17.12.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 370/16
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Fővárosi Bíróság (Hongarije) op 16 september 2011 — Banif Plus Bank Zrt./Csaba Csipai en Viktória Csipai
(Zaak C-472/11)
2011/C 370/26
Procestaal: Hongaars
Verwijzende rechter
Fővárosi Bíróság
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Banif Plus Bank Zrt.
Verwerende partijen: Csaba Csipai en Viktória Csipai
Prejudiciële vragen
1)
Handelt een nationale rechter in overeenstemming met artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG (1) wanneer hij het bestaan van een oneerlijk contractueel beding vaststelt en bij gebreke van een vordering van partijen in die zin deze partijen laat weten dat hij de vierde volzin van beding 29 van de algemene voorwaarden van de leningovereenkomst tussen de procespartijen nietig acht? De nietigheid vloeit voort uit de schending van wettelijke bepalingen, met name [de artikelen] 1, [lid] 1, sub c, en 2, sub j, van regeringsdecreet nr. 18/1999.
2)
Kan de rechter in de omstandigheden van de eerste vraag de procespartijen verzoeken om een verklaring over het betrokken contractuele beding af te leggen, zodat de rechtsgevolgen van het oneerlijke karakter van het beding kunnen worden vastgesteld en de doelstellingen van artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 kunnen worden bereikt?
3)
Kan de rechter in de hierboven omschreven omstandigheden bij het onderzoek van een oneerlijk contractueel beding elk contractueel beding onderzoeken, of kan hij enkel de bedingen onderzoeken waarop de partij die de overeenkomst met de consument heeft gesloten, haar vordering baseert?
(1) Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB L 95, blz. 29).
Full & Egal Universal Law Academy