3.12.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 355/10
Hogere voorziening ingesteld op 27 september 2011 door Total SA en Elf Aquitaine SA tegen het arrest van het Gerecht (Zesde kamer — uitgebreid) van 14 juli 2011 in zaak T-190/06, Total en Elf Aquitaine/Commissie
(Zaak C-495/11 P)
2011/C 355/17
Procestaal: Frans
Partijen
Rekwiranten: Total SA en Elf Aquitaine SA (vertegenwoordigers: E. Morgan de Rivery en A. Noël-Baron, advocaten)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
primair:
—
vernietiging, krachtens artikel 263 VWEU, van het arrest van het Gerecht van 14 juli 2011, Total en Elf Aquitaine/Commissie in zaak T-190/06;
—
toewijzing van de vorderingen in eerste aanleg bij het Gerecht;
—
bijgevolg nietigverklaring van de artikelen 1, sub o en p, 2, sub i, 3 en 4 van beschikking C(2006) 1766 def. van de Commissie van 3 mei 2006;
subsidiair:
—
nietigverklaring, krachtens artikel 261 VWEU, van de geldboeten die hoofdelijk zijn opgelegd aan Elf Aquitaine en Total bij artikel 2, sub i, van de genoemde beschikking van de Commissie;
uiterst subsidiair:
—
herziening, krachtens artikel 261 VWEU, van de geldboeten die hoofdelijk zijn opgelegd aan Elf Aquitaine en Total bij artikel 2, sub i, van de genoemde beschikking van de Commissie;
hoe dan ook verwijzing van de Europese Commissie in alle kosten, daaronder begrepen die welke Elf Aquitaine en Total zijn opgekomen in de procedure voor het Gerecht.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van hun hogere voorziening voeren rekwiranten vijf primaire middelen, één subsidiair middel en één uiterst subsidiair middel aan.
Met hun eerste middel stellen Total SA en Elf Aquitaine SA schending van artikel 5 VEU door het Gerecht doordat het Gerecht het beginsel van automatische aansprakelijkheid van moedermaatschappijen heeft bekrachtigd dat door de Commissie in de onderhavige zaak is toegepast en dat zij gerechtvaardigd heeft op basis van het begrip onderneming in de zin van artikel 101 VWEU. Een dergelijke benadering is onverenigbaar met het beginsel van bevoegdheidstoedeling en het subsidiariteitsbeginsel (eerste onderdeel), alsook het evenredigheidsbeginsel (tweede onderdeel).
Met hun tweede middel stellen rekwiranten kennelijk onjuiste uitlegging van het nationale recht en van het begrip onderneming doordat het Gerecht onder meer een onjuiste juridische waarde heeft gehecht aan het beginsel van autonomie van de rechtspersoon.
Met hun derde middel betogen rekwirantes in wezen dat het Gerecht opzettelijk heeft geweigerd de consequenties te trekken uit de strafrechtelijke aard van de sancties in het mededingingsrecht en de nieuwe verplichtingen die voortvloeien uit het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Het Gerecht heeft het begrip onderneming in het Unierecht immers abusievelijk en onjuist toegepast, in strijd met het vermoeden van zelfstandigheid dat aan het nationale vennootschapsrecht ten grondslag ligt en de strafrechtelijke aard van de sancties in het mededingingsrecht. Rekwiranten stellen voorts dat het Gerecht ambtshalve had moeten opwerpen dat de huidige regeling van de administratieve procedure voor de Commissie onrechtmatig is.
Met hun vierde middel stellen rekwiranten schending van de rechten van de verdediging als gevolg van een onjuiste uitlegging van het billijkheidsbeginsel en het beginsel van processuele gelijkheid. Het Gerecht heeft immers toegestaan dat de Commissie een probatio diabolica heeft gebruikt, en blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de onafhankelijkheid van een dochteronderneming algemeen moet worden beoordeeld, aan de hand van de kapitaalbetrekkingen met haar moedermaatschappij, terwijl deze beoordeling aan de hand van een gedraging op een bepaalde markt moet plaatsvinden.
Met hun vijfde middel betogen rekwiranten dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting van de op de Commissie rustende motiveringsplicht (eerste onderdeel). Voorts verwijten partijen het Gerecht dat het zijn eigen motivering in de plaats van die van de Commissie heeft gesteld (tweede onderdeel).
Met hun zesde middel verzoeken partijen subsidiair om nietigverklaring van de hun opgelegde geldboeten.
Met hun uiterst subsidiair aangevoerde zevende middel verzoeken partijen ten slotte om een verlaging van de aan hen opgelegde geldboeten.
Full & Egal Universal Law Academy