28.1.2012
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 25/37
Hogere voorziening ingesteld op 22 november 2011 door Muhamad Mugraby tegen de beschikking van het Gerecht (Derde kamer) van 6 september 2011 in zaak T-292/09, Muhamad Mugraby/Raad van de Europese Unie, Europese Commissie
(Zaak C-581/11 P)
2012/C 25/72
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirant: Muhamad Mugraby (vertegenwoordiger: S. Delhaye, advocaat)
Andere partijen in de procedure: Raad van de Europese Unie, Europese Commissie
Conclusies
Rekwirant concludeert dat het het Hof behage:
1)
vast te stellen dat de Commissie niet is ingegaan op:
i)
rekwirants verzoek om bij de Raad een aanbeveling in te dienen inzake de opschorting van de bijstand van de Gemeenschap voor Libanon, zoals in artikel 28 van verordening (EG) nr. 1638/2006 (1) uiteengezet, aangezien dergelijke maatregelen krachtens deze verordening zowel noodzakelijk als mogelijk zijn;
ii)
rekwirants verzoek om als de instelling die rechtstreeks verantwoordelijk is voor de uitvoering van de diverse bijstandsprogramma’s van de Unie voor Libanon, de uitvoering van deze programma’s op te schorten zolang er geen oplossing is voor de voortdurende grondrechtenschendingen die Libanon begaat, meer in het bijzonder van rekwirants grondrechten;
2)
vast te stellen dat de Raad, als onderdeel van de Associatieraad EU-Libanon, niet is ingegaan op rekwirants verzoek om de Commissie uit te nodigen aan de Raad aan te bevelen om krachtens de Associatie-overeenkomst (2) tussen Libanon en de Gemeenschap specifieke en doeltreffende maatregelen inzake bijstand van de Unie aan Libanon te nemen, teneinde aan de verplichtingen van partijen krachtens deze overeenkomst te voldoen;
3)
vast te stellen dat de EU, de Commissie, als hoeder van de verdragen en als de instelling die rechtstreeks verantwoordelijk is voor de uitvoering van de diverse bijstandsprogramma’s van de Unie voor Libanon, alsook de Raad, als onderdeel van de Associatieraad EU-Libanon, niet-contractueel aansprakelijk zijn voor de schade die rekwirant heeft geleden omdat zij er sinds december 2002 nog steeds niet in zijn geslaagd om de beschikbare middelen en instrumenten op doeltreffende wijze aan te wenden teneinde de naleving van de mensenrechtenclausule in de Associatie-overeenkomst daadwerkelijk af te dwingen.
4)
de Commissie te gelasten om, gedeeltelijk als vergoeding in natura, aan de Raad voor te stellen de Associatie-overeenkomst tussen de EU en Libanon op te schorten, zolang Libanon er niet in slaagt om ten aanzien van rekwirant artikel 2 van de Associatie-overeenkomst na te leven;
5)
de Commissie te gelasten de uitvoering van de huidige bijstandsprogramma’s (die door de Commissie worden uitgevoerd en/of geleid) te beperken tot de programma’s die specifiek zijn gericht op de bevordering van de grondrechten en die geen financiële steun aan de Libanese autoriteiten inhouden, zolang Libanon er niet in slaagt om ten aanzien van rekwirant artikel 2 van de Associatie-overeenkomst na te leven;
6)
de Raad te gelasten om de Commissie uit te nodigen een aanbeveling te doen, zoals bedoeld in punt 4 hierboven, en om via de instellingen van de Associatieraad hetzelfde doel na te streven;
7)
de EU, de Raad en de Commissie, verweerders in eerste aanleg, te verplichten tot vergoeding van rekwirants materiële en morele schade, ten belope van een ex aequo et bono vast te stellen bedrag dat niet minder dan 5 000 000 EUR bedraagt, en tot vergoeding van de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Rekwirant betoogt dat de bestreden beschikking moet worden vernietigd om de volgende redenen:
Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting:
—
door het beroep niet-ontvankelijk te verklaren, hoewel er geen gronden voor niet-ontvankelijkheid bestaan;
—
door rekwirants recht om alle verweerders te noemen, te schenden;
—
door rekwirants rechten van verdediging te schenden, doordat het de door rekwirant aangevoerde argumenten terzijde heeft geschoven;
—
door niet op alle vorderingen van rekwirant uitspraak te doen;
—
door geen rekening te houden met het Unierecht en de internationaalrechtelijke verplichtingen van de Unie, en door de beschikking te baseren op verordeningen van een der instellingen van de Unie.
Rekwirant betoogt eveneens dat het Gerecht de Associatie-overeenkomst tussen de EU en Libanon onjuist heeft uitgelegd, en dat er geen rechtsgrond bestond voor zijn uitlegging van de „ruime beoordelingsbevoegdheid” en zijn vaststelling dat het niet bevoegd was om aan de Raad van de Europese Unie en aan de Europese Commissie bevelen te geven.
Als gevolg hiervan betoogt rekwirant dat het Gerecht zich schuldig heeft gemaakt aan rechtsweigering.
(1) Verordening (EG) nr. 1638/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 2006 houdende algemene bepalingen tot invoering van een Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument (PB L 310, blz. 1).
(2) Interimovereenkomst betreffende de handel en aanverwante zaken tussen de Europese Gemeenschap, enerzijds, en de Republiek Libanon, anderzijds (PB 2002 L 262, blz. 2).
Full & Egal Universal Law Academy