22.10.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 311/21
Hogere voorziening ingesteld op 10 augustus 2011 door Raad van de Europese Unie tegen het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer — uitgebreid) van 8 juni 2011 in zaak T-86/11, Bamba/Raad
(Zaak C-417/11 P)
2011/C 311/35
Procestaal: Frans
Partijen
Rekwirant: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: M. Bishop, B. Driessen en E. Dumitriu-Segnana, gemachtigden)
Andere partijen in de procedure: Nadiany Bamba, Europese Commissie
Conclusies
—
het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer — uitgebreid) van 8 juni 2011 in zaak T-86/11, Bamba/Raad, vernietigen;
—
definitieve uitspraak door het Hof op de punten waartegen de onderhavige hogere voorziening is gericht en het verzoek van Nadiany Bamba ongegrond verklaren;
—
Nadiany Bamba verwijzen in de kosten die de Raad in eerste aanleg en in hogere voorziening heeft gemaakt.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter staving van zijn hogere voorziening voert de Raad twee middelen aan:
Primair voert rekwirant aan dat de motivering in de bestreden handelingen aan de voorwaarden van artikel 296 VWEU voldoet. Bijgevolg heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de bestreden handelingen ontoereikend zijn gemotiveerd. De Raad heeft immers in de considerans van de bestreden handelingen een uitvoerige beschrijving van de bijzonder ernstige situatie in Ivoorkust gegeven, die de tegen bepaalde personen en entiteiten genomen maatregelen rechtvaardigt. Bovendien heeft de Raad duidelijk de redenen opgegeven op grond waarvan hij meent dat de betrokken beperkende maatregelen op Nadiany Bamba moeten worden toegepast.
Subsidiair voert de Raad aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting aangezien het, in het kader van de beoordeling van de naleving van de motiveringsplicht, geen rekening heeft gehouden met de aan Nadiany Bamba welbekende context waarin de bestreden handelingen zijn genomen.
Full & Egal Universal Law Academy