14.5.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 145/11
Hogere voorziening ingesteld op 1 maart 2011 door Chocoladefabriken Lindt & Sprüngli AG tegen het arrest van het Gerecht (Eerste kamer) van 17 december 2010 in zaak T-336/08, Chocoladefabriken Lindt & Sprüngli AG/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
(Zaak C-98/11 P)
2011/C 145/16
Procestaal: Duits
Partijen
Rekwirante: Chocoladefabriken Lindt & Sprüngli AG (vertegenwoordigers: G. Hild, Rechtsanwältin, R. Lange, Rechtsanwalt)
Andere partij in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
Conclusies
Het arrest van het Gerecht (Eerste kamer) van 17 december 2010 in zaak T-336/08 vernietigen en het BHIM verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
De onderhavige hogere voorziening is gericht tegen het arrest van het Gerecht houdende verwerping van rekwirantes beroep tot vernietiging van de beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM) van 11 juni 2008, waarbij haar aanvraag tot inschrijving als gemeenschapsmerk van een driedimensionaal teken in de vorm van een chocolade haas met een rood lint is afgewezen.
Rekwirante ontleent haar hogere voorziening aan schending van artikel 7, lid 1, sub b, en artikel 7, lid 3, van verordening nr. 40/94.
Met haar eerste middel in hogere voorziening stelt rekwirante, wat de toetsing van het onderscheidend vermogen betreft, dat noch de toetsing door het BHIM, noch de juridische beoordeling door het Gerecht aan de ter zake gestelde vereisten rechtens voldoen, aangezien beide hun beslissingen op vermoedens hebben gebaseerd. Het BHIM is uitgegaan van het vermoeden dat de vaststelling dat een chocolade haas een typische vorm voor het paasfeest is, voor alle lidstaten van de Unie geldt, hetgeen niet zou zijn betwist. Bedoeld gegeven stond evenwel geenszins vast, aangezien rekwirante die vaststelling heeft betwist met een omstandig betoog. Het BHIM en het Gerecht hadden dit dan ook moeten onderzoeken, teneinde de hun bij artikel 74, lid 1, van verordening nr. 40/94 opgelegde verplichting tot ambtshalve onderzoek na te komen. Voorts heeft het Gerecht geconcludeerd dat het gebruik van een goudkleurige folie voor chocolade hazen een op de betrokken markt gangbare praktijk is, ofschoon het arrest slechts melding maakt van drie andere producten die in een goudkleurige folie worden gewikkeld. Uit een dermate klein aantal waren kan niet worden afgeleid dat dit kenmerk als een op de betrokken markt „gangbare praktijk” moet worden aangemerkt.
Dat de veronderstelling van het Gerecht volgens welke het merk nergens in de Unie eigen onderscheidend vermogen bezit, onjuist is, blijkt ook uit het feit dat het betrokken teken in 15 lidstaten van de Europese Unie als merk is ingeschreven.
Met haar tweede middel in hogere voorziening voert rekwirante aan dat het Gerecht, door te concluderen dat het merk onderscheidend vermogen door gebruik moet hebben verkregen in de volledige Unie, om twee redenen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.
In de eerste plaats gaat het Gerecht eraan voorbij dat het onderscheidend vermogen door gebruik enkel daar moet worden verkregen waar het merk niets reeds initieel onderscheidend vermogen heeft. In de 15 lidstaten waar het betrokken merk uit zichzelf onderscheidend vermogen bezit, moet dan ook niet worden verlangd dat het onderscheidend vermogen heeft verkregen door gebruik in het economisch verkeer. Indien men zich evenwel op het standpunt stelt dat bij de beoordeling van het onderscheidend vermogen telkens naar de situatie in de individuele nationale lidstaten moet worden gekeken, dienen de aldaar daadwerkelijk bestaande feitelijke omstandigheden te worden nagegaan. Aangezien het onderscheidend vermogen overeenkomstig artikel 74 van verordening ambtshalve moet worden onderzocht, had het BHIM dienaangaande specifieke vaststellingen voor alle individuele lidstaten dienen te verrichten. Het BHIM en het Gerecht hebben zulks echter verzuimd.
In de tweede plaats stroken de overwegingen van het Gerecht niet met het beginsel van uniformiteit van het gemeenschapsmerk. Bij de beoordeling van de vraag of een merk voor inschrijving in aanmerking komt, alsook — specifiek in de onderhavige zaak — bij de toetsing van het onderscheidend vermogen, dient de Europese Unie als één gemeenschappelijke eenheidsmarkt te worden beschouwd. Wanneer het teken voor het merendeel van de ganse bevolking van de Europese Unie onderscheidend vermogen door gebruik in het economisch verkeer heeft verkregen, dient dit te volstaan om op de gehele Europese markt bescherming te genieten.
Full & Egal Universal Law Academy