3.12.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 355/11
Hogere voorziening ingesteld op 27 september 2011 door The Dow Chemical Company, Dow Deutschland Inc., Dow Deutschland Anlagengesellschaft mbH en Dow Europe GmbH tegen het arrest van het Gerecht (Eerste kamer) van 13 juli 2011 in zaak T-42/07, The Dow Chemical Company e.a./Europese Commissie
(Zaak C-499/11 P)
2011/C 355/18
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirantes: The Dow Chemical Company, Dow Deutschland Inc., Dow Deutschland Anlagengesellschaft mbH, Dow Europe GmbH (vertegenwoordigers: D. Schroeder, Rechtsanwalt, T. Kuhn, Rechtsanwalt, T. Graf, Advocat)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
—
The Dow Chemical Company verzoekt het Hof van Justitie eerbiedig om vernietiging van het arrest van het Gerecht in zaak T-42/07, voor zover haar verzoek om nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 29 november 2006 in zaak COMP/F/38.638, voor zover deze haar betreft, daarbij is afgewezen;
—
The Dow Chemical Company verzoekt het Hof van Justitie eerbiedig om nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 29 november 2006 in zaak COMP/F/38.638, voor zover deze haar betreft;
—
alle rekwirantes verzoeken het Hof van Justitie eerbiedig om vernietiging van het arrest van het Gerecht in zaak T-42/07, voor zover hun verzoek om aanzienlijke vermindering van de hun opgelegde geldboeten daarbij is afgewezen;
—
alle rekwirantes verzoeken het Hof van Justitie eerbiedig om aanzienlijke vermindering van de hun opgelegde geldboeten;
—
alle rekwirantes verzoeken het Hof van Justitie eerbiedig
—
de Commissie te verwijzen in de gerechtelijke en andere kosten die rekwirantes in het kader van de onderhavige zaak hebben gemaakt;
—
elke andere maatregel te nemen die het passend acht.
Middelen en voornaamste argumenten
Rekwirantes voeren vier middelen aan. Ten eerste heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting doordat het ervan is uitgegaan dat de Commissie haar beoordelingsbevoegdheid niet naar behoren hoeft uit te oefenen en doordat het de wijze waarop de Commissie haar beoordelingsbevoegdheid heeft uitgeoefend door The Dow Chemical Company aansprakelijk te stellen, niet ten volle heeft getoetst. Ten tweede heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de verschillende behandeling van de uitgangsbedragen van de boete. Ten derde heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Commissie rekening mocht houden met de omzet van The Dow Chemical Company. Ten vierde heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Commissie de afschrikkingsfactor op niet-discriminerende wijze heeft toegepast.
Full & Egal Universal Law Academy