23.7.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 219/11
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgerichtshof (Duitsland) op 25 mei 2011 — Murat Dereci, Vishaka Heiml, Alban Kokollari, Izunna Emmanuel Maduike en Dragica Stevic/Bundesminister für Inneres
(Zaak C-256/11)
2011/C 219/15
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Verwaltungsgerichtshof
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Murat Dereci, Vishaka Heiml, Alban Kokollari, Izunna Emmanuel Maduike en Dragica Stevic
Verwerende partij: Bundesminister für Inneres
Prejudiciële vragen
1)
a)
Dient artikel 20 VWEU aldus te worden uitgelegd, dat het zich ertegen verzet dat een lidstaat aan een staatsburger van een derde staat, wiens echtgenote en minderjarige kinderen burgers van de Unie zijn, het recht van verblijf ontzegt in de lidstaat waar zijn echtgenote en kinderen verblijven en waarvan zij de nationaliteit bezitten, zelfs indien deze burgers van de Unie voor hun levensonderhoud niet zijn aangewezen op de staatsburger van een derde staat? (opmerking: verzoeker Dereci)
b)
Dient artikel 20 VWEU aldus te worden uitgelegd, dat het zich ertegen verzet dat een lidstaat aan een staatsburger van een derde staat, wiens echtgenote burger van de Unie is, het recht van verblijf ontzegt in de lidstaat waar zijn echtgenote verblijft en waarvan zij de nationaliteit bezit, zelfs indien de burger van de Unie voor haar levensonderhoud niet is aangewezen op de staatsburger van een derde staat? (opmerking: verzoekers Heiml en Maduike)
c)
Dient artikel 20 VWEU aldus te worden uitgelegd, dat het zich ertegen verzet dat een lidstaat aan een meerderjarige staatsburger van een derde staat, wiens moeder burger van de Unie is, het recht van verblijf ontzegt in de lidstaat waar zijn moeder verblijft en waarvan zij de nationaliteit bezit, zelfs indien de burger van de Unie voor haar levensonderhoud niet is aangewezen op de staatsburger van een derde staat maar de staatsburger van een derde staat voor zijn levensonderhoud is aangewezen op de burger van de Unie? (opmerking: verzoeker Kokollari)
d)
Dient artikel 20 VWEU aldus te worden uitgelegd, dat het zich ertegen verzet dat een lidstaat aan een meerderjarige staatsburger van een derde staat, wiens vader burger van de Unie is, het recht van verblijf ontzegt in de lidstaat waar zijn vader verblijft en waarvan hij de nationaliteit bezit, zelfs indien de burger van de Unie voor zijn levensonderhoud niet is aangewezen op de staatsburger van een derde staat maar de staatsburger van een derde staat ten laste is van de burger van de Unie? (opmerking: verzoekster Stevic)
2)
Indien een van de vragen van punt 1 bevestigend wordt beantwoord:
Gaat het bij de op artikel 20 VWEU gebaseerde verplichting van de lidstaten tot toekenning van het recht van verblijf aan staatsburgers van derde staten, om een rechtstreeks uit het Unierecht voortvloeiend recht van verblijf of volstaat het dat de lidstaat op rechtscheppende wijze het recht van verblijf toekent?
3)
a)
Indien volgens het antwoord op vraag 2 een recht van verblijf krachtens het Unierecht bestaat:
Onder welke voorwaarden bestaat het uit het Unierecht voortkomende recht van verblijf uitzonderlijk niet, respectievelijk onder welke voorwaarden mag een staatsburger van een derde staat het recht van verblijf worden ontzegd?
b)
Indien het volgens het antwoord op vraag 2 volstaat, dat het recht van verblijf op rechtscheppende wijze aan de staatsburger van een derde staat wordt toegekend:
Onder welke voorwaarden mag de staatsburger van een derde staat het recht van verblijf worden ontzegd, ondanks een fundamenteel bestaande verplichting van de lidstaat hem het verkrijgen van het recht van verblijf mogelijk te maken?
4)
Indien artikel 20 VWEU zich niet ertegen verzet de staatsburger van een derde staat het recht van verblijf in een lidstaat te ontzeggen, in de situatie waarin Dereci zich bevindt:
Verzet artikel 13 van het besluit nr. 1/80 van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie, genomen door de Associatieraad die is ingesteld bij de overeenkomst waarbij een associatie tot stand is gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije of artikel 41 (1) van het op 23 november 1970 te Brussel ondertekende en met verordening (EEG) nr. 2760/72 van de Raad van 19 december 1972 namens de Gemeenschap gesloten, goedgekeurd en bevestigd aanvullend protocol, dat volgens zijn artikel 62 onderdeel is van de overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, zich in een geval zoals dit van Dereci ertegen, dat op Turkse staatsburgers die voor het eerst zijn binnengekomen strengere nationale regels worden toegepast dan de nationale regels die tevoren reeds golden voor Turkse staatsburgers die voor het eerst waren binnengekomen, hoewel nationale wettelijke bepalingen die de eerste binnenkomst hadden verlicht, pas van kracht zijn geworden nadat de betrokken bepalingen betreffende de Associatie met Turkije in werking zijn getreden?
(1) PB 1972, L 293, blz. 4.
Full & Egal Universal Law Academy