28.1.2012
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 25/44
Hogere voorziening ingesteld op 2 december 2011 door New Yorker SHK Jeans GmbH & Co. KG, voorheen New Yorker SHK Jeans GmbH, tegen het arrest van het Gerecht (Zesde kamer) van 29 september 2011 in zaak T-415/09, New Yorker SHK Jeans GmbH & Co. KG, voorheen New Yorker SHK Jeans GmbH/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen), Vallis K. — Vallis A. & Co. O.E.
(Zaak C-621/11 P)
2012/C 25/82
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: New Yorker SHK Jeans GmbH & Co. KG, voorheen New Yorker SHK Jeans GmbH (vertegenwoordigers: V. Spitz, A. Gaul, T. Golda, S. Kirschstein-Freund, advocaten)
Andere partijen in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen), Vallis K. — Vallis A. & Co. O.E.
Conclusies
Rekwirante verzoekt het Hof:
1)
het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 29 september 2011 in zaak T-415/09 te vernietigen, en
a)
de beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 30 juli 2009 te vernietigen, zover haar beroep daarbij is verworpen en de afwijzing van haar merkaanvraag voor waren van klasse 25 is bevestigd;
subsidiair,
b)
de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht voor een definitieve uitspraak;
2)
het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) te verwijzen in de kosten van de procedure voor het Gerecht en van de onderhavige procedure in hogere voorziening.
Middelen en voornaamste argumenten
—
Doordat extra bewijsmateriaal inzake het gebruik van het merk in aanmerking is genomen, welk bewijs is verstrekt nadat de door het Bureau voor overlegging van dergelijk bewijsmateriaal gestelde termijn was verstreken, is sprake van schending van de artikelen 42, leden 2 en 3, 76, lid 2, van de merkenverordening (1) (voorheen de artikelen 43, leden 2 en 3, 74, lid 2, van de merkenverordening), alsook van regel 22, lid 2, van verordening (EG) nr. 2868/95 tot uitvoering van de merkenverordening.
—
De overlegging van bewijs van het normaal gebruik van het oppositiemerk valt enkel onder regel 22, lid 2, van de verordening houdende uitvoering van de merkenverordening. De bewoordingen van regel 22, lid 2, van deze verordening laten dienaangaande geen ruimte voor enige beoordelingsvrijheid. In zoverre is artikel 76, lid 2, van de merkenverordening dus niet van toepassing. Indien het normaal gebruik van het oppositiemerk niet wordt bewezen binnen de door het Bureau overeenkomstig regel 22, lid 2, eerste zin, van de verordening tot uitvoering van de merkenverordening gestelde termijn, dient de oppositie te worden afgewezen.
—
Indien het Bureau — overeenkomstig artikel 75 van de merkenverordening en regel 20, lid 4, van de verordening houdende uitvoering van de merkenverordening — de opposant verzoekt om zijn opmerkingen te maken in antwoord op de argumenten die de aanvrager met betrekking tot het overgelegde bewijs van het normaal gebruik van het merk heeft aangevoerd, kan de opposant dan ook opmerkingen indienen. Extra bewijsmateriaal van dit gebruik kan evenwel niet in aanmerking worden genomen wanneer het wordt overgelegd nadat de gestelde termijn is verstreken. Inaanmerkingneming van dergelijk buiten de gestelde termijn overgelegd bewijsmateriaal levert schending op van de artikelen 42, leden 2 en 3, van de merkenverordening en van regel 22, lid 2, van de verordening tot uitvoering van deze verordening.
—
Het enkele feit dat de aanvrager opmerkingen heeft ingediend waarin hij betwist dat het binnen de gestelde termijn overgelegde bewijs volstaat, rechtvaardigt niet dat bijkomend bewijsmateriaal van het normale gebruik van het merk in aanmerking wordt genomen.
—
Zelfs indien wordt aangenomen dat artikel 76, lid 2, van de merkenverordening van toepassing is met betrekking tot bijkomend bewijsmateriaal dat ná het verstrijken van de krachtens regel 22, lid 2, eerste zin, van de verordening tot uitvoering van de merkenverordening gestelde termijn is overgelegd, zijn in casu de artikelen 42, leden 2 en 3, 76, lid 2, van de merkenverordening en van regel 22, lid 2, van de verordening tot uitvoering van deze verordening geschonden.
—
Het achteraf overgelegde bewijs vormde geen extra bewijs. Van bijkomend bewijsmateriaal is enkel sprake wanneer aan de hand van de bewijzen die binnen de aanvankelijk gestelde termijn zijn overgelegd, het bewijs van het normaal gebruik van het oppositiemerk is geleverd en de nadien overgelegde bewijzen de reeds bewezen feiten louter bevestigen. Derhalve heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting betreffende artikel 76, lid 2, van de merkenverordening, door de toepassing van deze bepaling toe te staan in de beroepsprocedure.
—
Met betrekking tot de bij artikel 76, lid 2, van de merkenverordening verleende bevoegdheid is in casu sprake van misbruik van bevoegdheid. Het Bureau heeft zijn bevoegdheid afgewend door simpelweg ervan uit te gaan dat de opposant bijkomende voorbeelden van het gebruik van zijn merk diende te verstrekken. De vraag of een partij in de procedure bijkomend bewijsmateriaal dient over te leggen, is geen element waarmee de verwerende partij rekening dient te houden. Deze vraag moet door elke partij zelf worden beantwoord. Bovendien is het Bureau voorbij gegaan aan andere omstandigheden. Het heeft zelfs de bewijswaarde van het aanvankelijk overgelegde bewijsmateriaal niet beoordeeld. Door te oordelen dat geen sprake was van misbruik van bevoegdheid heeft het Gerecht de toepasselijke bepalingen rechtens onjuist opgevat.
(1) Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het gemeenschapsmerk (PB L 78, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy