Beschikking van het Hof (Achtste kamer) van 23 maart 2012 —
Thomson Sales Europe
(Zaak C‑348/11)
„Artikelen 92, lid 1, en 103, lid 1, van Reglement voor procesvoering — Kennelijke niet-ontvankelijkheid — Artikel 104, lid 3, tweede alinea, van Reglement voor procesvoering — Antwoord dat geen enkele ruimte voor redelijke twijfel laat — Prejudiciële verwijzing — Beoordeling van geldigheid — Gemeenschappelijke handelspolitiek — Dumping — Invoer van in Thailand gefabriceerde televisietoestellen — Geldigheid van onderzoek van Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) — Geldigheid van verordeningen (EG) nrs. 710/95 en 2584/98”
1. Prejudiciële vragen — Bevoegdheid van Hof — Grenzen — Bevoegdheid van nationale rechter — Vaststelling en beoordeling van feiten van
geding — Noodzaak van prejudiciële vraag en relevantie van gestelde vragen — Beoordeling door nationale rechter (Art. 267 VWEU)
(cf. punten 41, 43)
2. Prejudiciële vragen — Ontvankelijkheid — Vragen gesteld zonder voldoende precisering van juridische en feitelijke context — Vragen gesteld in context waarin nuttig antwoord is uitgesloten — Ontbreken van nadere motivering van noodzaak van antwoord op prejudiciële vragen — Vragen gebaseerd op niet geverifieerde beweringen van verzoeker — Kennelijke niet-ontvankelijkheid (Art. 267 VWEU; Statuut van het Hof van Justitie, art. 23; Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 92, lid 1, en 103, lid 1) (cf. punten 48‑49, 51, 53, 57‑58)
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Tribunal d’instance de Paris — Geldigheid van verordening (EG) nr. 710/95 van de Raad van 27 maart 1995 tot instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van ontvangtoestellen voor kleurentelevisie van oorsprong uit Maleisië, de Volksrepubliek China, de Republiek Korea, Singapore en Thailand en tot definitieve inning van het voorlopige recht (PB L 73, blz. 3) — Geldigheid van verordening (EG) nr. 2584/98 van de Raad van 27 november 1998 tot wijziging van de reeds aangehaalde verordening (EG) nr. 710/95 (PB L 324, blz. 1) — Verordeningen waarin voor de berekening van de gewogen gemiddelde dumpingmarge de „nulmarge”‑methode wordt toegepast — Geldigheid van het onderzoek van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) naar de oorsprong van televisietoestellen
Dictum
Bij onderzoek van de vierde en de vijfde vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van verordening (EG) nr. 710/95 van de Raad van 27 maart 1995 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van ontvangtoestellen voor kleurentelevisie van oorsprong uit Maleisië, de Volksrepubliek China, de Republiek Korea, Singapore en Thailand en tot definitieve inning van het voorlopige recht en verordening (EG) nr. 2584/98 van de Raad van 27 november 1998 tot wijziging van verordening nr. 710/95.
Full & Egal Universal Law Academy