22.10.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 311/25
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Court of Appeal (England & Wales) (Civil Division) op 16 augustus 2011 — Purely Creative Ltd e.a./Office of Fair Trading
(Zaak C-428/11)
2011/C 311/42
Procestaal: Engels
Verwijzende rechter
Court of Appeal (England & Wales) (Civil Division)
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Purely Creative Ltd, Strike Lucky Games Ltd, Winners Club Ltd, McIntyre & Dodd Marketing Ltd, Dodd Marketing Ltd, Adrian Williams, Wendy Ruck, Catherine Cummings, Peter Henry
Verwerende partij: Office of Fair Trading
Prejudiciële vragen
1)
Omvat de verboden praktijk omschreven in punt 31 van bijlage 1 bij richtlijn 2005/29/EG (1) een verbod voor ondernemingen om consumenten te informeren dat zij een prijs of een ander soortgelijk voordeel hebben gewonnen, wanneer de consument feitelijk wordt gevraagd kosten te maken, zij het ook van minimale omvang, voor het reclameren van de prijs of een ander soortgelijk voordeel?
2)
Indien de onderneming de consument een reeks opties aanbiedt voor het reclameren van de prijs of een ander soortgelijk voordeel, wordt dan punt 31 van bijlage 1 geschonden indien het verrichten van welke handeling ook in verband met de methoden voor het reclameren daarvan kosten meebrengt voor de consument, ook indien deze gering zijn?
3)
Indien er geen sprake is van strijd met punt 31 van bijlage 1 wanneer aan de wijze van reclameren slechts minimale kosten voor de consument verbonden zijn, hoe dient de nationale rechter dan te beoordelen of dergelijke kosten minimaal zijn? Moeten dergelijke kosten meer in het bijzonder volkomen noodzakelijk zijn zodat
a)
de promotor de consument kan identificeren als de winnaar van de prijs, en/of
b)
de consument de prijs in ontvangst kan nemen, en/of
c)
de consument de ervaring kan genieten die wordt omschreven als „de prijs”?
4)
Houdt de woorden „bedrieglijke indruk” in punt 31 een extra vereiste in, bovenop het vereiste dat de consument een geldsom dient te betalen of kosten dient te maken voor het reclameren van de prijs, voordat de nationale rechter een schending van het bepaalde in punt 31 kan vaststellen?
5)
Zo ja, hoe dient de nationale rechter dan te bepalen of die „bedrieglijke indruk” is gewekt? Dient hij meer in het bijzonder de relatieve waarde van de prijs in verhouding tot de kosten van het reclameren daarvan te bezien bij de beoordeling of er een „bedrieglijke indruk” is gewekt? Zo ja, dient die „relatieve waarde” dan te worden bepaald aan de hand van:
a)
de kosten per eenheid van de promotor voor het verkrijgen van de prijs, of
b)
de kosten per eenheid van de promotor voor het beschikbaar stellen van de prijs aan de consument, of
c)
de waarde die de consument aan de prijs kan toekennen, door een schatting te maken van de „marktwaarde” van een gelijkwaardig product bij aankoop?
(1) Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („Richtlijn oneerlijke handelspraktijken”) PB L 149, blz. 22.
Full & Egal Universal Law Academy