22.10.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 311/24
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Supreme Court of the United Kingdom op 12 augustus 2011 — Mark Alemo-Herron en anderen/Parkwood Leisure Ltd
(Zaak C-426/11)
2011/C 311/40
Procestaal: Engels
Verwijzende rechter
Supreme Court of the United Kingdom
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Mark Alemo-Herron, Sandra Tipping, Christopher Anderson, Stacey Aris, Audrey Beckford, Lee Bennett, Delroy Carby, Vishnu Chetty, Deborah Cimitan, Victoria Clifton, Claudette Cummings, David Curtis, Stephen Flin, Patience Ijelekhai, Rosemarie Lee, Roxanne Lee, Vivian Ling, Michelle Nicholas, Lansdail Nugent, Anne O’Connor, Shirley Page, Alan Peel, Mathew Pennington en Laura Steward
Verwerende partij: Parkwood Leisure Ltd
Prejudiciële vragen
1)
Dient, in de omstandigheden van de onderhavige zaak, waarin een werknemer jegens de vervreemder een contractueel recht heeft op voorwaarden waarover door een derde, te weten een orgaan voor collectieve onderhandeling, periodiek wordt genegotieerd en die door hem worden vastgesteld, en waarin dat recht in de betrekking tussen de werknemer en de vervreemdende werkgever naar nationaal recht niet statisch maar dynamisch van aard is, artikel 3 van richtlijn 2001/23/EG (1) van de Raad van 12 maart 2001, in samenhang met het arrest van het Hof van 9 maart 2006 in de zaak Werhof/Freeway Traffic Systems GmbH (C-499/04, Jurispr. blz. I-2397), aldus te worden uitgelegd
a)
dat het verlangt dat een dergelijk recht bij een overgang waarop de richtlijn van toepassing is, wordt beschermd en de verkrijger bindt; of
b)
dat de nationale rechters op basis daarvan op goede gronden kunnen oordelen dat een dergelijk recht bij een overgang waarop de richtlijn van toepassing is, beschermd is en de verkrijger bindt, of
c)
dat het zich ertegen verzet dat de nationale rechters van oordeel zijn dat een dergelijk recht bij een overgang waarop de richtlijn van toepassing is, beschermd is en de verkrijger bindt?
2)
Mogen de rechters van een lidstaat, wanneer deze lidstaat zijn verplichtingen tot uitvoering van de minimumvereisten van artikel 3 van richtlijn 2001/23 is nagekomen, maar de vraag rijst of de uitvoeringsmaatregelen aldus moeten worden uitgelegd dat zij ten gunste van de beschermde werknemers verder gaan dan die vereisten voor zover zij hun dynamische contractuele rechten jegens de verkrijger verlenen, het nationale recht inzake de uitlegging van de uitvoeringsregeling altijd toepassen dan wel enkel indien die uitlegging niet met het gemeenschapsrecht in strijd is, of dient voor de uitlegging een andere invalshoek te worden gekozen en, zo ja, welke?
3)
Staat het de nationale rechter in de onderhavige zaak vrij, de door de werknemers aangevoerde uitlegging van de Transfer of Undertakings (Protection of Employment) Regulations 1981 (TUPE), toe te passen, gelet op het feit dat de werkgever niet heeft gesteld dat zijn rechten ex artikel 11 van het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, worden geschonden doordat de werknemers naar nationaal recht over een dynamisch recht op collectief vastgestelde voorwaarden beschikken?
(1) Richtlijn inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen (PB L 82, blz. 16).
Full & Egal Universal Law Academy