21.5.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 152/12
Hogere voorziening ingesteld op 1 maart 2011 door August Storck KG tegen het arrest van het Gerecht (Eerste kamer) van 17 december 2010 in zaak T-13/09, August Storck KG/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
(Zaak C-96/11 P)
2011/C 152/21
Procestaal: Duits
Partijen
Rekwirante: August Storck KG (vertegenwoordigers: T. Reher, P. Goldenbaum, I. Rohr, T. Melchert, Rechtsanwälte)
Andere partij in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
Conclusies
—
het bestreden arrest vernietigen;
—
de in eerste aanleg geformuleerde vorderingen toewijzen en de zaak definitief afdoen of, subsidiair, de zaak naar het Gerecht terugverwijzen;
—
het BHIM verwijzen in de kosten van de procedure.
Middelen en voornaamste argumenten
Met deze hogere voorziening wordt opgekomen tegen het arrest van het Gerecht, waarbij dit heeft verworpen het beroep van rekwirante strekkende tot vernietiging van de beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM) van 12 november 2008 betreffende de afwijzing van haar aanvraag tot inschrijving van een driedimensionaal teken bestaande in de vorm van een chocolade muis.
Rekwirante voert de volgende drie middelen aan:
I. Schending van artikel 7, lid 1, sub b, van de verordening inzake het gemeenschapsmerk
1)
Het Gerecht heeft het begrip onderscheidend vermogen in verschillende opzichten onjuist uitgelegd, en aldus artikel 7, lid 1, sub b, van deze verordening onjuist toegepast en ten onrechte het aangevraagde merk onderscheidend vermogen van huis uit ontzegd.
2)
Het Gerecht heeft het aangevraagde merk ten onrechte beoordeeld tegen de achtergrond van de rechtspraak inzake merken bestaande in een vorm zonder grafische elementen of woordelementen, hoewel het aangevraagde merk een grafisch element in de vorm van een bas-reliëf bevat. Het merk had moeten worden beoordeeld overeenkomstig de voor beeldmerken geldende beginselen.
3)
Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste opvatting met betrekking tot de omstandigheid dat de vorm van een waar ook andere doelstellingen kan nastreven naast die van identificatie, bijvoorbeeld een esthetische doelstelling, zonder dat hierdoor afbreuk wordt gedaan aan het onderscheidend vermogen van huis uit van het merk bestaande in de vorm.
4)
Het Gerecht heeft „gewoonlijk niet” in de zin van „niet gewoon zijn” geïnterpreteerd, en aldus de mogelijkheid uitgesloten dat de consument in de sector van snoepgoed reeds gewend is aan vormmerken die overeenstemmen met het aangevraagde merk, en het aldus als een onderscheidend teken kan beschouwen. Aldus heeft het Gerecht de betekenis van de vorm van een waar voor de identificatie van de waren op de relevante markt van snoepgoed niet juist begrepen en is derhalve voorbijgegaan aan het criterium dat dient te worden gehanteerd voor het bewijs van onderscheidend vermogen van vormmerken in de snoepgoedsector, voor zover dergelijke vormmerken dieren en/of andere levende wezens of een combinatie van elementen van verschillende levende wezens weergeven.
5)
Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste opvatting door een contrast vast te stellen tussen „decoratieve vormgeving” enerzijds en „analytisch oogpunt” anderzijds. Het Gerecht is dus ook voorbijgegaan aan het feit dat merken moeten worden beoordeeld volgens de erdoor opgeroepen totaalindruk.
6)
De combinatie van deze onjuiste rechtsopvattingen heeft ertoe geleid dat het Gerecht het aangevraagde merk onderscheidend vermogen heeft ontzegd, terwijl bij een juiste toepassing van artikel 7, lid 1, sub b, van de verordening het merk onderscheidend vermogen zou zijn toegekend.
II. Schending van het recht om te worden gehoord
7)
Het Gerecht heeft rekwirantes recht om te worden gehoord geschonden door in het arrest grote delen van rekwirantes betoog buiten beschouwing te laten.
III. Schending van artikel 73, eerste volzin, van de verordening inzake het gemeenschapsmerk (motiveringsplicht)
8)
Het Gerecht is in het arrest uitgegaan van de stelling dat het bewijs niet was geleverd dat het voorwerp van de figuur die het merk vormt, een sterke eigen persoonlijkheid heeft, terwijl het overeenkomstig het beginsel van ambtshalve onderzoek aan het BHIM stond om door het bestaan van vergelijkbare op de markt aanwezige figuren de persoonlijkheid van de figuur te ontkrachten. Het Gerecht wilde duidelijk rekwirantes argument niet behandelen en is derhalve zijn motiveringsplicht niet nagekomen.
9)
Voor zover het Gerecht in het arrest weliswaar delen van rewirantes betoog heeft behandeld, maar deze in het arrest niet in aanmerking heeft genomen of niet omstandig heeft vermeld, is het zijn verplichting om het arrest op begrijpelijke wijze te motiveren, niet nagekomen.
Full & Egal Universal Law Academy