8.10.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 298/14
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Komisia za zashtita ot diskriminatsia op 25 juli 2011 — Valeri Hariev Belov/„ChEZ Elektro Balgaria” АD, „ChEZ Raspredelenie Balgaria” АD en Darzhavna Komisia po energiyno i vodno regulirane
(Zaak C-394/11)
2011/C 298/27
Procestaal: Bulgaars
Verwijzende rechter
Komisia za zashtita ot diskriminatsia (Commissie voor bescherming tegen discriminatie)
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Valeri Hariev Belov
Verwerende partijen:„ChEZ Elektro Balgaria” АD, „ChEZ Raspredelenie Balgaria” АD en Darzhavna Komisia po energiyno i vodno regulirane (Regelgevende commissie voor energie en water)
Prejudiciële vragen
Vraag 1: Valt het te behandelen geval binnen de werkingssfeer van richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming (1) (in casu gelet op artikel 3, lid 1, sub h)?
Vraag 2: Wat dient te worden begrepen onder „ongunstigere behandeling” in de zin van artikel 2, lid 2, sub a, van richtlijn 2000/43 en „personen van een bepaald ras of een bepaalde etnische afstamming in vergelijking met andere personen bijzonder benadeelt” in de zin van artikel 2, lid 2, sub b, richtlijn 2000/43:
2.1.
Is het voor kwalificatie van een ongunstigere behandeling als directe discriminatie absoluut noodzakelijk dat de behandeling ongunstiger is en dat zij direct of indirect wettelijk vastgestelde rechten of belangen schendt, of dient zij als om het even welke vorm van een gedrag (een relatie) in de ruimere zin van het woord aldus te worden begrepen dat zij in vergelijking met het gedrag in een gelijkaardige situatie minder voordelig is?
2.2.
Is het voor kwalificatie van het brengen van een persoon in een bijzonder ongunstige situatie als indirecte discriminatie ook vereist dat hierdoor direct of indirect wettelijk vastgestelde rechten of belangen worden geschonden, of dient het in ruimere zin te worden uitgelegd als elke vorm van het brengen van een persoon in een bijzonder ongunstige/onvoordelige situatie?
Vraag 3: Naargelang het antwoord op vraag 2: wanneer het voor kwalificatie als directe of indirecte discriminatie in de zin van artikel 2, lid 2, sub a en sub b, richtlijn 2000/43 is vereist dat de ongunstigere behandeling of het brengen van een persoon in een bijzonder ongunstige situatie direct of indirect een wettelijk vastgesteld recht of belang schendt,
3.1.
estellen artikel 38 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, richtlijn 2006/32/EG (2) (punt 29 van de considerans, artikel 1 en artikel 13, lid 1), richtlijn 2003/54/EG (3) (artikel 3, lid 5), en richtlijn 2009/72/EG (4) (artikel 3, lid 7), ten voordele van de eindverbruiker een recht of belang vast om regelmatig de stand van de elektriciteitsmeter te kunnen nagaan dat voor de nationale rechterlijke instanties in een procedure zoals het hoofdgeding kan worden aangevoerd,
en
3.2.
zijn met deze bepalingen verenigbaar, nationale wettelijke regelingen en/of een met toestemming van het Nationaal Agentschap voor energieregulering gerealiseerde bestuurlijke praktijk die een distributiebedrijf de vrijheid toekent elektriciteitsmeters op moeilijk of niet toegankelijke plaatsen te installeren waardoor het de verbruikers onmogelijk wordt gemaakt zelf en regelmatig de stand van de elektriciteitsmeter na te gaan en bij te houden?
Vraag 4: Naargelang het antwoord op vraag 2: wanneer het voor kwalificatie als directe of indirecte discriminatie niet absoluut is vereist dat een wettelijk vastgesteld recht of belang direct of indirect is geschonden,
—
zijn volgens artikel 2, lid 2, sub a en sub b, richtlijn 2000/43 geoorloofd, nationale wettelijke regelingen of rechtspraak, zoals deze aan de orde in het hoofdgeding, die voor kwalificatie van discriminatie vereisen dat de ongunstigere behandeling en het brengen van een persoon in een ongunstigere situatie direct of indirect wettelijk vastgestelde rechten of belangen schenden;
—
wanneer nationale wettelijke regelingen of rechtspraak niet zijn geoorloofd, is de nationale rechter dan verplicht deze buiten toepassing te laten en de definities van de richtlijn erbij te halen?
Vraag 5: Hoe dient artikel 8, lid 1, richtlijn 2000/43 te worden uitgelegd?
5.1.
Aldus, dat het vereist dat het slachtoffer het bewijs levert van feiten op grond waarvan zich een duidelijke, vaststaande en zekere conclusie of een dergelijke conclusie van directe of indirecte discriminatie opdringt, of volstaat het dat de feiten enkel tot het aannemen/vermoeden van dergelijke conclusie leiden?
5.2.
Hebben de feiten, namelijk
a)
dat alleen in de straten van de twee als Roma-wijken bekende stadsdelen elektriciteitsmeters op elektriciteitspalen zijn geplaatst op een hoogte die visuele controle van de stand door verbruikers uitsluit, behalve bekende uitzonderingen in enkele delen van deze twee stadswijken, en
b)
dat in alle andere wijken van de stad de elektriciteitsmeters zijn geplaatst op een voor visuele controle toegankelijke hoogte (tot en met 1,70 m), meestal in de woning van de verbruiker of aan de gevel van het gebouw of aan de omheining,
tot gevolg dat de bewijslast bij de verwerende partij wordt gelegd?
5.3.
Sluiten de omstandigheden, namelijk
a)
dat in beide als Roma-wijken bekende stadsdelen niet alleen Roma leven maar ook personen van een andere etnische afstamming, en/of
b)
dienovereenkomstig, welk gedeelte van de bevolking in deze beide wijken zich daadwerkelijk Roma noemt, en/of
c)
dat het distributiebedrijf de redenen voor verplaatsing van de elektriciteitsmeters in deze beide stadswijken naar een hoogte van 7 m als algemeen bekend beschouwt,
uit dat de bewijslast bij de verwerende partij wordt gelegd?
Vraag 6: Naargelang van het antwoord op vraag 5:
6.1.
Indien artikel 8, lid 1, richtlijn 2000/43 aldus dient te worden uitgelegd, dat het aannemen/vermoeden van een discriminatie is vereist en indien de voormelde feiten tot gevolg hebben dat de bewijslast bij verwerende partij wordt gelegd, welke vorm van discriminatie doen deze feiten dan vermoeden: directe discriminatie, indirecte discriminatie en/of intimidatie?
6.2.
Staat richtlijn 2000/43 toe dat directe discriminatie en/of intimidatie wordt gerechtvaardigd door het nastreven van een legitiem doel met noodzakelijke en gepaste middelen?
6.3.
Kan, met inachtneming van de door het distributiebedrijf aangevoerde en nagestreefde legitieme doelstellingen, de in beide stadswijken toegepaste maatregel worden gerechtvaardigd in een situatie waar:
a)
de maatregel wordt toegepast wegens de in beide stadswijken zeer talrijke onbetaalde facturen, en wegens herhaaldelijke inbreuken door de verbruikers die de veiligheid, de kwaliteit, het doorlopend en zonder gevaar functioneren van de elektriciteitsinstallaties belemmeren of in gevaar brengen,
en
de maatregel ten aanzien van iedereen wordt toegepast, ongeacht of de betrokken verbruiker zijn facturen voor distributie en levering van stroom betaalt of niet, en ongeacht of vaststaat dat betrokken verbruiker een of andere inbreuk (geknoei met de stand van de elektriciteitsmeter, onrechtmatige aansluiting en/of onrechtmatige afname/onrechtmatig stroomverbruik zonder opmeting noch betaling of een of ander geknoei met het net waardoor het veilig, kwalitatief, doorlopend en zonder gevaar functioneren ervan wordt belemmerd of in gevaar gebracht) heeft begaan;
b)
voorzien is in zowel civiele en bestuurlijke als strafrechtelijke aansprakelijkheden voor elke vergelijkbare inbreuk op wettelijke regelingen en de algemene voorwaarden van de overeenkomst inzake distributie (hierna: „distributieovereenkomst”);
c)
de in artikel 27, lid 2, van de algemene voorwaarden van de distributieovereenkomst voorziene clausule, te weten het distributiebedrijf garandeert op uitdrukkelijk schriftelijk verzoek van verbruiker de mogelijkheid van visuele controle van de stand van de elektriciteitsmeter, de verbruiker niet daadwerkelijk de mogelijkheid biedt zelf en regelmatig de voor hem relevante gegevens na te gaan;
d)
het op grond van een uitdrukkelijk schriftelijk verzoek mogelijk is een elektriciteitsmeter ter controle te installeren in de woning van verbruiker die hiervoor een vergoeding moet betalen;
e)
de maatregel een karakteristiek en zichtbaar kenmerk is voor de oneerlijkheid in een of andere vorm van verbruiker op grond van de bewering van het distributiebedrijf dat de redenen voor toepassing van de maatregel algemeen bekend zijn;
f)
andere technische methoden en middelen ter voorkoming van geknoei met de elektriciteitsmeters voorhanden zijn;
g)
de vertegenwoordiger van het distributiebedrijf uiteenzet dat de in een Roma-wijk van een andere stad toegepaste gelijkaardige maatregelen inbreuken inderdaad niet hebben kunnen verhinderen;
h)
niet wordt aangenomen dat de in een van die stadswijken aangelegde elektrische installatie, te weten een transformatorstation, ter beveiliging van gelijkaardige maatregelen zoals de elektriciteitsmeters moet worden ingezet?
(1) Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming (PB L 180, blz. 22).
(2) Richtlijn 2006/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende energie-efficiëntie bij het eindgebruik en energiediensten en houdende intrekking van Richtlijn 93/76/EEG van de Raad (PB L 114, blz. 64).
(3) Richtlijn 2003/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en houdende intrekking van Richtlijn 96/92/EG (PB L 176, blz. 37).
(4) Richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van Richtlijn 2003/54/EG (PB L 211, blz. 55).
Full & Egal Universal Law Academy