23.7.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 219/7
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Okręgowy we Wrocławiu (Polen) op 9 mei 2011 — Iwona Szyrocka/Siger Technologie GmbH
(Zaak C-215/11)
2011/C 219/08
Procestaal: Pools
Verwijzende rechter
Sąd Okręgowy we Wrocławiu
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Iwona Szyrocka
Verwerende partij: Siger Technologie GmbH
Prejudiciële vragen
1)
Moet artikel 7 van verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure (1), aldus worden uitgelegd dat:
a)
daarin alle voorwaarden waaraan een verzoek om een Europees betalingsbevel moet voldoen, uitputtend worden geregeld, of
b)
daarin alleen minimumvoorwaarden voor een dergelijk verzoek worden bepaald, en dat met betrekking tot de formele voorwaarden voor het verzoek die niet in die bepaling zijn geregeld, de bepalingen van nationaal recht moeten worden toegepast?
2)
Indien vraag 1b bevestigend wordt beantwoord, dient de eiser dan, indien het verzoek niet voldoet aan de in het recht van de lidstaat vastgestelde formele voorwaarden (bijvoorbeeld, er is geen afschrift van het verzoek voor de tegenpartij bijgevoegd of de waarde van het voorwerp van het geding is niet aangegeven), te worden verzocht die gebreken aan te vullen op grond van de bepalingen van nationaal recht, overeenkomstig artikel 26 van de verordening dan wel volgens artikel 9 van de verordening?
3)
Moet artikel 4 van verordening nr. 1896/2006 aldus worden uitgelegd dat de daarin genoemde kenmerken van de geldvordering, namelijk een specifiek bedrag en de opeisbaarheid van de vordering op het tijdstip dat het verzoek om een Europees betalingsbevel wordt ingediend, alleen betrekking hebben op de hoofdsom of ook op de vordering tot betaling van vertragingsrente?
4)
Houdt een juiste uitlegging van artikel 7, lid 2, sub c, van verordening nr. 1896/2006 in dat het in de Europese betalingsbevelprocedure, indien het recht van de lidstaat niet voorziet in een automatische vermeerdering met rente, mogelijk is naast de hoofdsom te vorderen:
a)
alle rente, waaronder ook de zogenoemde open rente (die wordt berekend vanaf de dag van opeisbaarheid ervan die met een precieze datum wordt aangegeven, tot de dag van betaling waarvan de datum niet wordt bepaald, bijvoorbeeld „vanaf 20 maart 2011 tot de dag van betaling”);
b)
alleen de rente die verschuldigd is vanaf de dag van opeisbaarheid ervan die met een precieze datum wordt aangegeven, tot de dag van indiening van het verzoek of tot de dag van uitvaardiging van het betalingsbevel;
c)
uitsluitend de rente die verschuldigd is vanaf de dag van opeisbaarheid ervan die met een precieze datum wordt aangegeven, tot de dag van indiening van het verzoek?
5)
Indien het antwoord op vraag 4a bevestigend luidt, hoe dient dan volgens verordening nr. 1896/2006 de beslissing over de rente in het formulier van het betalingsbevel te worden geformuleerd?
6)
Indien het antwoord op vraag b bevestigend luidt, wie dient dan het bedrag van de rente aan te geven — de betrokken partij of het gerecht ambtshalve?
7)
Indien het antwoord op vraag 4c bevestigend luidt, is de betrokken partij dan verplicht om in het verzoek het bedrag van de berekende rente aan te geven?
8)
Indien de eiser de tot de dag van indiening van het verzoek verlangde rente niet berekent, moet het gerecht dit dan ambtshalve berekenen, dan wel dient het gerecht de betrokken partij overeenkomstig artikel 9 van verordening nr. 1896/2006 te verzoeken, het verzoek aan te vullen?
(1) PB L 399, blz. 1.
Full & Egal Universal Law Academy