28.1.2012
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 25/37
Hogere voorziening ingesteld op 18 november 2011 door Deltafina SpA tegen het arrest van het Gerecht (Derde kamer) van 9 september 2011 in zaak T-12/06, Deltafina/Commissie
(Zaak C-578/11 P)
2012/C 25/71
Procestaal: Italiaans
Partijen
Rekwirante: Deltafina SpA (vertegenwoordigers: J.-F. Bellis en F. Di Gianni, avvocati)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
—
het bestreden arrest geheel of gedeeltelijk vernietigen, voor zover het beroep van rekwirante hierbij is verworpen;
—
de beschikking van de Commissie van 20 oktober 2005 nietig verklaren, voor zover deze betrekking heeft op rekwirante;
—
de aan rekwirante opgelegde geldboete intrekken of verlagen, met name in het kader van de uitoefening van de volledige rechtmacht waarover het Hof krachtens artikel 261 VWEU beschikt;
—
subsidiair, de zaak naar het Gerecht verwijzen voor een nieuwe beoordeling in overeenstemming met de rechtsopvatting van het Hof;
—
de Commissie verwijzen in de kosten van de onderhavige procedure en van de procedure voor het Gerecht.
Middelen en voornaamste argumenten
Rekwirante voert vier middelen aan.
1)
Het Gerecht is ten onrechte tot de conclusie gekomen dat Deltafina haar verplichting tot medewerking niet is nagekomen door de Commissie niet in te lichten over het feit d at zij heeft bekendgemaakt dat zij met de Commissie meewerkte. Het Gerecht had daarentegen moeten nagaan of de Commissie, gelet op het akkoord over de „spelregels” dat de Commissie en Deltafina tijdens de bijeenkomst van 14 maart 2002 hebben gesloten, op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat Deltafina haar verplichting tot medewerking niet is nagekomen door tijdens de bijeenkomst van APTI van 4 april 2002 bekend te maken dat zij een immuniteitsverzoek heeft ingediend.
Aldus heeft het Gerecht zich in de plaats van de partijen gesteld, door ex post vast te stellen op welke wijze Deltafina haar verplichting tot medewerking diende na te komen. Voorts heeft het zich niet uitgesproken over het voornaamste door Deltafina aangevoerde middel en heeft het haar rechten van verdediging geschonden.
2)
Het Gerecht heeft de feiten niet op passende en correcte wijze vastgesteld, aangezien het niet de maatregelen van instructie heeft genomen waarin artikel 65 van zijn Reglement voor de procesvoering voorziet, maar ter terechtzitting op een met de procedureregels strijdige en dus onwettige wijze twee deelnemers aan de bijeenkomst van 24 maart 2002 betreffende de „spelregels” heeft gehoord, en dus de waarborgen van de artikelen 68 tot en met 76 van het Reglement voor de procesvoering niet in acht heeft genomen en fundamentele beginselen inzake de bewijslevering heeft geschonden.
3)
Het Gerecht heeft het beginsel van de redelijke procesduur geschonden. De procedure voor het Gerecht heeft namelijk buitensporig lang — meer bepaald 5 jaar en 8 maanden — geduurd en tussen het einde van de schriftelijke procedure en de beslissing om de mondelinge procedure te openen zijn ruim 43 maanden verstreken.
4)
Ten slotte heeft het Gerecht ten onrechte geweigerd om zich in het kader van de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht uit te spreken over het argument dat de aan Deltafina opgelegde geldboete onevenredig en discriminerend was omdat de Commissie de geldboeten van Deltafina en Dimon Italia in dezelfde mate heeft verlaagd, hoewel zij in erg verschillende mate tot de vaststelling van de inbreuk hebben bijgedragen. In het arrest Nintendo/Commissie (T-13/03) heeft het Gerecht als beginsel vooropgesteld dat de Commissie bij de beoordeling van de tijdens de administratieve procedure door de ondernemingen verleende medewerking, die in zowel chronologisch als kwalitatief opzicht dient te worden vergeleken, het gelijkheidsbeginsel niet mag schenden.
Full & Egal Universal Law Academy