10.9.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 269/23
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Hamburgische Oberverwaltungsgericht (Duitsland) op 31 mei 2011 — Atilla Gülbahce/Freie und Hansestadt Hamburg
(Zaak C-268/11)
2011/C 269/43
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Hamburgisches Oberverwaltungsgericht
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Atilla Gülbahce
Verwerende partij: Freie und Hansestadt Hamburg
Prejudiciële vragen
1)
Dient artikel 10, lid 1, van besluit nr. 1/80 (1) aldus te worden uitgelegd dat
a)
een Turkse werknemer aan wie volgens de regels een vergunning is afgegeven om voor zekere (in voorkomend geval onbepaalde) tijd, die de duur van de verblijfsvergunning overtreft, op het grondgebied van een lidstaat arbeid te verrichten (zogenoemde voor langere tijd verleende arbeidsvergunning), gedurende deze gehele tijd zijn rechten op grond van deze vergunning kan uitoefenen, voor zover redenen van bescherming van een wettig overheidsbelang, te weten redenen van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid, hieraan niet in de weg staan,
b)
en het een lidstaat verboden is om aan deze vergunning onder verwijzing naar op het tijdstip van afgifte daarvan geldende nationale bepalingen volgens welke de arbeidsvergunning afhankelijk is van de verblijfsvergunning, a priori elk gevolg voor zijn verblijfsrechtelijke status te ontzeggen (in navolging van de arresten van het Hof van 2 maart 1999, El-Yassini, C-416/96, Jurispr. blz. I-1209, samenvatting 3, punten 62-65, inzake de draagwijdte van artikel 40, eerste alinea, van de Overeenkomst EEG-Marokko, en 14 december 2006, Gattoussi, C-97/05, Jurispr. blz. I-11917, samenvatting 2, punten 36-43, inzake de draagwijdte van artikel 64, lid 1, van de Euro-mediterrane associatieovereenkomst EG-Tunesië)?
Voor het geval dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord:
2)
Dient artikel 13 van besluit nr. 1/80 aldus te worden uitgelegd dat het een lidstaat op grond van de standstillbepaling eveneens is verboden om een tot de legale arbeidsmarkt behorende Turkse werknemer door middel van een regeling van normatieve aard (in casu de wet van 30 juli 2004 betreffende het verblijf, de deelneming aan het arbeidsproces en de integratie van vreemdelingen in het bondsgebied) de mogelijkheid te ontnemen om zich te beroepen op schending van het in artikel 10, lid 1, van besluit nr. 1/80 neergelegde non-discriminatiebeginsel met het oog op de hem tevoren verstrekte arbeidsvergunning met langere duur dan die van de verblijfsvergunning?
Voor het geval dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord:
3)
Dient artikel 10, lid 1, van besluit nr. 1/80 aldus te worden uitgelegd dat het de nationale autoriteiten op grond van het daarin neergelegde non-discriminatiebeginsel in elk geval niet verboden is om verblijfsvergunningen voor bepaalde tijd die naar nationaal recht voor zekere tijd ten onrechte aan een Turkse werknemer zijn afgegeven, na het verstrijken van de geldigheidsduur daarvan overeenkomstig de nationale bepalingen in te trekken voor die perioden waarin de Turkse werknemer feitelijk gebruik heeft gemaakt van de hem tevoren volgens de regels verstrekte arbeidsvergunning voor onbepaalde tijd en heeft gewerkt?
4)
Dient artikel 10, lid 1, van besluit nr. 1/80 voorts aldus te worden uitgelegd dat deze bepaling uitsluitend van toepassing is op die arbeid die een Turkse werknemer die in het bezit is van een hem door de nationale autoriteiten volgens de regels verstrekte, inhoudelijk niet beperkte arbeidsvergunning voor onbepaalde tijd, verricht op het tijdstip waarop zijn voor een ander doel verstrekte verblijfsvergunning voor bepaalde tijd afloopt, en een Turkse werknemer in die situatie derhalve niet kan verlangen dat de nationale autoriteiten ook nadat hij deze arbeid definitief heeft gestaakt, zijn voortgezet verblijf toestaan voor nieuwe arbeid, in voorkomend geval na een onderbreking in de tijd die noodzakelijk is voor het vinden van werk?
5)
Dient artikel 10, lid 1, van besluit nr. 1/80 voorts aldus te worden uitgelegd dat het de nationale autoriteiten van de ontvangende lidstaat op grond van het non-discriminatiebeginsel (enkel) verboden is om jegens een tot de legale arbeidsmarkt behorende Turkse onderdaan aan wie hij oorspronkelijk met betrekking tot het verrichten van arbeid ruimere rechten heeft toegekend dan met betrekking tot diens verblijf, na het aflopen van de laatstelijk toegekende verblijfsvergunning maatregelen tot beëindiging van het verblijf te treffen, voor zover deze maatregelen niet strekken tot bescherming van een wettig overheidsbelang, maar zij op grond daarvan niet verplicht zijn om een verblijfsvergunning af te geven?
(1) Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie EEG-Turkije.
Full & Egal Universal Law Academy