10.12.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 362/13
Hogere voorziening ingesteld op 29 september 2011 door Kone Oyj, Kone GmbH, Kone BV tegen het arrest van het Gerecht (Achtste kamer) van 13 juli 2011 in zaak T-151/07, Kone Oyj, Kone GmbH, Kone BV/Europese Commissie
(Zaak C-510/11 P)
2011/C 362/20
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirantes: Kone Oyj, Kone GmbH, Kone BV (vertegenwoordigers: T. Vinje, Solicitor, D. Paemen, Advocaat, A. Tomtsis, Dikigoros, A. Morfey, Solicitor)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
Rekwirantes verzoeken het Hof om:
—
artikel 2, lid 2, van de beschikking nietig te verklaren voor zover daarbij aan Kone Oyj en Kone GmbH een geldboete is opgelegd, en hetzij geen geldboete op te leggen hetzij het bedrag van de geldboete te verlagen ten opzichte van het bedrag dat is bepaald in de beschikking van de Commissie van 21 februari 2007 in een procedure op grond van artikel 101 VWEU (Zaak COMP/E-1/38.823 — Liften en roltrappen) (hierna: „beschikking”);
—
artikel 2, lid 4, van de beschikking van de Commissie nietig te verklaren voor zover daarbij aan Kone Oyj en Kone GmbH een geldboete is opgelegd, en het bedrag van de geldboete te verlagen ten opzichte van het bedrag dat is bepaald in de beschikking van de Commissie; en
—
de Commissie te verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Rekwirantes betogen dat het bestreden arrest op de volgende gronden moet worden vernietigd:
Ten aanzien van de inbreuk in Duitsland heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Commissie de grenzen van haar beoordelingsvrijheid niet kennelijk had overschreden bij de beoordeling van de bijdrage die Kone had geleverd tot de inleiding van de procedure en de vaststelling van de inbreuk. Deze blijk van een onjuiste rechtsopvatting van het Gerecht heeft ertoe geleid dat Kone ten onrechte niet voor immuniteit in aanmerking is gekomen krachtens de mededeling betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken van 2002 (hierna: „mededeling van 2002”).
Het Gerecht heeft ook blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de schending van de mededeling van 2002 door de Commissie niet in strijd was met het beginsel van de bescherming van gewettigd vertrouwen.
Wat de inbreuk in Nederland betreft heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de weigering van de Commissie om Kone enige vermindering van de geldboete krachtens de mededeling van 2002 toe te kennen op grond van de kwalificatie die Kone aan de door haar verstrekte informatie in haar verzoek om immuniteit had gegeven, te bevestigen. Als gevolg daarvan heeft het Gerecht de beschikking van de Commissie bevestigd voor zover daarbij is geweigerd om Kone een vermindering van de geldboete voor het Nederlandse kartel toe te kennen.
Het Gerecht heeft ook blijk van een onjuiste rechtsopvatting gegeven door te oordelen dat de Commissie het beginsel van gelijke behandeling niet heeft geschonden door te concluderen dat hetgeen Kone had voorgelegd met betrekking tot het kartel in België niet vergelijkbaar was met hetgeen ThyssenKrupp had voorgelegd.
Full & Egal Universal Law Academy