Beschikking van het Hof (Zesde kamer) van 22 juni 2011 –Vino/Poste Italiane
(Zaak C‑161/11)
„Artikelen 92, lid 1, 103, lid 1, en 104, lid 3, van Reglement voor procesvoering – Sociale politiek – Arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd – Overheidssector – Eerste of enige overeenkomst – Vrijstelling van verplichting om objectieve redenen aan te geven – Non-discriminatiebeginsel – Ontbreken van band met recht van Unie – Kennelijke onbevoegdheid van Hof”
Prejudiciële vragen – Bevoegdheid van Hof – Grenzen – Vraag gesteld in kader van geding dat onder nationaal recht en niet onder recht van Unie valt – Kennelijke onbevoegdheid van Hof (Art. 267 VWEU) (cf. punten 35‑41)
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing – Tribunale di Trani – Uitlegging van de in de Unie algemeen geldende beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie en van de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten – Werkingssfeer van die beginselen – Verenigbaarheid daarmee van een nationale regeling volgens welke een clausule waarin niet wordt vermeld om welke reden werknemers door Poste Italiane SpA slechts voor bepaalde tijd in dienst worden genomen, in de nationale rechtsorde geldig is
Dictum
Het Hof van Justitie van de Europese Unie is kennelijk onbevoegd om de eerste door het Tribunale di Trani (Italië) bij beslissing van 7 februari 2011 gestelde prejudiciële vraag te beantwoorden.
Full & Egal Universal Law Academy