19.11.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 340/9
Hogere voorziening ingesteld op 2 september 2011 door Heineken Nederland BV en Heineken NV tegen het arrest van het Gerecht (Zesde kamer — uitgebreid) van 16 juni 2011 in zaak T-240/07, Heineken Nederland BV en Heineken NV tegen Europese Commissie
(Zaak C-452/11 P)
2011/C 340/15
Procestaal: Nederlands
Partijen
Rekwirantes: Heineken Nederland BV en Heineken NV (vertegenwoordigers: T.R. Ottervanger en M.A. de Jong, advocaten)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
Rekwirantes wenden zich tot het Hof met het verzoek:
—
het bestreden arrest conform de in deze hogere voorziening aangevoerde middelen geheel dan wel gedeeltelijk nietig te verklaren voor zover daarbij (rekwirantes) beroep is verworpen;
—
de beschikking (1) geheel dan wel gedeeltelijk nietig te verklaren voor zover deze (rekwirantes) betreft;
—
de aan (rekwirantes) opgelegde boete nietig te verklaren of te verminderen;
—
subsidiair, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht voor een nieuwe beoordeling in overeenstemming met de rechtsopvatting van het Hof;
—
de Commissie in de kosten van deze procedure alsmede in de kosten van de procedure voor het Gerecht te veroordelen.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van de hogere voorziening voeren rekwirantes zes middelen aan:
In het eerste middel stellen rekwirantes dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat de Commissie niet verplicht was toegang te verlenen tot het antwoord van InBev op de punten van bezwaar.
In het tweede middel stellen rekwirantes dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Commissie gerechtigd was met betrekking tot het thuisverbruiksegment aan te nemen dat de gedragingen van de betrokken ondernemingen kwalificeerden als een samenstel van overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen.
In het derde middel stellen rekwirantes dat het Gerecht zijn rechtsmacht heeft overschreden en blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de wijze waarop het de vaststelling van het moment van aanvang van de inbreuk heeft beoordeeld.
In het vierde middel stellen rekwirantes dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te miskennen dat rekwirantes een onredelijk hoge boete hebben gekregen uitsluitend als gevolg van de door de Commissie zelf veroorzaakte lange duur van de administratieve procedure.
In het vijfde middel stellen rekwirantes dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door aan te nemen dat de Commissie niet in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel, in het bijzonder door niet — althans onvoldoende –in te gaan op de vergelijking met de Belgische bierzaak Interbrew/Alken-Maes.
In het zesde middel stellen rekwirantes dat de door het Gerecht toegekende vermindering van de boete met 5 % wegens de buitensporig lange duur van de administratieve procedure onvoldoende is in het licht van de bijzonder hoge boete die aan rekwirantes is opgelegd en het feit dat de Commissie geen enkele rechtvaardiging heeft voor de overschrijding van de redelijke termijn.
(1) Beschikking C(2007) 1697 van de Commissie van 18 april 2007 betreffende een procedure op grond van artikel 81 (EG) (zaak COMP/B-2/37.766 — Nederlandse biermarkt)
Full & Egal Universal Law Academy