17.12.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 370/18
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Administrativen Sad Sofia-grad (Bulgarije) op 18 oktober 2011 — Zuheyr Freyeh Halaf/Darzhavna agentsia za bezhantsite pri Ministerski savet
(Zaak C-528/11)
2011/C 370/30
Procestaal: Bulgaars
Verwijzende rechter
Administrativen Sad Sofia-grad
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Zuheyr Freyeh Halaf
Verwerende partij: Darzhavna agentsia za bezhantsite pri Ministerski savet
Prejudiciële vragen
1)
Moet artikel 3, lid 2, van verordening (EG) nr. 343/2003 (1) van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend, aldus worden uitgelegd dat dit toestaat dat een lidstaat de verantwoordelijkheid voor de behandeling van een asielverzoek overneemt, wanneer bij de asielzoeker geen sprake is van persoonlijke omstandigheden die de toepassing van de humanitaire clausule in artikel 15 van deze verordening rechtvaardigen, en wanneer op de krachtens artikel 3, lid 1, van de verordening verantwoordelijke lidstaat ten minste een van de volgende situaties van toepassing is:
a)
in de rapporten van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor vluchtelingen (UNHCR) worden feiten en conclusies aangevoerd, waaruit blijkt dat in de van rechtswege verantwoordelijke lidstaat de voorschriften van de Europese Unie op asielgebied die betrekking hebben op de omstandigheden waarin asielzoekers worden opgenomen, de toegang tot de procedure en de kwaliteit van de procedure voor de behandeling van asielverzoeken worden geschonden;
b)
de van rechtswege verantwoordelijke lidstaat heeft op een terugnameverzoek krachtens artikel 20, lid 1, van verordening nr. 343/2003 niet geantwoord, waarbij deze verordening geen bepalingen over de inachtneming van het solidariteitsbeginsel in artikel 80 VWEU bevat?
2)
Is het voor de doelstellingen van de toepassing van artikel 3, lid 2, van verordening nr. 343/2003 toelaatbaar dat een nationale rechterlijke instantie van een lidstaat, waarbij — op basis van beweringen ten aanzien van de schending van het Unierecht op asielgebied in de krachtens artikel 3, lid 1, verantwoordelijke lidstaat — om toepassing van de verordening wordt verzocht, de schending van dit recht en de daaruit voortvloeiende gevolgen voor de rechten van de asielzoeker toetst, welke rechten hem door het recht van de Unie worden gewaarborgd bij zijn overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat, ook zonder dat het Hof van Justitie van de Europese Unie in de daarvoor in het recht van de Unie voorziene procedure met betrekking tot deze lidstaat een niet-nakoming van de toepasselijke voorschriften van het recht van de Unie heeft vastgesteld?
Indien de hiervoor gestelde vraag bevestigend wordt beantwoord, wordt verzocht ook de volgende vragen ten aanzien van de vaststelling van de criteria voor een schending van het recht van de Unie te beantwoorden:
Moet alleen met wezenlijke schendingen van het recht van de Unie rekening worden gehouden, en welke criteria moet de nationale rechter hanteren voor de vaststelling van deze schendingen voor de doelstellingen van de toepassing van de bepaling van verordening nr. 343/2003 die voorwerp van het verzoek om uitlegging is? Is een schending van het recht van de Unie op asielgebied alleen dan als wezenlijk te beschouwen, indien zij een schending van enig aan de asielzoeker door het recht van de Unie gewaarborgd recht tot gevolg heeft, of moet dit worden beperkt tot een schending van het recht op asiel in de zin van artikel 18 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie? Indien op grond van de algemene criteria en normen van het recht van de Unie er geen rechtsgrondslag is om het asielverzoek van betrokkene in te willigen, hoeft dan alleen de schending van de omstandigheden waarin asielzoekers worden opgenomen in de van rechtswege verantwoordelijke lidstaat te worden getoetst?
3)
Welke inhoud heeft het recht op asiel krachtens artikel 18 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie juncto artikel 53 van het Handvest en de definitie die is opgenomen in artikel 2, sub c, en punt 12 van de considerans van verordening nr. 343/2003?
4)
Moet artikel 3, lid 2, van verordening nr. 343/2003 aldus worden uitgelegd dat het een nationale rechter van een lidstaat krachtens deze bepaling is toegestaan om ervan uit te gaan dat het vermoeden van de inachtneming van het beginsel van non-refoulement en de veilige staat in de zin van punt 2 van de considerans van deze verordening met betrekking tot de krachtens artikel 3, lid 1, van de verordening verantwoordelijke lidstaat is weerlegd, ook wanneer dit niet door het Hof van Justitie van de Europese Unie is vastgesteld, waarbij het volgende in aanmerking moet worden genomen:
—
de erkende toezichthoudende bevoegdheden van het UNHCR, die zijn afgeleid uit de verplichting krachtens artikel 78, lid 1, VWEU om de volkenrechtelijke instrumenten op asielgebied in acht te nemen en ook uitdrukkelijk uit artikel 21 van richtlijn 2005/85/EG (2) van de Raad van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus, alsook
—
de in de rapporten van de UNHCR aangevoerde feiten en conclusies waaruit blijkt dat de krachtens artikel 3, lid 1, van verordening nr. 343/2003 verantwoordelijke lidstaat de voorschriften van het recht van de Unie op asielgebied schendt?
5)
Moet artikel 3, lid 2, van verordening nr. 343/2003 juncto de krachtens artikel 78, lid, VWEU bestaande verplichting om volkenrechtelijke instrumenten op asielgebied in acht te nemen, aldus worden uitgelegd dat de lidstaten gehouden zijn om in procedures voor de bepaling van de krachtens verordening nr. 343/2003 verantwoordelijke lidstaat, de UNHCR om een zienswijze te verzoeken, wanneer in de rapporten van deze instantie feiten en conclusies worden aangevoerd waaruit blijkt dat de krachtens artikel 3, lid 1, van verordening nr. 343/2003 verantwoordelijke lidstaat de voorschriften van het recht van de Unie op asielgebied schendt?
Indien de hiervoor gestelde vraag bevestigend wordt beantwoord, wordt verzocht ook de volgende vraag te beantwoorden:
Wanneer niet om een dergelijke zienswijze van de UNHCR wordt gevraagd, wordt dan de procedure voor de bepaling van de krachtens artikel 3, lid 1, van verordening nr. 343/2003 verantwoordelijke lidstaat wezenlijk geschonden en wordt daardoor het recht op behoorlijk bestuur en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte overeenkomstig de artikelen 41 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie geschonden, en wel vanuit het oogpunt van artikel 21 van richtlijn 2005/85 dat de UNCHR het recht toekent om een zienswijze te geven bij de behandeling van individuele asielverzoeken?
(1) PB L 50, blz. 1.
(2) PB L 326, blz. 13.
Full & Egal Universal Law Academy