30.7.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 226/13
Hogere voorziening ingesteld op 3 maart 2011 door Siemens AG tegen het arrest van het Gerecht (Tweede kamer) van 19 mei 2011 in zaak T-110/07, Siemens AG/Europese Commissie
(Zaak C-239/11 P)
2011/C 226/26
Procestaal: Duits
Partijen
Rekwirante: Siemens AG (vertegenwoordigers: I. Brinker, C. Steinle, M. Hörster, Rechtsanwälte)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
Rekwirante verzoekt
1)
het arrest van het Gerecht (Tweede kamer) van 3 maart 2011 (zaak T-110/07) te vernietigen, voor zover het bezwarend is voor rekwirante;
2)
de beschikking van de Commissie van 24 januari 2007 (COMP/F/38.899 — Gasgeïsoleerd schakelmateriaal) gedeeltelijk nietig te verklaren, voor zover deze betrekking heeft op rekwirante,
subsidiair, de bij deze beschikking aan rekwirante opgelegde geldboete in te trekken of te verlagen;
3)
meer subsidiair, de zaak naar het Gerecht te verwijzen voor afdoening overeenkomstig het arrest van het Hof van Justitie;
4)
de Commissie hoe dan ook te verwijzen in de kosten van de procedures voor het Gerecht en het Hof.
Middelen en voornaamste argumenten
De onderhavige hogere voorziening is gericht tegen het arrest van het Gerecht waarbij het beroep van rekwirante tegen beschikking C(2006) 6762 def. van de Commissie van 24 januari 2007 in een procedure op grond van artikel 81 [EG] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak COMP/38.899 — Gasgeïsoleerd schakelmateriaal) is verworpen.
Rekwirante voert zeven middelen aan.
Ten eerste heeft het Gerecht het fundamentele recht op een eerlijk proces (artikel 6 EVRM, gelezen in samenhang met artikel 6, lid 3, VEU en artikel 47, lid 2, van het Handvest van de grondrechten) en de rechten van de verdediging (artikel 48, lid 2, van het Handvest van de grondrechten) geschonden, voor zover het zijn vaststelling dat rekwirante in de periode van 22 april tot en met 1 september 1999 aan de mededingingsregeling heeft deelgenomen voornamelijk op een getuigenverklaring heeft gebaseerd, zonder rekwirante de mogelijkheid te geven de betrokken getuige te verhoren.
Ten tweede heeft het Gerecht bij de vaststelling dat rekwirante in de periode van 22 april tot en met 1 september 1999 aan de mededingingsregeling heeft deelgenomen, het bewijsmateriaal verkeerd opgevat en de toepasselijke ervaringsregels niet in acht genomen. Daardoor heeft het Gerecht ten onrechte vastgesteld dat rekwirante in de periode van 22 april tot en met 1 september 1999 aan de mededingingsregeling heeft deelgenomen, en de duur van de inbreuk onjuist ingeschat.
Ten derde heeft het Gerecht ten onrechte vastgesteld dat het recht van vervolging voor de periode tot en met 22 april 1999 niet verjaard was, en is het ten onrechte van het bestaan van één enkele voortgezette inbreuk uitgegaan.
Ten vierde heeft het Gerecht het beginsel van gelijke behandeling geschonden, voor zover het heeft aanvaard dat de Commissie ter bepaling van het relatieve gewicht van de bij de inbreuk betrokken ondernemingen verschillende referentiejaren heeft gehanteerd en daardoor rekwirante niet in de juiste categorie van punt 1 A van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten heeft ingedeeld.
Ten vijfde heeft het Gerecht de verhoging van het uitgangsbedrag van de geldboete, die moet verzekeren dat hiervan voldoende afschrikkende werking uitgaat, niet overeenkomstig het verschil in grootte tussen rekwirante en ABB verlaagd en aldus het beginsel van gelijke behandeling geschonden.
Ten zesde heeft het Gerecht artikel 6 EVRM en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie geschonden door niet zijn volledige rechtsmacht ter zake van boetebeschikkingen van de Commissie uit te oefenen.
Ten zevende heeft het Gerecht de omvang van de uit artikel 296 VWEU (voorheen artikel 253 EG) voortvloeiende motiveringsplicht onjuist ingeschat, door onvoldoende strenge motiveringseisen aan de berekening van de afschrikkingsfactor te stellen.
Full & Egal Universal Law Academy