Beschikking van het Hof (Zesde kamer) van 8 maart 2012 —
Febetra
(Zaak C‑333/11)
„Artikel 104, lid 3, eerste alinea, van Reglement voor procesvoering — TIR-overeenkomst — Communautair douanewetboek — Accijns — Vervoer onder geleide van carnet TIR — Onregelmatig lossen — Bepaling van plaats van overtreding — Invordering van rechten bij invoer en accijns — Bevoegdheid”
1. Vrij verkeer van goederen — Extern communautair douanevervoer — Vervoer onder geleide van carnet TIR — Overtredingen of onregelmatigheden — Bepaling van plaats van overtreding of onregelmatigheid — Vermoeden ten gunste van plaats van vaststelling — Weerlegging op basis van bewijzen aangedragen door organisatie die zich garant heeft gesteld (Verordening nr. 2454/93 van de Commissie, art. 454, lid 3) (cf. punt 38, dictum 1)
2. Douane-unie — Douaneschuld — Belasting over toegevoegde waarde — Accijns — Richtlijn 92/12 — Lidstaat bevoegd voor invordering (Richtlijn 92/12 van de Raad, art. 6, lid 1, en 7, lid 1) (cf. punt 43, dictum 2)
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Hof van Cassatie van België — Uitlegging van artikel 454, lid 3, tweede alinea, van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 253, blz. 1), van de artikelen 6, lid 1, en 7, lid 1, van richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop (PB L 76, blz. 1) en van artikel 37 van de douaneovereenkomst inzake het internationale vervoer van goederen onder dekking van carnets TIR (TIR-overeenkomst) — Overtredingen of onregelmatigheden — Plaats van overtreding of onregelmatigheid — Plaats die wordt geacht de plaats te zijn van vaststelling van de overtreding of onregelmatigheid indien de plaats waar deze overtreding of onregelmatigheid is begaan, niet kan worden bepaald
Dictum
1)
Artikel 454, lid 3, van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1662/1999 van de Commissie van 28 juli 1999, moet aldus worden uitgelegd dat een organisatie die zich garant heeft gesteld, de plaats waar een overtreding of onregelmatigheid is begaan, kan bewijzen aan de hand van de plaats van inschrijving van het carnet TIR en verzegeling. Zo deze organisatie erin slaagt het vermoeden van bevoegdheid van de douaneautoriteiten van de lidstaat waar een overtreding of onregelmatigheid tijdens een vervoer onder geleide van een carnet TIR is vastgesteld, te weerleggen in het voordeel van de douaneautoriteiten van de lidstaat waar deze overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan, worden de douaneautoriteiten van laatstgenoemde staat bevoegd tot invordering van de douaneschuld.
2)
De artikelen 6, lid 1, en 7, lid 1, van richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, zoals gewijzigd bij richtlijn 96/99/EG van de Raad van 30 december 1996, moeten aldus worden uitgelegd dat de douaneautoriteiten van de lidstaat waar de goederen zijn ontdekt, in beslag genomen en verbeurd zijn verklaard, bevoegd zijn tot invordering van de accijnzen, ook al zijn deze goederen in een andere lidstaat in het douanegebied van de Unie binnengebracht, voor zover deze goederen voor commerciële doeleinden voorhanden worden gehouden, hetgeen de verwijzende rechter dient uit te maken.
Full & Egal Universal Law Academy