Beschikking van het Hof (Zesde kamer) van 14 december 2011 – Boncea e.a./Statul român
(Gevoegde zaken C‑483/11 en C‑484/11)
„Prejudiciële verwijzing – Artikelen 43, 92, lid 1, en 103, lid 1, van Reglement voor procesvoering – Handvest van grondrechten van Europese Unie – Schadeloosstelling van personen die tijdens communistisch regime politieke veroordelingen hebben opgelopen – Recht op vergoeding van immateriële schade – Geen uitvoering van recht van Unie – Kennelijke onbevoegdheid van Hof”
Prejudiciële vragen – Bevoegdheid van Hof – Grenzen – Verzoek om uitlegging van Handvest van grondrechten van Unie – Nationale regeling die geen maatregel vormt die recht van Unie ten uitvoer brengt – Onbevoegdheid van Hof (Art. 6, lid 1, VEU; art. 267 VWEU; Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 51, lid 1) (cf. punten 28, 30‑35 en dictum)
Voorwerp
Verzoeken om een prejudiciële beslissing – Tribunalul Argeş – Uitlegging van artikel 5 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en van artikel 8 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens – Schadeloosstelling van personen die tijdens communistisch regime politieke veroordelingen hebben opgelopen – Toelaatbaarheid van een nationale regeling die het recht op vergoeding van immateriële schade beperkt
Dictum
Het Hof van Justitie van de Europese Unie is kennelijk onbevoegd om te antwoorden op de door het Tribunalul Argeş (Roemenië) bij beslissingen van 4 april en 4 juli 2011 gestelde vragen.
Full & Egal Universal Law Academy