden gehandhaafd totdat deze begroting wordt vastgesteld bij een wetgevingshandeling die in overeenstemming is met de Verdragen;
—
verwerende partij verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Met het onderhavige beroep betoogt de Raad dat, ten gevolge van de invoering van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) op 1 december 2009, de jaarlijkse begroting van de Europese Unie alsmede de gewijzigde begrotingen thans moeten worden vastgesteld bij een gemeenschappelijke wetgevingshandeling van de twee instellingen die er de auteurs van zijn, te weten het Europees Parlement en de Raad. Deze handeling dient overeenkomstig artikel 297, lid 1, tweede alinea, VWEU te worden ondertekend door de voorzitters van deze twee instellingen.
De Raad betoogt dan ook dat de handeling houdende vaststelling van de jaarlijkse begroting 2011 — ongeacht of zij samenvalt met de constatering door de voorzitter van het Europees Parlement dat de begroting definitief is vastgesteld, dan wel als een afzonderlijke handeling wordt beschouwd — onrechtmatig is voor zover zij een atypische niet-wetgevingshandeling vormt die, in strijd met artikel 314 VWEU, de artikelen 288, 289, lid 2, en 296, eerste en derde alinea, van het Verdrag, en artikel 13, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, door de voorzitter van het Europees Parlement alleen is vastgesteld en ondertekend. Subsidiair voert de Raad aan dat deze handeling onrechtmatig is wegens schending van wezenlijke vormvoorschriften en van artikel 314, lid 9, VWEU.
Ten slotte verzoekt de Raad het Hof, in voorkomend geval de gevolgen van de begroting zoals die in het Publicatieblad van de Europese Unie is bekendgemaakt, te handhaven tot op de datum waarop deze begroting overeenkomstig bovengenoemde artikelen van het Verdrag zal worden vastgesteld.
Full & Egal Universal Law Academy