1.10.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 290/2
Beroep ingesteld op 12 juli 2011 — Europese Commissie/Koninkrijk België
(Zaak C-370/11)
2011/C 290/02
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordiger: W. Mölls, gemachtigde)
Verwerende partij: Koninkrijk België
Conclusie
De Europese Commissie verzoekt het Hof
—
vast te stellen dat het Koninkrijk België de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens de artikelen 36 en 40 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, door regels te handhaven die stellen dat de meerwaarde die wordt gerealiseerd bij de wederinkoop van aandelen van instellingen voor collectieve belegging die niet overeenkomstig richtlijn 85/611/EEG (1) zijn toegelaten, niet wordt belast wanneer deze instellingen in België zijn gevestigd, terwijl de meerwaarde die wordt gerealiseerd op de wederinkoop van aandelen van dergelijke instellingen die in Noorwegen of IJsland zijn gevestigd, belastbaar is.
—
het Koninkrijk België te verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
De Commissie maakt bezwaar tegen de betrokken nationale bepalingen, voor zover zij als gevolg hebben dat Belgische ingezetenen worden ontmoedigd om te beleggen in instellingen voor collectieve belegging die in Noorwegen of IJsland zijn gevestigd, omdat op de meerwaarde die wordt gerealiseerd bij de wederinkoop van aandelen van die instellingen, niet de fiscale vrijstelling wordt toegepast die wel van toepassing is op de meerwaarde die wordt gerealiseerd op de wederinkoop van aandelen van een in België gevestigde instelling voor collectieve belegging.
De Commissie stelt dat het vrije kapitaalverkeer dat wordt gewaarborgd door artikel 40 van de EER-Overeenkomst wordt beperkt door dit verschil in behandeling. Het belemmert eveneens het vrij verrichten van diensten, wat een schending van artikel 36 van de EER-Overeenkomst vormt.
Als antwoord op de door de Belgische autoriteiten gemaakte bezwaren, merkt de Commissie in de eerste plaats op dat het onderscheid dat in de Belgische wetgeving binnen de categorie van in de Europese Unie gevestigde instellingen voor collectieve belegging wordt gemaakt naargelang zij al dan niet overeenkomstig richtlijn 85/611/EEG toegelaten zijn, niet het voorwerp van het onderhavige beroep uitmaakt. In de tweede en de derde plaats verzet de Commissie zich tegen het betoog dat de bovenbedoelde maatregelen erdoor gerechtvaardigd worden dat zij nodig zijn opdat de fiscale controles doelmatig zijn of dat er geen mechanismen voor de uitwisseling van inlichtingen bestaan. In deze context stelt de Commissie vast dat België, Noorwegen en IJsland het Verdrag inzake administratieve bijstand op fiscaal gebied, dat is opgesteld onder de auspiciën van de OESO en de Raad van Europa, hebben geratificeerd en dat de verdragen inzake dubbele belastingheffing die zijn gesloten tussen België en respectievelijk Noorwegen en IJsland, mechanismen bevatten inzake de uitwisseling van inlichtingen tussen deze landen.
(1) Richtlijn 85/611/EEG van de Raad van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s), PB L 375, blz. 3.
Full & Egal Universal Law Academy