27.8.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 252/20
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Consiglio di Stato (Italië) op 17 juni 2011 — Rosanna Valenza/Autorità Garante della Concorrenza e del Mercato
(Zaak C-302/11)
2011/C 252/39
Procestaal: Italiaans
Verwijzende rechter
Consiglio di Stato
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Rosanna Valenza
Verwerende partij: Autorità Garante della Concorrenza e del Mercato
Prejudiciële vragen
a)
Staat clausule 4, lid 4, van de bijlage bij richtlijn 1999/70/EG (1), volgens welke „vaststelling van de anciënniteit met betrekking tot bepaalde arbeidsvoorwaarden voor werknemers met arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd aan de hand van dezelfde criteria als voor werknemers in vaste dienst geschiedt, behalve wanneer verschillende periodes van anciënniteit op basis van objectieve gronden gerechtvaardigd zijn”, juncto clausule 5 in de uitlegging die daarvan is gegeven door het Hof van Justitie van de EG, volgens hetwelk de Italiaanse regeling die in overheidsdienst de omzetting van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd verbiedt, rechtmatig is, in de weg aan een nationale regeling betreffende de consolidering van de dienstbetrekking van werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (artikel 1, lid 519, van wet nr. 296/2006) volgens welke werknemers die reeds op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zijn aangesteld, rechtstreeks in vaste dienst kunnen worden aangesteld in afwijking van de regel dat zij voor een openbaar algemeen vergelijkend onderzoek moeten zijn geslaagd, maar de anciënniteit die zij tijdens hun dienstbetrekking voor bepaalde tijd hebben verworven, op nul wordt gesteld, of valt het verlies van de anciënniteit waarin de nationale wetgever heeft voorzien, onder de uitzondering om „objectieve gronden” gezien tegen de achtergrond van het vereiste te voorkomen dat werknemers met een tijdelijke dienstbetrekking in vaste dienst worden aangesteld ten nadele van de werknemers die reeds in vaste dienst zijn, hetgeen het geval zou zijn indien de werknemers met een tijdelijke dienstbetrekking hun voorheen verworven anciënniteit zouden kunnen behouden?
b)
Staat clausule 4, lid 4, van de bijlage bij richtlijn 1999/70/EG, volgens welke „vaststelling van de anciënniteit met betrekking tot bepaalde arbeidsvoorwaarden voor werknemers met arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd aan de hand van dezelfde criteria als voor werknemers in vaste dienst geschiedt, behalve wanneer verschillende periodes van anciënniteit op basis van objectieve gronden gerechtvaardigd zijn”, juncto clausule 5 in de uitlegging die daarvan is gegeven door het Hof van Justitie van de EG, volgens hetwelk de Italiaanse regeling die in overheidsdienst de omzetting van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd verbiedt, rechtmatig is, in de weg aan een nationale regeling die, onverminderd het verkrijgen van anciënniteit tijdens de duur van de dienstbetrekking voor bepaalde tijd, bepaalt dat de overeenkomst voor bepaalde tijd wordt beëindigd en dat een overeenkomst voor onbepaalde tijd wordt gesloten die verschilt van de eerste overeenkomst en waarbij de betrokkene zijn voorheen verworven anciënniteit niet behoudt (artikel 1, lid 519, van wet nr. 296/2006)?
(1) PB L 175, blz. 43.
Full & Egal Universal Law Academy