26.11.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 347/11
Hogere voorziening ingesteld op 2 september 2011 door Solvay SA tegen het arrest van het Gerecht (Zesde kamer — uitgebreid) van 16 juni 2011 in zaak T-186/06, Solvay SA/Europese Commissie
(Zaak C-455/11 P)
2011/C 347/16
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: Solvay SA (vertegenwoordigers: O. W. Brouwer, advocaat, M. O’Regan, solicitor)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
Rekwirante verzoekt het Hof om:
—
de punten 121 tot en met 170 van het arrest te vernietigen;
—
de punten 394, 395 en 402 tot en met 427 van het arrest te vernietigen;
—
de zaak zelf af te doen en de bestreden beschikking nietig te verklaren voor zover hierbij is vastgesteld dat (a) rekwirante tussen mei 1995 en augustus 1997 artikel 81, lid 1, EG heeft geschonden, (b) rekwirante als derde onderneming aan de vereisten van punt 21 van de mededeling inzake medewerking heeft voldaan, en de aan rekwirante opgelegde geldboete dienovereenkomstig te verlagen, of, subsidiair, de zaak naar het Gerecht te verwijzen, en
—
de Commissie te verwijzen in de kosten van de procedure voor het Gerecht en het Hof.
Middelen en voornaamste argumenten
Rekwirante voert twee middelen aan. In het bestreden arrest heeft het Gerecht het verzoek van rekwirante tot gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking C(2006) 1766 def. van de Commissie van 3 mei 2006 in een procedure op grond van artikel 81 [EG] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak COMP/F/C.38.620 — Waterstofperoxide en perboraat) gedeeltelijk afgewezen.
Met haar eerste middel betwist rekwirante de conclusie van het Gerecht dat zij tussen mei 1995 en augustus 1997 aan een inbreuk op artikel 81, lid 1, EG en artikel 53, lid 1, EER heeft deelgenomen. Het Gerecht heeft de grenzen van zijn controlebevoegdheid overschreden en blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, voor zover het tot de conclusie is gekomen dat rekwirante informatie over prijzen en haar commerciële strategie met andere ondernemingen heeft besproken en/of uitgewisseld: een dergelijke vaststelling kon niet worden gebaseerd op de tekst van de litigieuze beschikking. Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de vaststelling in de litigieuze beschikking te bevestigen dat de gesprekken, onderhandelingen en uitwisseling van informatie tussen producenten van waterstofperoxide (waaronder rekwirante) — die een mislukte poging vormden om een akkoord over de verdeling van de markt te sluiten (wat niet tot de sluiting van een overeenkomst heeft geleid) — alle gericht waren op de beperking van de mededinging en aldus een inbreuk vormden op artikel 81, lid 1, EG en artikel 53, lid 1, EER, omdat zij ofwel voorbereidende onderhandelingen vormden en deel uitmaakten van hetzelfde geheime plan als een in augustus 1997 overeengekomen prijskartel waarover de betrokken ondernemingen bekentenissen hebben afgelegd, ofwel onderling afgestemde feitelijke gedragingen vormden, voor zover zij „het terrein effenden” voor dat latere kartel en/of een verboden uitwisseling van informatie tussen ondernemingen inhielden.
Met haar tweede middel betwist rekwirante de conclusie van het Gerecht dat de Commissie de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid niet heeft overschreden door in de litigieuze beschikking vast te stellen dat een andere onderneming, Arkema, op 3 april 2003 had voldaan aan de vereisten van punt 21 van de mededeling inzake medewerking van de Commissie van 2002. Het Gerecht heeft bij de omschrijving en de toepassing van het begrip „significant toegevoegde waarde” blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en het bewijsmateriaal verdraaid en kennelijk onjuist beoordeeld, voor zover het heeft vastgesteld dat documenten die Arkema op 3 april 2003 zonder enige begeleidende uitleg heeft verzonden, significant toegevoegde waarde hadden in de zin van punt 21 van de mededeling inzake medewerking van 2002. Het heeft eveneens blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en bewijsmateriaal verdraaid, voor zover het heeft vastgesteld dat de Commissie in de litigieuze beschikking tot een andere conclusie mocht komen dan in beschikking C(2006) 2098 van 31 mei 2006 betreffende een procedure overeenkomstig artikel 81 [EG] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak nr. COMP/F/38.645 — Methacrylaat), waarin zij had vastgesteld dat dezelfde fax van Arkema van 3 april 2003 (die betrekking had op het onderzoek van de Commissie naar verschillende vermoedelijke mededingingsregelingen, onder meer met betrekking tot waterstofperoxide en methacrylaat) pas aan de vereisten van punt 21 van de mededeling inzake medewerking van 2002 voldeed nadat Arkema aanvullende uitleg had verstrekt.
Full & Egal Universal Law Academy