26.11.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 347/12
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunale ordinario di Brescia op 9 september 2011 — Gennaro Currà e.a./Bondsrepubliek Duitsland
(Zaak C-466/11)
2011/C 347/17
Procestaal: Italiaans
Verwijzende rechter
Tribunale ordinario di Brescia
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Gennaro Currà e.a.
Verwerende partij: Bondsrepubliek Duitsland
Tussenkomende partij: Italiaanse Republiek
Prejudiciële vragen
1)
Zijn op basis van de internationale verplichtingen van de Duitse Staat (onder meer de artikelen 2 en 5, lid 2, van het Verdrag van Londen van 1953 over de schulden van het Duitse rijk) het vermeende voorrecht van immuniteit in civiele zaken [van deze staat] voor de Italiaanse rechter voor de feiten van de onderhavige zaak, waarop [hij] zich sinds 11 maart 2004 (arrest Ferrini) niet langer kan beroepen, en het akkoord [dat op 18 november 2008 te Triëst met de Italiaanse regering is ondertekend] om een zaak bij het Internationaal Gerechtshof aanhangig te maken ([zaak] nr. 143/2008 General List), samen met de desbetreffende in wet nr. 89/2010 neergelegde Italiaanse regeling volgens welke Italiaanse uitspraken gebaseerd op ernstige misdaden tegen de menselijkheid niet-uitvoerbaar zijn, in strijd met artikel 6 [VWEU] en met de artikelen 17, 47 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese [Unie] van 18 december 2000?
2)
Heeft de toepassing van artikel 7 van het Reichsbeamtenhaftungsgesetz (arrest van het Bundesgerichtshof van 26 juni 2003, AZ III ZR 245/98, [en] arrest van het Bundesverfassungsgericht van 15 februari 2006, AZ 2 Bvr 1476/03) inzake oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid, waarbij Europese burgers in strijd met artikel 2 van het Verdrag van Londen van 1953 over de schulden van het Duitse Rijk het recht wordt ontnomen om schadevergoeding van de Duitse Staat te vorderen, de rechten die verzoekers aan de artikelen 17 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese [Unie] ontlenen, geschonden tot 11 maart 2004 (arrest Ferrini), zodat het beroep op een verjaringstermijn in strijd is met de communautaire verplichtingen, in het bijzonder de artikelen 3 en 4, lid 3, laatste alinea, [VWEU] en het beginsel „non conceditur contra venire factum proprio”?
3)
Is de exceptie van immuniteit van rechtsmacht die de Bondsrepubliek Duitsland, in casu de verwerende partij, opwerpt, in strijd met artikel 4, lid 3, laatste alinea, en artikel 21 [VWEU], nu zij in de weg staat aan de civiele aansprakelijkheid op basis van gemeenschappelijke Europese beginselen (artikel 340 [VWEU]) van verwerende partij voor de schendingen van het internationaal recht (verbod van slavernij en dwangarbeid) die zij jegens burgers van een andere lidstaat heeft begaan?
Full & Egal Universal Law Academy