8.10.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 298/15
Hogere voorziening ingesteld op 29 juli 2011 door Elf Aquitaine SA tegen het arrest van het Gerecht (Tweede kamer) van 17 mei 2011 in zaak T-299/08, Elf Aquitaine/Commissie
(Zaak C-404/11 P)
2011/C 298/28
Procestaal: Frans
Partijen
Rekwirante: Elf Aquitaine SA (vertegenwoordigers: E. Morgan de Rivery en E. Lagathu, advocaten)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
—
primair:
—
vernietiging, op grond van de artikelen 256 VWEU en 56 van het Protocol betreffende het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, van het arrest van het Gerecht van 17 mei 2011, Elf Acquitaine/Commissie (T-229/08), in zijn geheel;
—
toewijzing van de vorderingen in eerste aanleg bij het Gerecht;
—
bijgevolg, nietigverklaring van de artikelen 1, sub f, 2, sub c en e, 3 en 4 van beschikking nr. C(2008) 2626 def. van de Commissie van 11 juni 2008 betreffende een procedure overeenkomstig artikel 81 van het EG-Verdrag en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (Zaak COMP/38.695 — Natriumchloraat);
—
subsidiair : herziening, op grond van artikel 261 VWEU, van de geldboete van 22 700 000 EUR die hoofdelijk aan Arkema SA en aan Elf Aquitaine is opgelegd bij artikel 2, sub c, van beschikking nr. C(2008) 2626 def. van de Commissie van 11 juni 2008 betreffende een procedure overeenkomstig artikel 81 van het EG-Verdrag en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (Zaak COMP/38.695 — Natriumchloraat), alsook de geldboete van 15 890 000 EUR die aan Elf Aquitaine persoonlijk is opgelegd bij artikel 2, sub e, van diezelfde beschikking, overeenkomstig zijn volle rechtsmacht, wegens objectieve gebreken in de motivering en de redenering in het arrest van het Gerecht van 17 mei 2011, zaak T-229/08, als bedoeld in de zes middelen ter ondersteuning van de onderhavige hogere voorziening;
—
in elk geval , verwijzing van de Europese Commissie in het geheel van de kosten, waaronder die welke voor Elf Aquitaine zijn opgekomen bij het Gerecht.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert rekwirante zes primaire middelen en één subsidiair middel aan.
Met haar eerste middel stelt Elf Aquitaine SA schending van artikel 5 VEU door het Gerecht, omdat dit het beginsel van automatische aansprakelijkheid van moedermaatschappijen heeft bekrachtigd dat door de Commissie in de onderhavige zaak is toegepast en dat zij gerechtvaardigd heeft op basis van het begrip onderneming in de zin van artikel 101 VWEU. Een dergelijke benadering is onverenigbaar met, althans staat in geen verhouding tot, de beginselen van bevoegdheidstoedeling en subsidiariteit (eerste onderdeel), alsook het evenredigheidsbeginsel (tweede onderdeel).
Met haar tweede middel beroept rekwirante zich op een kennelijk onjuiste uitlegging van het nationale recht en van het begrip onderneming, omdat het Gerecht onder meer een onjuiste juridische waarde heeft gehecht aan het beginsel van autonomie van de rechtspersoon.
Met haar derde middel betoogt rekwirante in wezen dat het Gerecht opzettelijk heeft geweigerd de gevolgen te trekken uit de strafrechtelijke aard van de sancties in het mededingingsrecht en de nieuwe verplichtingen die voortvloeien uit het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Het Gerecht heeft het begrip onderneming in het recht van de Unie immers abusievelijk en onjuist toegepast, in strijd met de presumptie van autonomie die aan het nationale vennootschapsrecht ten grondslag ligt en ook de strafrechtelijke aard van de sancties in het mededingingsrecht. Rekwirante stelt voorts dat het Gerecht ambtshalve had moeten opwerpen dat het huidige stelsel van de administratieve procedure voor de Commissie onrechtmatig is.
Met haar vierde middel stelt rekwirante schending van de rechten van de verdediging als gevolg van een onjuiste uitlegging van het billijkheidsbeginsel en het beginsel van processuele gelijkheid. Het Gerecht heeft immers toegestaan dat de Commissie een probatio diabolica heeft gebruikt en blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de onafhankelijkheid van een dochteronderneming algemeen moet worden beoordeeld, aan de hand van de kapitaalbetrekkingen met haar moedermaatschappij, terwijl deze beoordeling aan de hand van een gedraging op een bepaalde markt moet plaatsvinden.
Met haar vijfde middel roept rekwirante een schending van de motiveringsplicht in, daar het Gerecht slechts kort de verwerping van haar betoog door de Commissie heeft geconstateerd, zonder enige analyse van de door deze laatste ingeroepen argumenten (eerste onderdeel). Elf Aquitaine SA verwijt het Gerecht bovendien dat een motivering ten aanzien van de presumptie van toerekenbaarheid ontbreekt (tweede onderdeel) en dat de motivering ten aanzien van de aan rekwirante persoonlijk opgelegde geldbete ontoereikend is (derde onderdeel).
Met haar zesde middel voert rekwirante de onrechtmatigheid van de persoonlijk opgelegde geldboete aan, ontleend aan de onjuiste toepassing van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten (eerste onderdeel), de invoering van een onjuiste rechtgrondslag voor de oplegging van een persoonlijke geldboete (tweede onderdeel) en tegenstrijdigheid tussen de motivering in het bestreden arrest op het punt van het begrip één enkele onderneming en de oplegging van een persoonlijke geldboete (derde onderdeel).
Met haar zevende en laatste (subsidiaire) middel geeft rekwirante te kennen dat het bedrag van de persoonlijke geldboete die haar is opgelegd met het oog op afschrikking, onevenredig is en een herziening daarvan rechtvaardigt.
Full & Egal Universal Law Academy