21.5.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 152/16
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Corte Suprema di Cassazione (Italië) op 21 maart 2011 — Strafzaak tegen Demba Ngagne
(Zaak C-140/11)
2011/C 152/28
Procestaal: Italiaans
Verwijzende rechter
Corte Suprema di Cassazione
Partij in de strafzaak
Demba Ngagne
Prejudiciële vragen
1)
Moeten de artikelen 7, leden 1 en 4, 8, leden 1, 3 en 4, en 15, lid 1, van richtlijn 2008/115/EG (1) in die zin worden uitgelegd dat het de lidstaat verboden is om door een omkering van de in die artikelen vermelde prioriteiten en procedurele volgorde, de illegaal verblijvende vreemdeling te gelasten het nationale grondgebied te verlaten wanneer het niet mogelijk is om — onmiddellijk dan wel na bewaring — over te gaan tot gedwongen verwijdering?
2)
Moet dientengevolge artikel 15, leden 1, 4, 5 en 6, van richtlijn 2008/115//EG in die zin worden uitgelegd dat het de lidstaat is verboden om bij het ongerechtvaardigde gebrek aan meewerking van de vreemdeling bij de vrijwillige terugkeer, en alleen om deze reden, hem van een strafbaar handelen te beschuldigen en hem een sanctie van vrijheidsbeneming (gevangenisstraf) op te leggen die (tot tien keer) zwaarder is dan de reeds uitgeputte en objectief onmogelijke bewaring met het oog op de verwijdering?
3)
Kan artikel 2, lid 2, sub b, van richtlijn 2008/115/EG, mede gelet op artikel 8 van die richtlijn en op de in het bijzonder in artikel 79 VWEU geregelde gebieden van gemeenschappelijk beleid, in die zin worden uitgelegd dat het volstaat dat de lidstaat besluit het gebrek aan medewerking van de vreemdeling bij zijn vrijwillige terugkeer als strafbare handeling te kwalificeren om de richtlijn buiten toepassing te kunnen laten?
4)
Of moeten de artikelen 2, lid 2, sub b, en 15, leden 4, 5 en 6, van richtlijn 2008/115/EG, mede in het licht van artikel 5 EVRM, integendeel in die zin worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat een illegaal verblijvende vreemdeling jegens wie bewaring objectief niet of niet meer mogelijk is, wordt onderworpen aan een spiraal van bevelen tot vrijwillige terugkeer en van vrijheidsbeperkingen die zijn gebaseerd op veroordelingen voor het strafbare feit bestaande in het niet opvolgen van die bevelen?
5)
Kan ten slotte, mede in het licht van punt 10 van de considerans, van het oudere artikel 23 van de Schengen-uitvoeringsovereenkomst, van de aanbevelingen en de richtsnoeren die in de considerans van richtlijn 2008/115/EG in herinnering zijn gebracht, en van artikel 5 EVRM, worden aangenomen dat de artikelen 7, leden 1 en 4, 8, leden 1, 3 en 4, en 15, leden 1, 4, 5 en 6, de waarde van een regel toekennen aan de beginselen dat de vrijheidsbeperking met het oog op de terugkeer wordt geacht „extrema ratio” te zijn en dat geen enkele vrijheidsbenemende maatregel is gerechtvaardigd indien deze verband houdt met een verwijderingsprocedure waarbij er geen enkel redelijk vooruitzicht op terugkeer bestaat?
(1) PB L 348, blz. 98.
Full & Egal Universal Law Academy