27.8.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 252/26
Beroep ingesteld op 5 juli 2011 — Europese Commissie/Republiek Oostenrijk
(Zaak C-352/11)
2011/C 252/48
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: G. Wilms en A. Alcover San Pedro, gemachtigden)
Verwerende partij: Republiek Oostenrijk
Conclusies
—
vaststellen dat de Republiek Oostenrijk de krachtens artikel 5, lid 1, van richtlijn 2008/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (IPPC-richtlijn) op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, omdat zij heeft nagelaten om vergunningen overeenkomstig de artikelen 6 en 8 te verlenen, bestaande vergunningen te controleren en indien nodig bestaande vergunningen te vernieuwen en naleving ervan te verzekeren, zodat alle bestaande installaties in overeenstemming met de eisen van de artikelen 3, 7, 9, 10 en 13, 14, sub a en b, en 15, lid 2, van de IPPC-richtlijn worden geëxploiteerd.
—
de Republiek Oostenrijk verwijzen in de kosten van de procedure.
Middelen en voornaamste argumenten
Overeenkomstig de bepalingen van de IPPC-richtlijn (1) moeten „bestaande installaties” in de zin van deze richtlijn vanaf 30 oktober 2007 een vergunning hebben.
Volgens de informatie waarover de Commissie beschikt, hebben niet alle „bestaande installaties” in de Republiek Oostenrijk op het beslissende tijdstip de vereiste vergunning.
(1) Richtlijn 2008/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (PB L 24, blz. 8).
Full & Egal Universal Law Academy