16.7.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 211/18
Hogere voorziening ingesteld op 19 mei 2011 door World Wide Tobacco España, SA tegen het arrest van het Gerecht (Vierde kamer) van 8 maart 2011 in zaak T-37/05, World Wide Tobacco España/Commissie
(Zaak C-240/11 P)
2011/C 211/35
Procestaal: Spaans
Partijen
Rekwirante: World Wide Tobacco España, SA (vertegenwoordigers: M. Odriozola en A. Vide, advocaten)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
—
gedeeltelijke vernietiging van het arrest van het Gerecht in zaak T-37/05;
—
verlaging van de aan rekwirante opgelegde geldboete, en
—
verwijzing van de Commissie in de kosten van beide instanties.
Middelen en voornaamste argumenten
Ten eerste is rekwirante van mening dat de Commissie het beginsel van gelijke behandeling heeft geschonden, door op WWTE (World Wide Tobacco España, SA) een strengere afschrikkingsfactor toe te passen dan op andere verwerkende ondernemingen. De Commissie heeft een afschrikkingsfactor toegepast op WWTE omdat zij behoort tot een economisch en financieel zeer sterke multinational. Dat WWTE zou hebben gehandeld — quod non — onder de beslissende invloed van haar moedermaatschappijen, is zuiver als een bijkomende factor beschouwd.
Ten tweede stelt rekwirante subsidiair dat het Hof de vermenigvuldigingsfactor moet herberekenen, voor zover het van oordeel zou zijn dat een van de moedermaatschappijen niet verantwoordelijk is voor het gedrag van WWTE. Het Gerecht had de argumenten van WWTE niet niet-ontvankelijk mogen verklaren op grond dat zij in haar verzoek de argumenten van haar moedermaatschappijen niet had vermeld, aangezien het aan de moedermaatschappijen — en niet aan de dochteronderneming — staat, de aantijging te ontkrachten dat hen verantwoordelijkheid treft. Hoe dan ook hebben de in de beroepen van de moedermaatschappijen gewezen en nog te wijzen arresten, met inbegrip van het arrest in zaak T-24/05, kracht van gewijsde tussen hoofdelijk aansprakelijke partijen.
Ten derde had het Gerecht rekwirantes argument dat de Commissie een boete had opgelegd waarbij de grens van 10 % van de omzet niet in acht werd genomen omdat de moedermaatschappijen niet verantwoordelijk waren, niet wegens onduidelijkheid niet-ontvankelijk mogen verklaren. De redenen hiervoor zijn dezelfde als die in de vorige alinea: alleen de moedermaatschappijen kunnen zich verdedigen tegen de aantijging dat hen verantwoordelijkheid treft en het gewezen arrest heeft kracht van gewijsde tussen hoofdelijk aansprakelijke partijen.
Ten slotte schendt de Commissie de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten door er geen rekening mee te houden dat WWTE in 1996 en 1997 geen uitvoering aan de overeenkomsten heeft gegeven. Evenzo is rekwirante van mening dat de Commissie niet kan beweren dat zij er rekening mee heeft gehouden, aangezien zij deze verzachtende omstandigheid niet uitdrukkelijk in de bestreden beschikking heeft vermeld.
Full & Egal Universal Law Academy