8.10.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 298/17
Hogere voorziening ingesteld op 8 augustus 2011 door het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tegen de beschikking van het Gerecht (Zevende kamer) van 24 mei 2011 in zaak T-115/10, Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland/Europese Commissie
(Zaak C-416/11 P)
2011/C 298/31
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirant: Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (vertegenwoordigers: S. Ossowski, gemachtigde, D. Wyatt, QC, en V. Wakefield, barrister)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
—
de beschikking van het Gerecht vernietigen;
—
het door het Verenigd Koninkrijk ingestelde beroep tot nietigverklaring ontvankelijk verklaren en de zaak naar het Gerecht verwijzen voor behandeling ten gronde;
—
de Commissie verwijzen in de kosten van de onderhavige procedure en de kosten van de procedure in eerste aanleg met betrekking tot de exceptie van niet-ontvankelijkheid;
—
de beslissing omtrent de kosten voor het overige aanhouden.
Middelen en voornaamste argumenten
1)
Het Verenigd Koninkrijk stelt hogere voorziening in tegen de beschikking van het Gerecht van de Europese Unie (Zevende kamer) in zaak T-115/10, Verenigd Koninkrijk/Commissie, waarbij het Gerecht niet-ontvankelijk heeft verklaard het door het Verenigd Koninkrijk ingestelde beroep tot nietigverklaring van de vermelding van het Spaanse gebied van communautair belang ES6120032 („Estrecho Oriental”) in besluit 2010/45/EU (1) van de Commissie.
2)
Volgens het Gerecht is de vermelding van gebied ES6120032 in besluit 2010/45/EU van de Commissie slechts een bevestiging van de eerdere vermelding van dat gebied in beschikking 2009/95/EG (2) van de Commissie. Het heeft daarmee blijk gegeven van een onjuiste opvatting, aangezien de vermelding van gebied ES6120032 in besluit 2010/45/EU werd vastgesteld op basis van wezenlijke nieuwe feiten, namelijk dat gebied ES6120032:
a)
een overlapping inhoudt met en de omsluiting beoogt van het grootste deel van de Britse territoriale wateren van Gibraltar (BTWG), en
b)
een overlapping inhoudt met en de omsluiting beoogt van de hele oppervlakte van een bestaand Brits gebied van communautair belang met als code UKGIB0002 genaamd „Southern Waters of Gibraltar”.
3)
Blijkbaar was ten tijde van de eerste vermelding van gebied ES6120032 in beschikking 2009/95/EG alleen Spanje daadwerkelijk op de hoogte van het feit dat dat gebied overlapte met gebied UKGIB0002 en de BTWG. Vaststaat dat het Verenigd Koninkrijk daarvan niet op de hoogte was, en er zijn geen aanwijzingen dat de Commissie en het comité Habitat (die beschikking 2009/95/EG hebben vastgesteld) op de hoogte waren.
4)
Ten tijde van de tweede vermelding van gebied ES6120032, in besluit 2010/45/EU, was dit zeer relevante feit bekend bij zowel het Verenigd Koninkrijk als de Commissie en het comité Habitat, zoals blijkt uit de discussie die voorafging aan de vaststelling van deze handeling.
5)
Aangezien ten tijde van de vaststelling van beschikking 2009/95/EG de overlapping niet daadwerkelijk bekend was, heeft het Gerecht zich gericht op veronderstelde kennis, dat wil zeggen of er toen kennis van de overlapping had kunnen zijn. Het heeft geoordeeld dat het Verenigd Koninkrijk en de Commissie zich toen wel bewust hadden moeten zijn van dat feit, zodat (volgens de redenering van het Gerecht) besluit 2010/45/EU „slechts een bevestiging” van de eerdere vermelding was.
6)
Het Gerecht heeft blijk gegeven van ernstige onjuiste rechtsopvattingen bij de beoordeling van veronderstelde kennis. Het heeft zich met name vergist:
a)
bij het bepalen van welke partijen de veronderstelde kennis juridisch relevant is ( eerste middel van de onderhavige hogere voorziening). Het Gerecht heeft in het bijzonder de rechtspraak onjuist uitgelegd en rechtsbeginselen geschonden door de veronderstelde kennis van de Commissie te onderzoeken. Alleen de veronderstelde kennis van het Verenigd Koninkrijk was relevant. Subsidiair, mocht de veronderstelde kennis van enige andere partij dan het Verenigd Koninkrijk relevant zijn, dan betreft het die van de regelgever (te weten de Commissie en het comité Habitat), en niet die van de Commissie alleen, en
b)
wat betreft het te hanteren criterium bij het bepalen van waarover kennis „had kunnen” bestaan ( tweede middel van de onderhavige hogere voorziening). Het Gerecht is in het bijzonder niet op correcte wijze of zelfs helemaal niet uitgegaan van het juiste criterium, namelijk dat van een partij alleen die kennis kan worden verlangd die een omzichtige persoon redelijkerwijs had moeten hebben. Bovendien heeft het Gerecht blijk gegeven van een kennelijk onjuiste beoordeling door te oordelen dat was voldaan aan het criterium van veronderstelde kennis.
(1) Besluit van 22 december 2009 tot vaststelling, op grond van richtlijn 92/43/EEG van de Raad, van een derde bijgewerkte lijst van gebieden van communautair belang voor de mediterrane biogeografische regio (kennisgeving geschied onder nummer C(2009) 10406) (PB L 30, blz. 322).
(2) Beschikking van 12 december 2008 tot vaststelling, op grond van richtlijn 92/43/EEG van de Raad, van een tweede bijgewerkte lijst van gebieden van communautair belang voor de mediterrane biogeografische regio (kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 8049) (PB L 43, blz. 393).
Full & Egal Universal Law Academy