9.7.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 204/17
Hogere voorziening ingesteld op 13 mei 2011 door de Europese Commissie tegen het arrest van het Gerecht (Tweede kamer) van 3 maart 2011 in de gevoegde zaken T-122/07 tot en met T-124/07, Siemens AG Österreich e.a./Commissie
(Zaak C-231/11 P)
2011/C 204/31
Procestaal: Duits
Partijen
Rekwirante: Europese Commissie (vertegenwoordigers: A. Antoniadis, R. Sauer, N. von Lingen, gemachtigden)
Andere partijen in de procedure: Siemens AG Österreich, VA Tech Transmission & Distribution GmbH & Co. KEG, Siemens Transmission & Distribution Ltd, Siemens Transmission & Distribution SA, Nuova Magrini Galileo SpA
Conclusies
De Commissie verzoekt
ten eerste, primair,
—
punt 2 van het dictum van het arrest van het Gerecht van 3 maart 2011 in de gevoegde zaken T-122/07 tot en met T-124/07 te vernietigen, voor zover dit punt berust op de vaststelling van het Gerecht in punt 157 van het bestreden arrest dat de Commissie moet bepalen welk deel van de hoofdelijk opgelegde bedragen elk van de vennootschappen dient te dragen;
—
punt 3 van het dictum van het arrest van het Gerecht van 3 maart 2011 in de gevoegde zaken T-122/07 tot en met T-124/07 te vernietigen, voor zover het Gerecht overeenkomstig de vaststellingen in punt 158 van het bestreden arrest, gelezen in samenhang met de punten 245, 247, 262 en 263 van dat arrest, de geldboeten opnieuw vaststelt, daaronder begrepen het deel van het boetebedrag dat elk van de vennootschappen dient te dragen;
ten tweede, subsidiair,
—
het arrest van het Gerecht van 3 maart 2011 in de gevoegde zaken T-122/07 tot en met T-124/07 te vernietigen, voor zover het Gerecht op basis van de vaststellingen in punt 157 van het bestreden arrest van oordeel is dat de Commissie moet bepalen welk deel van de hoofdelijk opgelegde bedragen elk van de vennootschappen dient te dragen;
—
het arrest van het Gerecht van 3 maart 2011 in de gevoegde zaken T-122/07 tot en met T-124/07 te vernietigen, voor zover het Gerecht overeenkomstig de vaststellingen in punt 158 van het bestreden arrest in de punten 245, 247, 262 en 263 van het arrest bepaalt welk deel van het boetebedrag elk van de vennootschappen dient te dragen en aldus beschikking C(2006) 6762 def. van de Commissie van 24 januari 2007 (zaak COMP/38.899 — Gasgeïsoleerd schakelmateriaal) wijzigt;
ten derde
—
de verzoeken in de zaken T-122/07, T-123/07 en T-124/07 tot nietigverklaring van artikel 2, sub j, k en l, van beschikking C(2006) 6762 def. af te wijzen;
ten vierde
—
verweersters in hogere voorziening, tevens verzoeksters in eerste aanleg, te verwijzen in de kosten van de hogere voorziening en van de procedure in eerste aanleg.
Middelen en voornaamste argumenten
1)
De aan de Commissie opgelegde verplichting om individueel vast te stellen voor welk deel elk van de hoofdelijke schuldenaars aansprakelijk is, houdt geen rekening met de grenzen van de bij artikel 23 van verordening nr. 1/2003 aan de Commissie verleende bevoegdheden en opgelegde plichten en vormt een inmenging in de nationale rechtsordes. Deze bevoegdheden en plichten hebben betrekking op de verhouding tussen de schuldenaars en de Commissie. Zij omvatten met andere woorden de oplegging van geldboeten en eventueel de vaststelling van de hoofdelijke aansprakelijkheid van de adressaten van de beschikking. De — uit de vaststelling van de hoofdelijke aansprakelijkheid voortvloeiende — onderlinge verhouding tussen de hoofdelijke schuldenaars, daaronder begrepen mogelijke regresvorderingen onder hoofdelijke schuldenaars, wordt in beginsel beheerst door het recht van de lidstaten.
2)
Het Gerecht heeft de grenzen van zijn volledige rechtsmacht overschreden door in de onderlinge verhouding een bindende verdeelsleutel voor de aansprakelijkheid vast te stellen, voor het geval dat voor de nationale rechtbanken vorderingen tot schadevergoeding zouden worden ingediend.
3)
De volgens het Gerecht op de Commissie rustende verplichting om de rechtsgevolgen van de hoofdelijke schuld uitputtend te regelen kan niet worden gebaseerd op het dienaangaande door het Gerecht aangehaalde beginsel van het persoonlijke karakter van straffen en sancties. Deze verplichting is overigens in strijd met het beginsel van de aansprakelijkheid van ondernemingen voor inbreuken op de artikelen 101 en 102 VWEU.
4)
Het Gerecht heeft ultra petita geoordeeld en het beginsel van hoor en wederhoor geschonden door binnen de onderlinge verhouding de respectieve aansprakelijkheden vast te leggen en impliciet de beschikking te wijzigen, wat niet is gevorderd en evenmin toereikend is behandeld.
5)
Voorts is het Gerecht zijn motiveringsplicht niet nagekomen, aangezien uit het arrest niet voldoende duidelijk blijkt welke gronden dit arrest schragen en het Gerecht niet is ingegaan op de argumenten die de Commissie met betrekking tot de hoofdelijke schuld heeft aangevoerd.
6)
Ten slotte doet het arrest afbreuk aan de beoordelingsbevoegdheid van de Commissie om de aansprakelijke partijen vast te stellen.
Full & Egal Universal Law Academy