17.12.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 370/17
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de High Court of Justice Queen’s Bench Division (Administrative Court) (Verenigd Koninkrijk) op 23 september 2011 — Fruition Po Limited/Minister for Sustainable Farming and Food and Animal Health
(Zaak C-500/11)
2011/C 370/28
Procestaal: Engels
Verwijzende rechter
High Court of Justice Queen’s Bench Division (Administrative Court)
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Fruition Po Limited
Verwerende partij: Minister for Sustainable Farming and Food and Animal Health
Prejudiciële vragen
1)
Moest artikel 11 van verordening [nr.] 2200/96 (1) in omstandigheden waarin
a)
een lidstaat de erkenning overwoog van een organisatie als telersvereniging krachtens artikel 11;
b)
de organisatie doelstellingen en statuten had die voldoen aan de vereisten van artikel 11;
c)
de bij de organisatie aangesloten telers alle diensten ontvingen die een telersvereniging krachtens artikel 11 voor hen moet verrichten; en
d)
de organisatie toeleveranciers contracteerde om een wezenlijk deel van deze diensten te verrichten,
overeenkomstig het rechtszekerheidsbeginsel aldus worden uitgelegd dat de organisatie in zekere mate zeggenschap over de toeleveranciers moest uitoefenen?
2)
Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, in welke mate was dan de zeggenschap in de zin van artikel 11 vereist?
3)
In het bijzonder, had de organisatie de bij artikel 11 vereiste mate van zeggenschap wanneer
a)
de toeleveranciers de vorm hadden van:
1)
een vennootschap waarvan 93 % van de aandelen in handen van leden van de organisatie was; en
2)
een vennootschap waarvan 50 % van de aandelen in handen van de eerste vennootschap was en waarvan de oprichtingsakte bepaalde dat de vennootschap beslist met eenparigheid van stemmen;
b)
geen van de twee vennootschappen was onderworpen aan een contractuele verplichting om de door de organisatie aan hen gegeven instructies inzake de betrokken activiteiten op te volgen; maar
c)
de organisatie en de toeleveranciers als gevolg van de hierboven omschreven aandeelhoudersschapsstructuur op basis van consensus werkten?
4)
Is het voor het antwoord op de vorige vragen relevant dat:
a)
artikel 6, lid 2, van verordening [nr.] 1432/2003 (2) tot vaststelling van toepassingsbepalingen voor verordening [nr.] 2200/96 van de Raad met betrekking tot de erkenning van telersverenigingen en de voorlopige erkenning van telersgroepen, op het relevante tijdstip uitdrukkelijk bepaalde dat „[d]e lidstaten […] de voorwaarden [vaststellen]”, waaronder een telersvereniging de uitvoering van haar taken aan derden kan toevertrouwen;
b)
de in de eerste vraag bedoelde lidstaat dergelijke voorwaarden op het relevante tijdstip niet had vastgesteld?
(1) Verordening (EG) nr. 2200/96 van de Raad van 28 oktober 1996 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit (PB L 297, blz. 1).
(2) Verordening (EG) nr. 1432/2003 van de Commissie van 11 augustus 2003 tot vaststelling van toepassingsbepalingen voor verordening (EG) nr. 2200/96 van de Raad met betrekking tot de erkenning van telersverenigingen en de voorlopige erkenning van telersgroepen (PB L 203, blz. 18).
Full & Egal Universal Law Academy