10.9.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 269/27
Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Rechtbank Breda (Nederland) op 27 juni 2011 — A.T.G.M. van de Ven & M.A.H.T. van de Ven-Janssen tegen Koninklijke Luchtvaart Maatschappij NV
(Zaak C-315/11)
2011/C 269/51
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Rechtbank Breda
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekers:
A.T.G.M. van de Ven
M.A.H.T. van de Ven-Janssen
Verweerster: Koninklijke Luchtvaart Maatschappij NV
Prejudiciële vragen
1)
Is een recht op compensatie als beschreven in artikel 7 van verordening nr. 261/2004 (1) in geval van vertraging verenigbaar met de slotzin van artikel 29 van het Verdrag van Montreal (2), gegeven het feit dat, volgens de eerste volzin van artikel 29 van het Verdrag van Montreal, vorderingen tot schadevergoeding op grond van overeenkomst, onrechtmatige daad of anderszins slechts kunnen worden ingesteld onder de voorwaarden en binnen de aansprakelijkheidsgrenzen die zijn opgenomen in het Verdrag van Montreal?
2)
Indien een recht op compensatie als beschreven in artikel 7 van verordening nr. 261/2004 in geval van vertraging niet verenigbaar is met artikel 29 van het Verdrag van Montreal, worden er dan enige beperkingen gesteld ten aanzien van het moment van inwerkingtreding van de beslissing van het Hof van Justitie voor wat betreft de onderhavige zaak én/of in het algemeen?
(1) Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (PB L 46, blz. 1).
(2) Zie besluit 2001/539/EG van de Raad van 5 april 2001 inzake de sluiting door de Europese Gemeenschap van het Verdrag tot het brengen van eenheid in bepalingen inzake het internationale luchtvervoer (Verdrag van Montreal) (PB L 194, blz. 38).
Full & Egal Universal Law Academy