12.11.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 331/10
Hogere voorziening ingesteld op 26 augustus 2011 door Europese Commissie tegen het arrest van het Gerecht (Achtste kamer) van 16 juni 2011 in de gevoegde zaken T-208/08 en T-209/08, Gosselin Group NV en Stichting Administratiekantoor Portielje tegen Europese Commissie
(Zaak C-440/11 P)
2011/C 331/17
Procestaal: Nederlands
Partijen
Rekwirante: Europese Commissie (vertegenwoordigers: A. Bouquet, S. Noë en F. Ronkes Agerbeek, gemachtigden)
Andere partijen in de procedure: Gosselin Group NV, voorheen Gosselin World Wide Moving NV en Stichting Administratiekantoor Portielje
Conclusies
De Commissie verzoekt het Hof eerbiedig:
—
het bestreden arrest te vernietigen voor zover het de beschikking C(2008) 926, zoals gewijzigd bij beschikking C(2009) 5810, nietig verklaart ten aanzien van Stichting Administratiekantoor Portielje;
—
het beroep van Portielje te verwerpen;
—
Portielje te verwijzen in de kosten van de procedures voor het Gerecht en het Hof.
Middelen en voornaamste argumenten
I. Eerste middel betreffende de personele werkingssfeer van artikel 101 VWEU
Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van het begrip „onderneming” en de regels aangaande de bewijslastverdeling omtrent aansprakelijkheid voor deelname aan een inbreuk op artikel 81 EG (nu artikel 101 VWEU). Het Gerecht heeft zich in de punten 36 t/m 50 van het bestreden arrest geconcentreerd op de verkeerde vraag, namelijk of Portielje een onderneming was. Wat het Gerecht had moeten nagaan is of de Commissie terecht in haar beschikking had gesteld dat Portielje deel uitmaakte van de onderneming die de inbreuk had gepleegd. Op deze problematiek zijn de in het arrest Akzo Nobel e.a. (C-97/08 P) (1) geformuleerde beginselen — inclusief bet bewijsvermoeden inzake het 100 % aandeelhouderschap onverkort van toepassing.
II. Tweede middel betreffende de weerlegging van het bewijsvermoeden inzake beslissende invloed
A. Eerste onderdeel
Het Gerecht heeft blijk gegeven van een kennelijk onjuiste opvatting van de bewijsmiddelen door vast te stellen dat de personele vervlechting tussen Portielje en Gosselin slechts de helft van bet bestuur van Portielje betrof, althans voor zover bet Gerecht hiermee beeft willen suggereren dat de bestuurders in kwestie geen doorslaggevende invloed konden hebben op bet beleid van Portielje. De betreffende personen beschikten immers samen over voldoende stemmen in het bestuur om bet beleid van Portielje kunnen te bepalen.
B. Tweede onderdeel
Het Gerecht heeft in elk geval blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door, niettegenstaande de personele vervlechting, te oordelen dat Portielje het uit de rechtspraak voortvloeiende bewijsvermoeden inzake het 100 % aandeelhouderschap had weerlegd aangezien zij in de relevante periode geen formele bestuursbesluiten had genomen. De opvatting van het Gerecht valt niet te verenigen met de functionele aard van het begrip onderneming en met de in het arrest Akzo Nobel e.a. geformuleerde beginselen.
C. Derde onderdeel
Het Gerecht heeft tevens blijk gegeven van een onjuiste reehtsopvatting door te oordelen dat Portielje het bewijsvermoeden inzake bet 100 % aandeelhouderschap had weerlegd aangezien er in de relevante periode geen algemene vergadering van Gosselin had plaatsgevonden. Ook deze opvatting van het Gerecht valt niet te verenigen met de functionele aard van bet begrip onderneming en met de in bet arrest Akzo Nobel e.a. geformuleerde beginselen.
(1) Arrest van het Hof van 16 september 2009 (Jurispr. blz. I-8237).
Full & Egal Universal Law Academy