ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN VAN DE EUROPESE UNIE (Tweede kamer)
17 juli 2012 (*)
„Openbare dienst – Tuchtprocedure – Tuchtmaatregel – Tuchtrechtelijk ontslag – Bestaan van vooronderzoek voor nationale strafrechtelijke instanties op moment van vaststelling van besluit tot tuchtrechtelijk ontslag – Gelijke behandeling van mannen en vrouwen – Verbod om zwangere werkneemster gedurende periode vanaf begin van zwangerschap tot einde van zwangerschapsverlof te ontslaan”
In zaak F‑54/11,
betreffende een beroep ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan,
BG, voormalig ambtenaar van de Europese Ombudsman, wonende te Straatsburg (Frankrijk), vertegenwoordigd door L. Levi en A. Blot, advocaten,
verzoekster,
tegen
Europese Ombudsman, vertegenwoordigd door J. Sant’Anna als gemachtigde, bijgestaan door D. Waelbroeck en A. Duron, advocaten,
verweerder,
wijst
HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: M. I. Rofes i Pujol, kamerpresident, I. Boruta en K. Bradley (rapporteur), rechters,
griffier: X. Lopez Bancalari, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 13 maart 2012,
het navolgende
Arrest
1 Bij verzoekschrift, binnengekomen ter griffie van het Gerecht op 4 mei 2011, heeft BG het onderhavige beroep ingesteld, strekkende tot nietigverklaring van het besluit van de Europese Ombudsman om haar de sanctie van tuchtrechtelijk ontslag zonder verlies van pensioenrechten op te leggen en tot vergoeding van de schade die zij door dat besluit zou hebben geleden.
Toepasselijke bepalingen
2 Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie luidt:
„[...]
Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen.
[...]”
3 Artikel 23 van het Handvest, „Gelijkheid van mannen en vrouwen”, bepaalt:
„De gelijkheid van mannen en vrouwen moet worden gewaarborgd op alle gebieden, met inbegrip van werkgelegenheid, beroep en beloning.
[...]”
4 Artikel 1 sexies, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”) luidt:
„Ambtenaren in actieve dienst hebben recht op arbeidsomstandigheden die voldoen aan passende veiligheids‑ en gezondheidsnormen die ten minste gelijkwaardig zijn met de minimumvoorschriften die gelden op grond van maatregelen die krachtens de Verdragen op deze gebieden zijn vastgesteld.”
5 Artikel 12 van het Statuut bepaalt:
„De ambtenaar dient zich te onthouden van iedere handeling en van iedere manier van optreden die afbreuk zouden kunnen doen aan de waardigheid van zijn functie als ambtenaar.”
6 Artikel 86, lid 3, van het Statuut luidt:
„De tuchtmaatregelen en ‑procedures en de maatregelen en de procedures betreffende het administratief onderzoek staan in bijlage IX.”
7 Bijlage IX bij het Statuut betreft de tuchtprocedure. Artikel 5 van bijlage IX bepaalt:
„1. In elke instelling wordt een tuchtraad, hierna ‚de raad’ genoemd, ingesteld. In de raad heeft ten minste een van buiten de instelling gekozen lid zitting, die voorzitter kan zijn.
2. De raad is samengesteld uit een voorzitter en vier permanente leden, die elk door een plaatsvervanger kunnen worden vervangen; voor zaken betreffende ambtenaren in een rang tot en met AD 13 vergadert de raad met twee extra leden, die tot dezelfde functiegroep en dezelfde rang behoren als de ambtenaar tegen wie de betrokken tuchtprocedure loopt.
3. De permanente leden van de raad en hun plaatsvervangers worden voor alle andere gevallen dan die betreffende de ambtenaren in de rang AD 16 of AD 15, gekozen uit de ambtenaren in actieve dienst die ten minste in de rang AD 14 zijn ingedeeld.
[...]”
8 Artikel 6 van bijlage IX bij het Statuut luidt:
„1. Het tot aanstelling bevoegde gezag en het personeelscomité benoemen elk, tegelijkertijd, twee permanente leden en twee plaatsvervangers.
2. De voorzitter en zijn plaatsvervanger worden benoemd door het tot aanstelling bevoegde gezag.
[...]
5. Binnen vijf dagen na de samenstelling van de raad kan de betrokken ambtenaar eenmaal een van de leden van de raad wraken. Ook de instelling mag één van de 13 leden van de raad wraken.
[...]”
9 Artikel 10 van bijlage IX bij het Statuut bepaalt:
„De opgelegde tuchtmaatregel moet in verhouding staan tot de ernst van de begane fout. Bij het bepalen van de ernst van de begane fout en van de te treffen tuchtmaatregel wordt in het bijzonder rekening gehouden met:
a) de aard van de fout en met de omstandigheden waarin de fout is gemaakt;
b) de mate waarin ten gevolge van de begane fout schade is toegebracht aan de integriteit, de reputatie en de belangen van de instellingen;
c) de mate waarin bij het begaan van de fout sprake was van opzet of nalatigheid;
d) de redenen die de ambtenaar ertoe hebben gebracht de fout te begaan;
e) de rang en de anciënniteit van de ambtenaar;
f) de mate waarin de ambtenaar persoonlijk verantwoordelijk is;
g) het niveau van de taken en verantwoordelijkheden van de ambtenaar;
h) de vraag of er sprake is van recidive;
i) het gedrag van de ambtenaar gedurende zijn loopbaan tot dusver.”
10 Artikel 18 van bijlage IX bij het Statuut luidt:
„Na kennisneming van de hem voorgelegde bescheiden en rekening houdende met de eventuele schriftelijke of mondelinge verklaringen alsmede met de resultaten van het eventuele onderzoek, brengt de raad met meerderheid van stemmen een met redenen omkleed advies uit over de vraag of de ten laste gelegde feiten inderdaad bestaan en, in voorkomend geval, over de tuchtmaatregel die naar zijn oordeel naar aanleiding van de ten laste gelegde feiten moet worden opgelegd. Dit advies wordt door alle leden van de raad ondertekend. Elk lid van de raad mag daaraan een afwijkende mening toevoegen. Het advies wordt binnen twee maanden na de datum waarop het rapport van het tot aanstelling bevoegde gezag is ontvangen, naar het tot aanstelling bevoegde gezag en naar de ambtenaar doorgestuurd voor zover deze termijn in overeenstemming is met de complexiteit van het dossier. Als een onderzoek is ingesteld op initiatief van de raad, bedraagt de termijn vier maanden voor zover deze termijn in overeenstemming is met de complexiteit van het dossier.”
11 Artikel 23 van bijlage IX bij het Statuut bepaalt:
„1. Indien het tot aanstelling bevoegde gezag de ambtenaar grove schuld ten laste legt, bestaande in een verzuim van zijn ambtelijke plichten of in een inbreuk op het gemene recht, kan de ambtenaar op ieder moment door genoemd gezag voor bepaalde of onbepaalde duur worden geschorst.
2. Het tot aanstelling bevoegde gezag neemt dat besluit na de betrokken ambtenaar te hebben gehoord, behalve in uitzonderlijk omstandigheden.”
12 Artikel 25 van bijlage IX bij het Statuut luidt:
„Indien tegen de ambtenaar naar aanleiding van dezelfde feiten een strafrechtelijke vervolging is ingesteld, wordt zijn positie pas definitief geregeld nadat de rechterlijke beslissing onherroepelijk is geworden.”
13 Artikel 2, lid 3, van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB L 39, blz. 40), bepaalt:
„Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de bepalingen betreffende de bescherming van de vrouw, met name voor wat zwangerschap en moederschap betreft.”
14 Richtlijn 76/207 is met ingang van 15 augustus 2009 ingetrokken bij richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (herschikking) (PB L 204, blz. 23), waarvan artikel 1, „Doel”, luidt:
„Doel van deze richtlijn is het verzekeren van de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep.
Daartoe worden bepalingen vastgesteld betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling op:
a) de toegang tot het arbeidsproces, met inbegrip van promotie, en tot beroepsopleiding;
b) arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van beloning;
c) ondernemings‑ en sectorale regelingen inzake sociale zekerheid.
Deze richtlijn omvat ook bepalingen die beogen dat dit beginsel door de vaststelling van passende procedures effectiever wordt toegepast.”
15 Artikel 2, lid 2, van richtlijn 2006/54 bepaalt:
„Voor de toepassing van deze richtlijn omvat discriminatie:
[...]
c) elke minder gunstige behandeling van een vrouw in samenhang met zwangerschap of bevallingsverlof in de zin van richtlijn 92/85/EEG.”
16 Artikel 10, „Ontslagverbod”, van richtlijn 92/85/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie (tiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn 89/391/EEG) (PB L 348, blz. 1) luidt:
„Teneinde werkneemsters in de zin van artikel 2 te waarborgen dat zij de in het onderhavige artikel erkende rechten inzake de bescherming van hun veiligheid en gezondheid kunnen doen gelden, wordt het volgende bepaald:
1) de lidstaten nemen de nodige maatregelen om ontslag van werkneemsters in de zin van artikel 2 te verbieden gedurende de periode vanaf het begin van hun zwangerschap tot het einde van het in artikel 8, lid 1, bedoelde zwangerschapsverlof, behalve in uitzonderingsgevallen die geen verband houden met hun toestand en overeenkomstig de nationale wetten en/of praktijken zijn toegestaan en, in voorkomend geval, voor zover de bevoegde instantie hiermee heeft ingestemd;
2) wanneer een werkneemster in de zin van artikel 2 wordt ontslagen gedurende de in punt 1 bedoelde periode, dient de werkgever schriftelijk gegronde redenen op te geven voor het ontslag;
[...]”
Feiten van het geding
17 Nadat verzoekster sinds 2002 als tijdelijk functionaris en vervolgens als ambtenaar in de functiegroep assistenten (AST) bij de Europese Ombudsman had gewerkt, heeft zij tussen 1 oktober 2008 en 31 juli 2010 in de functiegroep administrateurs (AD) de functie uitgeoefend van verantwoordelijke voor de communicatie binnen de eenheid „Communicatie” van de diensten van de Ombudsman, met de rang AD 5.
18 Ter terechtzitting heeft verzoekster gepreciseerd dat zij ten tijde van de feiten eigenaar was van een huis te Kehl (Duitsland), dat haar echtgenoot en zij nooit als hoofdverblijf hadden gebruikt, en dat zij in 2006 een appartement te Straatsburg (Frankrijk) had gekocht, dat sindsdien te koop stond.
19 Eind februari 2008 heeft zij een dossier aangelegd bij een coöperatieve vennootschap voor projectontwikkeling (hierna: „coöperatieve vennootschap”) teneinde een woning te Straatsburg te kopen met behulp van overheidssteun die in Frankrijk werd aangeboden aan gezinnen met bescheiden inkomens die in aanmerking kwamen om voor het eerst eigenaar van hun woning te worden. Ter aanvulling van haar dossier heeft zij de coöperatieve vennootschap twee verklaringen van inkomsten van 27 februari 2008 gegeven, die betrekking hadden op de jaren 2006 en 2007.
20 Bij brief van 24 maart 2009 heeft de coöperatieve vennootschap verzoekster gevraagd om haar belangstelling voor de aankoop van de woning te bevestigen en om haar bepaalde informatie te verstrekken.
21 In juli 2009 heeft de coöperatieve vennootschap verzoekster – met het oog op de validatie van haar dossier – gevraagd om haar eigen salarisafrekeningen en die van haar echtgenoot toe te sturen.
22 Verzoekster heeft daarop salarisafrekeningen over de maanden april, mei, juni en juli 2009 toegezonden (hierna: „salarisafrekeningen”) alsmede informatie over de inkomsten van haar echtgenoot.
23 Op 3 augustus 2009 heeft de coöperatieve vennootschap contact opgenomen met het hoofd van de eenheid „Administratie en personeelszaken” van de diensten van de Ombudsman teneinde opheldering te verkrijgen over de vraag in hoeverre de door de ambtenaren van de Europese Unie ontvangen salarissen in aanmerking werden genomen bij de toekenning van een hypotheek met behulp van overheidssteun alsmede over de door verzoekster toegezonden salarisafrekeningen. Op verzoek van de diensten van de Ombudsman heeft de coöperatieve vennootschap op 7 augustus 2009 een kopie van die salarisafrekeningen aan deze diensten toegezonden.
24 Na ontvangst van de salarisafrekeningen heeft de eenheid „Administratie en personeelszaken” vastgesteld dat deze zodanig waren gewijzigd dat het werkelijke inkomen van de betrokkene was verminderd. Zo vermeldden de salarisafrekeningen van april, mei en juni 2009 een nettosalaris van 2 410,36 EUR in plaats van 5 822,43 EUR, en de salarisafrekening van juli 2009 een nettosalaris van 5 711,32 EUR in plaats van 9 123,39 EUR.
25 Op 10 augustus 2009 heeft het hoofd van de eenheid „Administratie en personeelszaken” een e-mail aan de coöperatieve vennootschap gezonden teneinde haar te melden dat hij niet kon aangeven welke bedragen op grond van de Franse wet in aanmerking moesten worden genomen en dat hij ernstige onjuistheden had ontdekt in de door verzoekster overgelegde salarisafrekeningen.
26 Op 11 augustus 2009 heeft het hoofd van de eenheid „Administratie en personeelszaken” voorgesteld om een administratief onderzoek in te stellen naar de „mogelijke vervalsing van officiële documenten van de Ombudsman [...] en het gebruik [ervan] tegenover een derde met het oog op persoonlijk gewin”.
27 Op 17 augustus 2009 heeft de coöperatieve vennootschap het hoofd van de eenheid „Administratie en personeelszaken” meegedeeld dat zij van plan was om verzoekster te vragen, haar een verklaring over het fiscale referentie-inkomen voor 2008 te doen toekomen.
28 Op 25 augustus 2009 heeft verzoekster de diensten van de Ombudsman gevraagd, haar de door de coöperatieve vennootschap gevraagde verklaring te geven alsmede een andere verklaring in het Duits. Diezelfde dag heeft het hoofd van de eenheid „Administratie en personeelszaken” haar laten weten dat het niet mogelijk was om haar onmiddellijk de verklaring voor 2008 te geven, maar dat hij haar de verklaring in het Duits had toegezonden.
29 Op 26 augustus 2009 heeft verzoekster de coöperatieve vennootschap een document genaamd „Verklaring” van de eenheid „Administratie [en personeelszaken]” overgelegd betreffende het belastbare inkomen voor 2008 op papier met briefhoofd van de Europese Ombudsman.
30 De coöperatieve vennootschap heeft deze verklaring aan de eenheid „Administratie en personeelszaken” gezonden die heeft vastgesteld dat het betrokken document niet door die eenheid was opgesteld. Die verklaring vermeldde onder meer het referentienummer van de Duitstalige verklaring die verzoekster op 25 augustus 2009 was afgegeven.
31 Op 2 september 2009 heeft de Ombudsman besloten om een administratief onderzoek in te stellen, de procureur van de Franse Republiek op de hoogte te stellen van de betrokken feiten en verzoekster voor onbepaalde tijd te schorsen, zonder salarisvermindering. Verzoekster is diezelfde dag hiervan op de hoogte gesteld.
32 Op 3 september 2009 is verzoekster voor het eerst gehoord in het kader van het administratief onderzoek. Tijdens dit verhoor heeft zij toegegeven dat zijzelf de vier salarisafrekeningen en de verklaring van inkomsten voor 2008 had vervalst. Bovendien heeft zij de onderzoekers meegedeeld dat zij zwanger was, heeft zij geantwoord op de haar gestelde vragen en heeft zij hun een met de hand geschreven brief overhandigd waarin zij verklaarde dat zij de haar verweten feiten niet ontkende, doch dat zij uitleg wilde geven. Zij heeft onder meer verklaard „dwaas” te hebben gehandeld en dit te hebben gedaan om „een einde te maken aan een absoluut ondraaglijke gezinssituatie”, namelijk het probleem om een hypotheek te krijgen als gevolg van de ernstige ziekte van haar echtgenoot.
33 Op 18 september 2009 hebben de onderzoekers hun conclusies over de aan verzoekster verweten feiten verzonden. Verzoekster heeft op 22 september 2009 aanvullende opmerkingen gemaakt waarin zij met name preciseerde dat zij begin juli 2009 had ontdekt dat zij zwanger was en uit paniek had gehandeld, omdat zij vreesde dat haar dossier bij de coöperatieve vennootschap niet zou worden aanvaard.
34 Bij schrijven van 24 september 2009 hebben de onderzoekers het rapport van het administratief onderzoek aan de Ombudsman gezonden. In dit rapport concludeerden zij dat verzoekster documenten had vervalst en deze aan de coöperatieve vennootschap had gezonden ter ondersteuning van een aanvraag die, indien deze werd toegewezen, haar aanspraak zou hebben gegeven op een hypotheek tegen voorwaarden die volgens de Franse wet waren voorbehouden aan gezinnen met bescheiden inkomsten. De onderzoekers deden daarom de aanbeveling, een tuchtprocedure in te leiden.
35 Op 23 oktober 2009 is verzoekster door de Ombudsman gehoord in het kader van het voorafgaande verhoor voorzien in artikel 3 van bijlage IX bij het Statuut.
36 Op 20 november 2009 heeft de Ombudsman besloten een tuchtprocedure in te leiden. Gelet op verzoeksters zwangerschap en na advies van de raadgevend arts van de instelling, heeft hij op 18 januari 2010 echter besloten om de met de tuchtprocedure verband houdende handelingen uit te stellen tot een datum na verzoeksters bevalling.
37 Op 19 mei 2010 heeft de Ombudsman de tuchtraad ingeschakeld, die verzoekster op 8 juli 2010 heeft gehoord.
38 Op 9 juli 2010 heeft de tuchtraad een met redenen omkleed advies uitgebracht, waarin hij tot de conclusie kwam dat de gelaakte feiten bewezen waren en door verzoekster waren erkend.
39 Wat de voorgestelde sanctie betrof, zette de tuchtraad zijn standpunt als volgt uiteen:
„– de gelaakte feiten doen afbreuk aan de waardigheid van de door [verzoekster] uitgeoefende functie, met name in het kader van de integriteitswaarde verbonden met de instelling waarvoor zij werkzaam is, en vormen ernstige schendingen van artikel 12 van het Statuut [...],
– de opzet van de gelaakte feiten en de aansprakelijkheid [van de] ambtenaar staan zonder meer vast,
– de ambtenaar oefent taken uit die een hoog niveau van verantwoordelijkheid meebrengen,
– er is ten aanzien van de gelaakte feiten geen sprake van recidive,
– de ambtenaar heeft gedurende haar loopbaan goede beoordelingsrapporten gekregen.”
40 Gelet op deze elementen, heeft de meerderheid van de tuchtraad als sanctie voorgesteld: „terugzetting van de betrokkene in een lagere functiegroep (AST 1, salarisschaal 1)”. Een minderheid van de tuchtraad was echter van mening dat tuchtrechtelijk ontslag de juiste sanctie was.
41 In zijn besluit van 20 juli 2010, dat verzoekster is betekend op 22 juli 2010, heeft de Ombudsman beslist om verzoekster met ingang van 31 juli 2010 tuchtrechtelijk te ontslaan zonder verlies van pensioenrechten (hierna: „bestreden besluit”).
42 Op 21 oktober 2010 heeft verzoekster uit hoofde van artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht ingediend tegen het besluit van 20 juli 2010.
43 Bij besluit van 18 januari 2011, dat de betrokkene is betekend op 24 januari 2011, heeft de Ombudsman de klacht afgewezen.
Conclusies van partijen en procesverloop
44 Verzoekster vraagt het Gerecht:
– het besluit van 20 juli 2010 nietig te verklaren;
– voor zover nodig, het op 24 januari 2011 betekende besluit van 18 januari 2011 tot uitdrukkelijke afwijzing van haar klacht nietig te verklaren;
dientengevolge:
– primair, vast te stellen dat de nietigverklaring van het bestreden besluit leidt tot haar herplaatsing, met terugwerkende kracht tot de datum van inwerkingtreding van dat besluit, in haar post van administrateur van de rang AD 5, salaristrap 2, alsmede tot betaling van alle financiële rechten die haar over die gehele periode verschuldigd zijn, te vermeerderen met vertragingsrente tegen het tarief van de Europese Centrale Bank, vermeerderd met 2 punten;
– subsidiair, de Ombudsman te veroordelen tot betaling van een bedrag overeenkomende met de bezoldiging die zij zou hebben ontvangen vanaf de datum van inwerkingtreding van haar tuchtrechtelijk ontslag tot en met de maand waarin zij de pensioenleeftijd zal bereiken, namelijk in juli 2040, alsmede tot betaling van haar pensioenrechten;
– in elk geval, de Ombudsman te veroordelen tot betaling van een bedrag van 65 000 EUR ter vergoeding van de immateriële schade die verzoekster heeft geleden;
– de Ombudsman te verwijzen in alle kosten.
45 De Ombudsman vraagt het Gerecht:
– het beroep in zijn geheel niet-ontvankelijk te verklaren;
– verzoekster te verwijzen in de kosten.
46 In zijn rapport ter voorbereiding van de terechtzitting, dat bij schrijven van 15 december 2011 is toegezonden, heeft het Gerecht partijen gevraagd om te antwoorden op maatregelen tot organisatie van de procesgang, hetgeen zij binnen de gestelde termijn hebben gedaan. Verzoekster heeft het Gerecht echter meegedeeld dat zij geen kopie kon overleggen van het informatieblad dat bij het verzoek van de coöperatieve vennootschap van 24 maart 2009 was gevoegd.
In rechte
1. Voorwerp van het beroep
47 Afgezien van de nietigverklaring van het besluit van 20 juli 2010, vraagt verzoekster om nietigverklaring, voor zover nodig, van het besluit van 18 januari 2011 waarbij het tot aanstelling bevoegde gezag (hierna: „TABG”) haar klacht heeft afgewezen.
48 Volgens vaste rechtspraak heeft een vordering tot nietigverklaring die formeel is gericht tegen het besluit tot afwijzing van een klacht tot gevolg dat bij het Gerecht beroep wordt ingesteld tegen het besluit waartegen de klacht is ingediend, wanneer dat besluit als zodanig geen zelfstandige inhoud heeft (zie in die zin arrest Hof van 17 januari 1989, Vainker/Parlement, 293/87, punt 8). Daar het besluit tot afwijzing van de klacht in casu geen zelfstandige inhoud heeft, moet ervan worden uitgegaan dat het beroep alleen is gericht tegen het bestreden besluit.
49 Bovendien is het niet aan het Gerecht om in het kader van een krachtens artikel 91 van het Statuut ingesteld beroep bevelen tot de instellingen van de Unie te richten (zie bijvoorbeeld arresten Gerecht van 24 februari 2010, P/Parlement, F‑89/08, punt 120, en 14 september 2010, Da Silva Pinto Branco/Hof van Justitie, F‑52/09, punt 31). De vordering strekkende tot vaststelling door het Gerecht dat de nietigverklaring van het bestreden besluit leidt tot verzoeksters herplaatsing, met terugwerkende kracht tot de datum van inwerkingtreding van dat besluit, in haar post van administrateur van de rang AD 5, salaristrap 2, moet derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.
2. Vordering tot nietigverklaring
50 Ter onderbouwing van haar vordering tot nietigverklaring voert verzoekster vijf middelen aan, respectievelijk ontleend aan schending van de in het Statuut opgenomen tuchtprocedure, niet-nakoming van de motiveringsplicht, kennelijke beoordelingsfout, schending van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen en van het recht op zwangerschapsverlof alsmede niet-nakoming van de zorgplicht en schending van het recht op behoorlijk bestuur.
51 Bovendien werpt zij in haar stukken een vraag op over de rol van de Ombudsman in de tuchtprocedure, gelet op de beginselen van gelijkheid van wapens van partijen en van een eerlijk proces. Ervan uitgaande dat verzoekster hiermee een middel ter onderbouwing van haar vordering tot nietigverklaring heeft willen aanvoeren, moet worden vastgesteld dat een dergelijk middel, dat in strijd met de regel van artikel 35, lid 1, sub e, van het Reglement voor de procesvoering niet wordt gestaafd door enig argument, niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Eerste middel: schending van de in het Statuut voorziene tuchtprocedure
52 Het middel ontleend aan schending van de in het Statuut voorziene tuchtprocedure is gebaseerd op drie onderdelen, die verband houden met de schending van artikel 25 respectievelijk artikel 23 en de artikelen 5 en 6 van bijlage IX bij het Statuut.
Eerste onderdeel van het eerste middel: het bestaan van strafrechtelijke vervolging naar aanleiding van dezelfde feiten
– Argumenten van partijen
53 Verzoekster stelt dat de Ombudsman een eindbesluit heeft genomen zonder de conclusie van de tegen haar ingestelde strafvervolging af te wachten, hetgeen in strijd is met artikel 25 van bijlage IX bij het Statuut.
54 Volgens de Ombudsman moet het in artikel 25 van bijlage IX bij het Statuut gebezigde begrip „strafrechtelijke vervolging” worden beoordeeld in het licht van het nationale recht dat op de onderhavige zaak van toepassing is, dat wil zeggen in het licht van het Franse recht. In dit verband stelt hij dat er op het moment waarop het bestreden besluit is vastgesteld geen sprake was van „strafrechtelijke vervolging” in de zin van het Franse recht en vraagt hij het Gerecht om dit onderdeel van het eerste middel af te wijzen.
55 Ter terechtzitting heeft verzoekster betoogd dat aan artikel 25 van bijlage IX bij het Statuut een zelfstandige uitlegging moest worden gegeven en dat de verwijzing, in het verweerschrift van de Ombudsman, naar het Franse recht irrelevant was.
– Beoordeling door het Gerecht
56 Om te beginnen moet worden vastgesteld dat de grief ontleend aan schending van artikel 25 van bijlage IX bij het Statuut niet in de precontentieuze procedure is aangevoerd.
57 De Ombudsman heeft weliswaar geen middel van niet-ontvankelijkheid tegen verzoekster aangevoerd, doch de overeenstemming tussen de klacht en het beroep, waarvan de ontvankelijkheid van het beroep afhangt, vormt een vraag van openbare orde die de rechter ambtshalve moet onderzoeken (zie arrest Gerecht van 11 juli 2007, B/Commissie, F‑7/06, punt 26, en aangehaalde rechtspraak).
58 Deze regel kan alleen worden toegepast op gevallen waarin het beroep in rechte het voorwerp of de grond van de klacht wijzigt, waarbij het begrip „grond” ruim moet worden uitgelegd. Meer bepaald moet bij een vordering tot nietigverklaring onder „grond van de zaak” worden verstaan, de betwisting door de verzoeker van de interne wettigheid van het bestreden besluit dan wel de betwisting van de externe wettigheid ervan, een onderscheid dat in de rechtspraak herhaaldelijk is erkend (zie arrest Gerecht van 1 juli 2010, Časta/Commissie, F‑40/09, punt 83, en aangehaalde rechtspraak).
59 In casu moet worden vastgesteld dat verzoekster in het stadium van de klacht een aantal argumenten heeft aangevoerd die verband houden met zowel de externe als de interne wettigheid van het bestreden besluit, namelijk de onregelmatigheid van de procedure van vaststelling van dat besluit, de materiële onjuistheid van de verweten feiten, niet-nakoming van de motiveringsplicht en schending van het evenredigheidsbeginsel. Dit betekent dat zij, door in het verzoekschrift het middel ontleend aan schending van artikel 25 van bijlage IX bij het Statuut aan te voeren, niet de regel van overeenstemming heeft miskend, zodat dit middel ontvankelijk is.
60 Ten gronde zij opgemerkt dat de in artikel 25 van bijlage IX bij het Statuut voorziene schorsing van de tuchtprocedure in afwachting van de afsluiting van de strafrechtelijke procedure, een dubbele bestaansreden heeft.
61 Enerzijds komt deze schorsing tegemoet aan de zorg om niet de positie van de betrokken ambtenaar te beïnvloeden in het kader van de strafvervolging die tegen hem is ingesteld naar aanleiding van feiten die ook het voorwerp van een tuchtprocedure binnen zijn instelling vormen (arrest Gerecht van eerste aanleg van 19 maart 1998, Tzoanos/Commissie, T‑74/96, punt 34).
62 Anderzijds maakt deze schorsing het mogelijk om in het kader van de tuchtprocedure rekening te houden met de feitelijke vaststellingen van de strafrechter wanneer diens beslissing definitief is geworden. Artikel 25 van bijlage IX bij het Statuut bevestigt immers het beginsel „le pénal tient le disciplinaire en l’état”, hetgeen met name gerechtvaardigd is wegens het feit dat de nationale strafrechtelijke instanties grotere opsporingsbevoegdheden hebben dan het TABG. Ingeval dezelfde feiten zowel een strafrechtelijk delict als een niet-nakoming van de statutaire verplichtingen van de ambtenaar kunnen opleveren, is de administratie derhalve gebonden aan de feitelijke vaststellingen van de strafrechter in de strafprocedure. Zodra deze laatste het bestaan van de feiten heeft vastgesteld, kan de administratie deze feiten vervolgens juridisch kwalificeren met betrekking tot het begrip tuchtrechtelijke fout, door met name te onderzoeken of deze feiten inbreuken op de statutaire verplichtingen opleveren (arrest Gerecht van eerste aanleg van 10 juni 2004, François/Commissie, T‑307/01, punt 75; arrest Gerecht van 13 januari 2010, A en G/Commissie, F‑124/05 en F‑96/06, punt 323).
63 Bovendien blijkt uit de relevante rechtspraak dat het aan de betrokken ambtenaar staat, het TABG de gegevens te verstrekken die het nodig heeft om te beoordelen of de feiten die hem in het kader van de tuchtprocedure ten laste worden gelegd, dezelfde zijn als die waarvoor daarnaast strafvervolging tegen hem is ingesteld. Om aan die verplichting te voldoen moet de betrokken ambtenaar in beginsel aantonen dat strafvervolging tegen hem is ingesteld terwijl tegen hem een tuchtprocedure aanhangig was. Het is immers alleen wanneer een dergelijke strafvervolging is ingesteld, dat de feiten waarop zij betrekking heeft kunnen worden vastgesteld en vergeleken met de feiten waarvoor de tuchtprocedure was ingeleid, teneinde uit te maken of het om dezelfde feiten gaat (zie arrest Gerecht van eerste aanleg van 30 mei 2002, Onidi/Commissie, T‑197/00, punt 81).
64 Derhalve dient het Gerecht eerst te beslissen of verzoekster in de omstandigheden van de onderhavige zaak heeft aangetoond dat op het moment waarop het bestreden besluit werd vastgesteld, „strafrechtelijke vervolging naar aanleiding van dezelfde feiten was ingesteld”.
65 Om te beginnen herinnert het Gerecht eraan dat volgens vaste rechtspraak de termen van een Unierechtelijke bepaling die voor de vaststelling van haar betekenis en draagwijdte niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, normaliter autonoom worden uitgelegd, waarbij rekening moet worden gehouden met de context van de bepaling en met het doel van de betrokken regeling (arrest Gerecht van eerste aanleg van 5 oktober 2009, Commissie/Roodhuijzen, T‑58/08, punt 70, en arrest Gerecht van de Europese Unie van 13 september 2011, Zangerl-Posselt/Commissie, T‑62/10 P, punt 41, en aangehaalde rechtspraak). Alleen wanneer de rechter van de Unie noch in het Unierecht noch in de algemene beginselen daarvan elementen vindt die hem in staat stellen de inhoud en draagwijdte van een bepaling door autonome uitlegging te preciseren, kan hij, zelfs wanneer een uitdrukkelijke verwijzing ontbreekt, voor de toepassing van het Unierecht verwijzen naar het recht van de lidstaten.
66 Uit deze rechtspraak volgt dat in de eerste plaats de relevante bepalingen van het Statuut moeten worden onderzocht (arrest Commissie/Roodhuijzen, reeds aangehaald, punt 71). De enige verwijzingen naar het begrip „strafrechtelijke vervolging” in het Statuut bevinden zich echter in de artikelen 24 en 25 van bijlage IX bij het Statuut, dat wil zeggen in de context van de tuchtprocedure, die geen enkele zinvolle aanwijzing over de inhoud van dit begrip geven. Vastgesteld moet dus worden dat het Statuut niet de inhoud van het begrip „strafrechtelijke vervolging” preciseert, in tegenstelling tot, bijvoorbeeld, het begrip „de ambtenaar die een geregistreerd partnerschap buiten het huwelijk heeft gesloten” voor de toekenning van de kostwinnerstoelage in de zaak Commissie/Roodhuijzen, dat werd gedefinieerd in artikel 1, lid 2, sub c, van bijlage VII bij het Statuut.
67 Met betrekking tot het Unierecht zij opgemerkt dat de wetgever verschillende handelingen heeft vastgesteld die voor de definitie van het begrip „strafprocedure” of die van meer specifiek „strafrechtelijke vervolging” hetzij uitdrukkelijk hetzij stilzwijgend verwijzen naar het nationale recht. Zo wordt het begrip „strafprocedure” in artikel 1, sub c, van kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad van 15 maart 2001 inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure, gedefinieerd als „strafprocedure in de zin van het toepasselijk nationaal recht” (PB L 82, blz. 1). Ook artikel 2 van richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures, geeft rechten aan personen die ervan worden „verdacht of beschuldigd een strafbaar feit te hebben begaan”, zonder autonome definities van deze begrippen te geven (PB L 142, blz. 1).
68 Het Gerecht leidt hieruit af dat het niet mogelijk is om in het recht van de Unie de elementen te ontdekken op grond waarvan het de inhoud en de draagwijdte van de in artikel 25 van bijlage IX bij het Statuut gebruikte bewoordingen „strafrechtelijke vervolging” aan de hand van een autonome uitlegging kan preciseren. In deze omstandigheden kan het Gerecht voor de toepassing van deze bepaling slechts verwijzen naar het recht van de lidstaten, in dit geval dat van de Franse Republiek, waarvan de strafrechtelijke instanties zich bevoegd achten voor de aan verzoekster ten laste gelegde feiten.
69 Dienaangaande blijkt uit het dossier dat op het moment waarop het bestreden besluit is vastgesteld een vooronderzoek gaande was naar feiten die werden aangemerkt als „vervalsing van officiële stukken van de Ombudsman [...] en gebruik tegenover derden met het oog op persoonlijk gewin”, maar dat geen gerechtelijk onderzoek was ingesteld en aan een onderzoeksrechter was toevertrouwd.
70 Voorts merkt het Gerecht op dat het begrip „strafrechtelijke vervolging” in Frans recht, aangezien het de instelling van strafvordering voor de toepassing van sancties impliceert, geen betrekking kan hebben op het bestaan van een vooronderzoek. Dit betekent dat er op het moment waarop het bestreden besluit werd vastgesteld in casu geen sprake was van de instelling van strafvervolging in de zin van het Franse recht.
71 Maar zelfs wanneer er geen sprake is van strafrechtelijke vervolging in de zin van het nationale recht moet de ambtenaar, wanneer naar hem een onderzoek is ingesteld dat tot strafrechtelijke vervolging kan leiden zoals in casu het geval is, de mogelijkheid worden gegeven om specifiek en gelet op de dubbele ratio van artikel 25 van bijlage IX bij het Statuut aan te tonen dat, ten eerste, het tuchtrechtelijke besluit van invloed kan zijn op zijn positie in een eventuele latere strafvervolging waartoe dat onderzoek kan leiden (zie arrest Tzoanos/Commissie, reeds aangehaald, punt 38) en, ten tweede, de administratie in het kader van de tuchtprocedure rekening heeft gehouden met door de verzoeker betwiste feiten voordat de strafrechter deze definitief heeft vastgesteld.
72 Dit is in casu niet het geval.
73 Vastgesteld zij immers dat verzoekster in haar beroep slechts heeft aangegeven dat niet was voldaan aan de voorwaarde van artikel 25 van bijlage IX bij het Statuut, zonder dat zij heeft getracht aan te tonen dat een besluit waarbij haar positie definitief werd bepaald van invloed kon zijn op haar positie in een eventuele latere strafvervolging waartoe het onderzoek dat op het moment van de tuchtprocedure gaande was kon leiden, welke strafvervolging betrekking zou hebben op dezelfde feiten.
74 Voorts merkt het Gerecht met betrekking tot het beginsel „le pénal tient le disciplinaire en l’état” op dat wanneer dit beginsel in onderzoeken moet worden toegepast zelfs voordat strafvervolging is ingesteld, het eng moet worden uitgelegd, omdat anders de tuchtprocedure elke zinvolle werking wordt ontnomen. Dat beginsel kan met name niet verhinderen dat de administratie een tuchtmaatregel neemt wanneer zij zich baseert op feiten die op het moment van vaststelling van haar besluit door de betrokken ambtenaar niet werden betwist.
75 In casu blijkt uit het dossier dat verzoekster alle aan het bestreden besluit ten grondslag liggende feiten – de wijziging van vier salarisafrekeningen en van een verklaring van inkomsten, de overlegging van die gewijzigde stukken aan derden in het kader van een verzoek om een banklening tegen een voordelige rente – herhaaldelijk heeft erkend en bevestigd in de loop van de procedure die tot het bestreden besluit heeft geleid. Bovendien probeert zij niet aan te tonen dat een Franse strafrechtelijke instantie die kan worden ingeschakeld na afloop van het naar haar ingestelde vooronderzoek feitelijke vaststellingen zou kunnen doen die op enige wijze de materiële onjuistheid van die feiten ter discussie kunnen stellen.
76 Toen verzoekster ter terechtzitting daarnaar werd gevraagd, heeft zij slechts verklaard dat een eventueel strafrechtelijk onderzoek opheldering zou kunnen verschaffen over bepaalde „onduidelijke gebieden”, zoals de voorwaarden waaronder de wijziging van de verklaring van inkomsten over 2008 had plaatsgevonden, het bestaan van haar belang bij de wijziging van de salarisafrekeningen en die verklaring alsmede het bestaan van persoonlijk gewin dat zij bij de aan haar verweten manipulaties zou hebben.
77 Uit het dossier blijkt echter dat de vragen betreffende haar eventuele belang bij de wijziging van de salarisafrekeningen en de verklaring van inkomsten en het persoonlijk gewin dat zij aan die wijziging had kunnen ontlenen, geen doorslaggevende elementen zijn geweest voor het besluit van de Ombudsman, die als verzwarende omstandigheid slechts rekening heeft gehouden met verzoeksters bedoeling om die stukken te gebruiken „in het kader van een aanvraag om verkrijging van een banklening tegen een voordelige rente, bestemd voor gezinnen met bescheiden inkomsten”, hetgeen verzoekster niet heeft betwist, en geen rekening heeft gehouden met haar alternatieve uitleg.
78 Uit het voorgaande volgt dat verzoekster, ook al was op het moment van vaststelling van het bestreden besluit nog geen strafrechtelijke vervolging tegen haar ingesteld, niet specifiek heeft aangetoond dat wanneer het onderzoek dat op het moment van vaststelling van het bestreden besluit gaande was zou leiden tot strafrechtelijke vervolging wegens dezelfde feiten, het tuchtrechtelijke besluit een nadelige invloed kon hebben op haar positie in een eventuele strafprocedure noch dat de administratie rekening heeft gehouden met andere feiten dan die welke verzoekster had toegegeven.
79 Het eerste onderdeel van het eerste middel moet derhalve ongegrond worden verklaard.
Tweede onderdeel van het eerste middel: procedurefout bij de vaststelling van het schorsingsbesluit
– Argumenten van partijen
80 Verzoekster stelt dat het besluit om haar te schorsen is genomen in strijd met artikel 23 van bijlage IX bij het Statuut, aangezien zij vóór de vaststelling van dat besluit niet was gehoord.
81 De Ombudsman brengt hiertegen in dat het besluit om verzoekster te schorsen was genomen zonder haar te horen, maar met eerbiediging van de bepalingen van artikel 23 van bijlage IX bij het Statuut, dat in buitengewone omstandigheden in die mogelijkheid voorziet. Maar zelfs al is er bij de vaststelling van het schorsingsbesluit sprake geweest van een procedurefout, dan nog heeft deze geen invloed gehad op het bestreden besluit.
– Beoordeling door het Gerecht
82 Het is vaste rechtspraak dat een besluit om een ambtenaar te schorsen een bezwarend besluit vormt waartegen onder de in de artikelen 90 en 91 van het Statuut voorziene voorwaarden een beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld (arrest Gerecht van eerste aanleg van 19 mei 1999, Connolly/Commissie, T‑203/95, punt 33).
83 Een dergelijk besluit vormt echter geen noodzakelijke procedurele handeling ter voorbereiding van het eindbesluit waarbij een uitspraak wordt gedaan over de op te leggen sanctie, maar een zelfstandig besluit dat het TABG kan nemen en waarvan de toepassing afhangt van de stelling dat een ernstige fout is gemaakt (zie arrest Connolly/Commissie, reeds aangehaald, punt 36, en arrest Gerecht van eerste aanleg van 16 december 2004, De Nicola/EIB, T‑120/01 en T‑300/01, punt 113). Dit betekent dat een eventuele onwettigheid van het schorsingsbesluit geen enkele invloed heeft op de geldigheid van het bestreden besluit.
84 Het tweede onderdeel van het eerste middel kan derhalve niet slagen, zodat het moet worden afgewezen.
Derde onderdeel van het eerste middel: onregelmatige samenstelling van de tuchtraad
– Argumenten van partijen
85 Verzoekster stelt dat een tuchtraad die uitsluitend bestaat uit leden van buiten de instelling, zoals de door de Ombudsman ingeschakelde tuchtraad, was samengesteld in strijd met de artikelen 5 en 6 van bijlage IX bij het Statuut.
86 De Ombudsman vraagt het Gerecht om het derde onderdeel van het eerste middel af te wijzen.
– Beoordeling door het Gerecht
87 Vastgesteld zij dat artikel 5, lid 1, van bijlage IX bij het Statuut, dat slechts bepaalt dat ten minste één lid van de tuchtraad van buiten de betrokken instelling moet worden gekozen, op geen enkele wijze verbiedt dat de meerderheid of zelfs alle leden van de tuchtraad van buiten de instelling kunnen worden gekozen.
88 Een uitlegging van deze bepaling die tot gevolg zou hebben dat het verboden werd om een tuchtraad te vormen die uitsluitend bestaat uit leden van buiten de betrokken instelling, vindt niet alleen geen enkele steun in de tekst, maar zou ook tot gevolg hebben dat, zoals de Ombudsman in zijn verweerschrift terecht heeft gesteld, het voor instellingen of organen die niet voldoende ambtenaren hebben met de rang die de artikelen 5 en 6 van bijlage IX bij het Statuut voor de leden van een tuchtraad verlangen, onmogelijk zou zijn om die raad samen te stellen.
89 Bijgevolg moet het derde onderdeel van het eerste middel ongegrond worden verklaard.
90 Uit het voorgaande volgt dat het eerste middel in zijn geheel moet worden afgewezen.
Tweede middel: niet-nakoming van de motiveringsplicht
Argumenten van partijen
91 Verzoekster is van mening dat noch het advies van de tuchtraad noch het besluit tot tuchtrechtelijk ontslag aan het motiveringsvereiste voldoet.
92 Ten eerste stelt zij de beknoptheid van het advies van de tuchtraad aan de orde, dat op geen enkele wijze zou uiteenzetten hoe en waarom de haar ten laste gelegde feiten afbreuk doen aan de waardigheid van de uitgeoefende functie. Voorts betwist zij de stelling van de tuchtraad dat zij taken uitoefende met een hoog verantwoordelijkheidsniveau en herinnert zij eraan dat zij een ambtenaar was met de laagste rang van de functiegroep AD.
93 Ten tweede is zij van mening dat het besluit tot tuchtrechtelijk ontslag niet aan de motiveringseisen voldoet, ofschoon het afwijkt van het advies van de tuchtraad.
94 De Ombudsman onderzoekt in het bestreden besluit „niet de echtheid van de verweten feiten”, maar stelt slechts een lijst van verzwarende of verzachtende elementen op die op een „stijlfiguur” lijken en legt niet uit waarom de sanctie van tuchtrechtelijk ontslag gepaster zou zijn dan de door de tuchtraad voorgestelde terugzetting in rang.
95 De Ombudsman is van mening dat de tuchtraad en het TABG met de uiteenzetting van de relevante elementen hebben voldaan aan de motiveringsplicht en concludeert tot afwijzing van dit middel.
Beoordeling door het Gerecht
96 Volgens vaste rechtspraak heeft de verplichting om een bezwarend besluit te motiveren tot doel, de rechter in staat te stellen toezicht uit te oefenen op de wettigheid van het besluit, en de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om vast te stellen of het besluit gegrond is (zie arrest Gerecht van eerste aanleg van 19 mei 1999, Connolly/Commissie, T‑34/96 en T‑163/96, punt 93, en aangehaalde rechtspraak).
97 De vraag of de motivering van het besluit van het TABG om een sanctie op te leggen voldoet aan deze vereisten moet niet alleen worden beoordeeld aan de hand van de bewoordingen ervan, maar eveneens aan de hand van zijn context en alle rechtsregels die de betrokken materie regelen. Ofschoon de tuchtraad en het TABG gehouden zijn om alle elementen feitelijk en rechtens te vermelden waarvan de wettigheid van hun beslissingen en overwegingen afhangt, is niet vereist dat zij ingaan op alle punten feitelijk en rechtens die de betrokkene in de loop van de procedure heeft aangevoerd (arrest Gerecht van eerste aanleg van 5 december 2002, Stevens/Commissie, T‑277/01, punt 71, en aangehaalde rechtspraak).
98 Bovendien moet het besluit, wanneer de door het TABG opgelegde sanctie zwaarder is dan de door de tuchtraad voorgestelde sanctie, zoals in casu het geval is, uitvoerig ingaan op de redenen waarom het TABG is afgeweken van het advies van de tuchtraad (zie in die zin arrest Hof van 29 januari 1985, F./Commissie, 228/83, punt 35).
99 In het licht van deze beginselen moet worden onderzocht of het advies van de tuchtraad en het bestreden besluit naar behoren zijn gemotiveerd.
100 Wat de grief betreffende de beknoptheid van het advies van de tuchtraad betreft, merkt het Gerecht op dat dit advies inderdaad erg synthetisch is opgebouwd. De tuchtraad stelt echter vast dat de echtheid van de gelaakte feiten door verzoekster is erkend. Voorts geeft het advies een opsomming van de verzwarende en verzachtende omstandigheden ter onderbouwing van het voorstel voor verzoeksters terugzetting in rang, zodat het de controle door de rechter mogelijk maakt en de betrokkene de nodige aanwijzingen geeft om te bepalen of het besluit gegrond is. Deze grief moet derhalve worden afgewezen.
101 Ten aanzien van verzoeksters betwisting van het oordeel van de tuchtraad over het hoge verantwoordelijkheidsniveau van de door haar uitgeoefende taken, zij opgemerkt dat het hier om een kwestie gaat die onder het onderzoek ten gronde valt en niet om de vraag of de motivering al dan niet toereikend is. Deze kwestie zal dus hierna worden onderzocht in het kader van het derde middel betreffende de kennelijke beoordelingsfout.
102 Wat de motivering van het bestreden besluit betreft, zij opgemerkt dat deze melding maakt van verzoeksters arbeidspositie, van de „vervalsing van vier [salaris]afrekeningen” en van een verklaring, alsmede van het „gebruik van die vervalste stukken tegenover derden” in het kader van een aanvraag voor een banklening tegen een gunstige rente. Het besluit houdt voorts rekening met de omstandigheid dat verzoekster reeds bij het eerste verhoor voor de tuchtraad de echtheid van die feiten heeft erkend en deze in de gehele procedure nooit heeft betwist. Ten slotte zet de Ombudsman uiteen waarom de aan haar ten laste gelegde feiten en haar latere gedrag „het behoud of zelfs het herstel van de institutionele, beroepsmatige en persoonlijke vertrouwensband tussen de Ombudsman en [verzoekster] onmogelijk maken” en dat haar handhaving in een openbare functie, gelet op de ernst van haar gedraging en van haar handelingen, in ernstige mate afbreuk zou doen aan het imago daarvan en zeer negatieve gevolgen zou hebben voor het moreel gezag van de Ombudsman.
103 Een dergelijke motivering vormt geen holle frase, maar geeft een precisering van concrete, tegen verzoekster aangevoerde feiten en van de overwegingen die voor het TABG aanleiding zijn geweest om te kiezen voor de sanctie van tuchtrechtelijk ontslag, en niet voor terugzetting in rang. Die motivering geeft de betrokkenen de nodige aanwijzingen om te bepalen of het bestreden besluit gegrond is en biedt het Gerecht de mogelijkheid om zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen.
104 Gelet op deze elementen, kunnen de motivering van het advies van de tuchtraad en die van het bestreden besluit niet als ontoereikend worden aangemerkt.
105 Derhalve moet het tweede middel ongegrond worden verklaard.
Derde middel: kennelijke beoordelingsfout
106 Het derde middel bestaat uit twee onderdelen, materiële onjuistheid van de in aanmerking genomen feiten respectievelijk kennelijke schending van het evenredigheidsbeginsel.
Eerste onderdeel van het derde middel: materiële onjuistheid van de in aanmerking genomen feiten
– Argumenten van partijen
107 Verzoekster is van mening dat de Ombudsman een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt, door zich op het standpunt te stellen dat zij met haar manipulaties „persoonlijk, sociaal gewin” wilde behalen, aldus de bewoordingen van het bestreden besluit. Bovendien is er volgens de Franse rechtspraak alleen sprake van een strafbare fout in de zin van artikel 441‑1 van het Franse wetboek van strafrecht voor zover het vervalste of gewijzigde stuk een ander actuele of eventuele schade kan opleveren, hetgeen in casu niet het geval is geweest.
108 De Ombudsman concludeert tot afwijzing van het eerste onderdeel van dit middel.
– Beoordeling door het Gerecht
109 Het Gerecht merkt op dat het besluit om de sanctie van tuchtrechtelijk ontslag toe te passen het gevolg is van het door verzoekster niet-betwiste feit dat zij verschillende officiële stukken heeft vervalst en tegenover derden heeft gebruikt. De materiële juistheid van deze feiten wordt door verzoekster dus niet ter discussie gesteld.
110 Het bestreden besluit verwijt verzoekster inderdaad dat zij „tegenover derden, met het oog op persoonlijk, sociaal gewin, gebruik heeft gemaakt van vervalste stukken”, doch het besluit is gebaseerd op het feit dat officiële stukken waren gewijzigd en tegenover derden waren gebruikt. Als verzwarende omstandigheid houdt het bestreden besluit immers rekening met verzoeksters bedoeling om die stukken te gebruiken „in het kader van een aanvraag voor een banklening tegen een voordelige rente bestemd voor gezinnen met bescheiden inkomens”. Verzoekster betwist deze omstandigheid niet, doch zij stelt slechts dat zij geen sociaal voordeel aan haar manipulaties heeft ontleend, zonder echter enig argument te noemen ten bewijze van het feit dat het bestreden besluit op dat doel was gebaseerd. Ten overvloede moet voorts worden vastgesteld dat het bestreden besluit gedetailleerd ingaat op de verschillende door verzoekster aangevoerde verklaringen en deze afwijst, en dat zij geen andere bevredigende verklaring voor haar handelingen heeft gegeven.
111 Voorts is de juridische kwalificatie van verzoeksters handelingen in het licht van het Franse strafrecht irrelevant, aangezien de Ombudsman de betwiste feiten heeft onderzocht uit het oogpunt van een tuchtrechtelijke fout en niet van een strafbaar feit.
112 In deze omstandigheden stelt het Gerecht vast dat verzoekster geen argument heeft aangevoerd ten bewijze van het feit dat het bestreden besluit met betrekking tot de echtheid van de aan haar verweten feiten een beoordelingsfout bevatte. Het eerste onderdeel van het derde middel moet derhalve worden afgewezen.
Tweede onderdeel van het derde middel: kennelijke schending van het evenredigheidsbeginsel
– Argumenten van partijen
113 Verzoekster is van mening dat het definitieve en onomkeerbare karakter van de opgelegde sanctie niet in verhouding staat tot de begane fout en de omstandigheden van de zaak en dat de Ombudsman de verzwarende en verzachtende omstandigheden onjuist heeft beoordeeld.
114 De Ombudsman vraagt het Gerecht om dit onderdeel van het derde middel af te wijzen.
– Beoordeling door het Gerecht
115 Volgens artikel 10 van bijlage IX bij het Statuut moet de opgelegde tuchtmaatregel in verhouding staan tot de ernst van de begane fout. Dat artikel noemt eveneens de criteria waarmee het TABG bij de keuze van de sanctie met name rekening moet houden.
116 De vaststelling van de sanctie is gebaseerd op een globale beoordeling door het TABG van de concrete feiten en omstandigheden van elk individueel geval, daar het Statuut niet voorziet in een vaste verhouding tussen de daarin genoemde sancties en de verschillende soorten verzuim van ambtenaren en niet preciseert in welke mate het bestaan van verzwarende of verzachtende omstandigheden een rol moet spelen bij de keuze van de sanctie.
117 Bovendien moet worden opgemerkt dat de eerbiediging van het beginsel van een doeltreffende bescherming in rechte, zoals neergelegd in artikel 47 van het Handvest, niet verhindert dat in een administratieve procedure eerst een sanctie door een administratief gezag wordt opgelegd. Het veronderstelt echter dat het besluit van een administratief gezag dat zelf niet aan de voorwaarden van dat artikel voldoet, zoals in casu het geval is bij het TABG, later wordt gecontroleerd door een „gerechtelijke instantie met volledige rechtsmacht (zie in die zin en naar analogie Europees Hof voor de Rechten van de Mens, arrest Albert en Le Compte/ België van 10 februari 1983, serie A, nr. 58, § 29; arresten Schmautzer, Umlauft, Gradinger, Pramstaller, Palaoro en Pfarrmeier/Oostenrijk van 23 oktober 1995, serie A, nr. 328 A‑C en 329 A‑C, respectievelijk §§ 34, 37, 42, 39, 41 en 38, en arrest Mérigaud/Frankrijk, nr. 32976/04, van 24 september 2009, § 68). Een gerechtelijke instantie kan alleen worden aangemerkt als „gerechtelijke instantie met volledige rechtsmacht”, wanneer zij met name bevoegd is om zich bezig te houden met alle vragen feitelijk en rechtens die relevant zijn voor het bij haar aanhangig geding (Europees Hof voor de Rechten van de Mens, arrest Chevrol/Frankrijk, nr. 49636/99, van 3 februari 2003, § 77 en aangehaalde rechtspraak, en arrest Silvester’s Horeca Service/België, nr. 47650/99, van 4 maart 2004, § 27), hetgeen impliceert dat zij in geval van een tuchtrechtelijke sanctie met name bevoegd is om de evenredigheid tussen de fout en de sanctie te beoordelen, zonder dat zij haar onderzoek beperkt tot kennelijke beoordelingsfouten of misbruik van bevoegdheid (arrest Gerecht van 15 mei 2012, Nijs/Rekenkamer, T‑184/11 P, punten 85 en 86).
118 In het kader van het in de punten 115 tot en met 117 van dit arrest omschreven rechtskader moet het Gerecht verzoeksters argumenten over een vermeende schending van het evenredigheidsbeginsel beoordelen, door te onderzoeken of er een evenredige afweging van de verzwarende en verzachtende omstandigheden door het TABG heeft plaatsgevonden.
119 In casu lijkt de betrokken sanctie niet onevenredig, aangezien verzoekster door de wijziging van officiële stukken ernstig afbreuk heeft gedaan aan de waardigheid van haar functie en de vertrouwensband met de Ombudsman definitief heeft verbroken. Bovendien kan aan de hand van geen enkel door verzoekster aangevoerd element worden vastgesteld dat de opgelegde sanctie niet in verhouding staat tot de haar verweten gedraging.
120 Verzoekster verwijt de Ombudsman in het bijzonder dat hij als verzwarende omstandigheden ten onrechte rekening heeft gehouden met de belangrijke functie die zij als voor de communicatie verantwoordelijke administrateur uitoefende, met de omstandigheid dat de verweten feiten zeer ernstige fouten vormden, met haar onvermogen en weigering om de feiten te erkennen, met de aanzienlijk schade die aan de reputatie van de Ombudsman is toegebracht en met de opzet.
121 Wat de door verzoekster gedragen verantwoordelijkheid betreft, moet eraan worden herinnerd dat zij, zoals de Ombudsman in zijn stukken terecht heeft opgemerkt, de enige administrateur binnen de eenheid „Communicatie” was. Bovendien blijkt uit de bij het beroep gevoegde beoordelingsrapporten dat zij daadwerkelijk belangrijke taken uitoefende op het gebied van openbare aanbesteding en beheer van openbare middelen. Verzoeksters ervaring in dienst van de Ombudsman en de belangrijke taken die haar waren toevertrouwd getuigen van het vertrouwen dat de Ombudsman in haar had en rechtvaardigen dat hij deze elementen als verzwarende omstandigheden in aanmerking heeft genomen (zie in die zin arrest Onidi/Commissie, reeds aangehaald, punt 146).
122 Met betrekking tot de kwalificatie van de feiten en de ernst van de fout stelt verzoekster slechts dat deze niet zodanig is dat zij daardoor haar rol als ambtenaar zou hebben geloochend, doch zij voert geen enkel argument aan dat afbreuk kan doen aan het oordeel van de Ombudsman dat het feit dat officiële stukken zijn gewijzigd en tegenover derden zijn gebruikt, een zeer ernstige fout vormt.
123 Met betrekking tot de grief betreffende „[verzoeksters] onvermogen en weigering om de feiten te erkennen” en de omstandigheid dat zij nooit excuses voor haar gedraging heeft aangeboden, merkt het Gerecht op dat de Ombudsman nooit heeft betwist dat verzoekster de feiten heeft erkend en dat hij in het bestreden besluit in feite „[verzoeksters] onvermogen en weigering om de ernst van de feiten te erkennen” aanmerkt als verzwarende omstandigheid. Ofschoon verzoekster tijdens het gesprek met de onderzoekers onmiddellijk had gezegd zich „bewust te zijn van de ernst van de feiten”, blijkt uit het dossier dat zij deze herhaaldelijk heeft getracht te bagatelliseren. Zo beklemtoonde zij tijdens het verhoor met de Ombudsman dat de coöperatieve vennootschap en het Openbaar Ministerie weinig belang hechtten aan het dossier. Bovendien protesteerde zij in de aanvullende toelichting van 3 november 2009 tegen de „bereidheid” van de Ombudsman „om te overdrijven en uiteindelijk het evenredigheidsbeginsel te schenden”. Ten slotte heeft zij de onderzoekers slechts haar excuus aangeboden „voor dit afschuwelijke en penibele ogenblik dat zij door deze situatie en [haar] handelingen moeten ondergaan”, maar heeft zij op geen enkel moment excuses gemaakt voor haar manipulaties. Derhalve kan de Ombudsman niet worden verweten dat hij als verzwarende omstandigheden rekening heeft gehouden met het feit dat verzoekster niet de ernst van de aan haar ten laste gelegde feiten had begrepen.
124 Verzoekster stelt dat de Ombudsman als verzwarende omstandigheid ten onrechte rekening heeft gehouden met de schade die haar handelingen aan zijn reputatie hebben toegebracht, aangezien het dossier vertrouwelijk is gebleven. Het Gerecht merkt echter op dat verzoekster zelf klaagt over de publiciteit die aan de zaak is gegeven en dat, zoals de Ombudsman in herinnering brengt, het dossier zeker bekend is bij de coöperatieve vennootschap en bij de Franse openbare instanties waaraan de Ombudsman de aan verzoekster ten laste gelegde feiten heeft gerapporteerd krachtens artikel 4, lid 2, van besluit 94/262/EGKS, EG, Euratom van het Europees Parlement van 9 maart 1994 inzake het statuut van de Europese ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van zijn ambt (PB L 113, blz. 15), zodat die grief niet kan slagen.
125 Ten slotte betwist verzoekster het door de Ombudsman in aanmerking genomen verwijt van opzet. Het volstaat echter eraan te herinneren dat niet wordt betwist dat verzoeksters gedrag zich uitstrekte over een periode van ongeveer twee maanden vanaf begin juli 2009 tot en met 26 augustus 2009, de datum waarop verzoekster de coöperatieve vennootschap de door haarzelf opgestelde verklaring van inkomsten heeft doen toekomen. Bovendien veronderstellen de door haar toegegeven handelingen uiteraard een zekere voorbereiding, hetgeen een „ondoordachte handeling”, zoals verzoekster stelt, uitsluit. Deze grief moet derhalve worden afgewezen.
126 Met betrekking tot de beoordeling van de verzachtende omstandigheden verwijt verzoekster de Ombudsman dat hij geen rekening heeft gehouden met de tegenspoed die zij persoonlijk en in haar gezin ondervond. Dat de Ombudsman deze argumenten heeft afgewezen, betekent echter niet dat hij ze niet in aanmerking heeft genomen.
127 Voorts verwijt zij de Ombudsman dat hij geen gevolgen heeft verbonden aan het feit dat er wat haar betreft geen sprake is geweest van recidive. Artikel 10, sub h, van bijlage IX bij het Statuut bepaalt dat het TABG bij het bepalen van de ernst van de fout rekening houdt met de vraag of er sprake is van recidive, zodat een eventuele recidive reden kan zijn voor een zwaardere sanctie. Het ontbreken van recidive kan echter geen verzachtende omstandigheid zijn, aangezien een ambtenaar zich in beginsel moet onthouden van elke handeling of gedraging die afbreuk kan doen aan de waardigheid van zijn ambt (zie in die zin arrest Gerecht van 30 november 2011, Quinn Barlo e.a./Commissie, T‑208/06, punten 255 en 264, volgens hetwelk het ontbreken van recidive op het gebied van de mededinging geen verzachtende omstandigheid kan vormen, waartegen hogere voorziening is ingesteld bij het Hof, zaak C‑70/12 P).
128 Verzoekster verwijt de Ombudsman dat hij haar private manipulaties heeft verward met haar beroepsmatige activiteiten, aangezien de begane fout geheel losstond van haar professionele taken. Deze grief moet echter worden afgewezen, daar de ambtenaar de waardigheid van zijn ambt niet alleen in acht dient te nemen op het bijzondere ogenblik waarop hij deze of gene specifieke taak verricht, maar in alle omstandigheden (arrest Hof van 6 maart 2001, Connolly/Commissie, C‑274/99 P, punten 79‑93 en 130; arrest Gerecht van eerste aanleg van 7 maart 1996, Williams/Rekenkamer, T‑146/94, punt 68).
129 Ten slotte verwijt verzoekster de Ombudsman dat hij als verzachtende omstandigheid geen rekening heeft gehouden met haar beoordelingsrapporten, waarin hij haar prestatie als uitmuntend had aangemerkt. Opgemerkt zij echter dat het TABG, ongeacht de beoordeling in verzoeksters beoordelingsrapporten en zelfs al heeft de Ombudsman in het bestreden besluit vastgesteld dat verzoeksters bekwaamheid en competentie zonder meer vaststonden, terecht heeft kunnen oordelen dat die omstandigheid, gelet op de ernst van de jegens verzoekster in aanmerking genomen feiten en haar rang en verantwoordelijkheden, de op te leggen sanctie niet kon verzachten (zie arrest Connolly/Commissie, T‑34/96 en T‑163/96, reeds aangehaald, punt 167).
130 Uit het voorgaande volgt dat dit middel in zijn geheel ongegrond moet worden verklaard.
Vierde middel: gelijke behandeling van mannen en vrouwen en recht op zwangerschapsverlof
Argumenten van partijen
131 Verzoekster is van mening dat het bestreden besluit, dat in werking is getreden ofschoon zij zwangerschapsverlof genoot, in strijd is met artikel 2, lid 3, van richtlijn 76/207 en artikel 10 van richtlijn 92/85.
132 De Ombudsman erkent weliswaar dat richtlijn 92/85 in beginsel van toepassing kan zijn, doch hij brengt hiertegen in dat artikel 10 van die richtlijn alleen het ontslag van een zwangere werkneemster verbiedt voor zover dat ontslag verband houdt met haar toestand en concludeert tot afwijzing van dit middel.
Beoordeling door het Gerecht
133 Met betrekking tot de vermeende schending van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen moet allereerst worden vastgesteld dat artikel 23 van het Handvest voorschrijft dat de gelijkheid van mannen en vrouwen moet worden gewaarborgd op alle gebieden, met inbegrip van werkgelegenheid, en dat het beginsel dat zwangere vrouwen niet mogen worden gediscrimineerd is neergelegd in artikel 2, lid 2, sub c, van richtlijn 2006/54 en in artikel 10 van richtlijn 92/85. Verzoeksters stukken moeten derhalve aldus worden opgevat dat zij verwijzen naar die bepalingen.
134 Het Gerecht herinnert eraan dat in de rechtspraak is erkend dat de gelijkheid moet worden verzekerd van de mannelijke en vrouwelijke werknemers die door de Unie zijn tewerkgesteld (arrest Gerecht van eerste aanleg van 28 januari 1992, Speybrouck/Parlement, T‑45/90, punt 48).
135 In casu heeft verzoekster geen enkel feit aangetoond waaruit het bestaan van een rechtstreekse of indirecte discriminatie kan worden afgeleid, en kan die discriminatie niet worden aangenomen op grond van het loutere feit dat de Ombudsman op de hoogte was van haar zwangerschap.
136 Bij gebreke van enig feit op grond waarvan kan worden aangenomen dat er sprake is geweest van een door verzoekster aangetoonde rechtstreekse of indirecte discriminatie, is het niet de taak van de Ombudsman om te bewijzen dat er geen sprake is geweest van schending van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen.
137 Met betrekking tot de vermeende schending van artikel 10 van richtlijn 92/85, zij opgemerkt dat artikel 1 sexies, lid 2, van het Statuut bepaalt dat ambtenaren in actieve dienst recht hebben op arbeidsomstandigheden die voldoen aan passende veiligheids‑ en gezondheidsnormen die ten minste gelijkwaardig zijn met de minimumvoorschriften die gelden op grond van maatregelen die krachtens de Verdragen op deze gebieden zijn vastgesteld.
138 Richtlijn 92/85 heeft echter tot doel, de werkomgeving te verbeteren door de bescherming van de gezondheid en de zekerheid van zwangere werkneemsters te verhogen. Deze richtlijn bindt de instellingen dus, aangezien zij zwangere werkneemsters in het kader van hun organisatieautonomie en binnen de grenzen van het Statuut een bescherming moeten verzekeren die gelijkwaardig is aan de door de richtlijn geboden minimumbescherming (zie arrest Gerecht van 30 april 2009, Aayhan e.a./Parlement, F‑65/07, punt 116).
139 Artikel 10 van richtlijn 92/85 kan echter niet aldus worden uitgelegd dat het in alle gevallen verbiedt om een zwangere werkneemster te ontslaan. Een besluit tot tuchtrechtelijk ontslag dat gedurende de periode vanaf het begin van de zwangerschap tot de afloop van het zwangerschapsverlof wordt genomen om redenen die geen verband houden met de zwangerschap, is daarentegen niet in strijd met voormeld artikel 10, op voorwaarde dat de werkgever schriftelijk gegronde redenen opgeeft voor het ontslag en het ontslag van de betrokkene wordt toegestaan door de betrokken nationale wettelijke regelingen en/of praktijken, overeenkomstig de bepalingen van artikel 10, punten 1 en 2, van die richtlijn (zie arrest Hof van 11 november 2010, Danosa, C‑232/09, punt 63).
140 Ten eerste blijkt uit het dossier echter duidelijk dat verzoeksters tuchtrechtelijk ontslag op geen enkele wijze verband houdt met haar zwangerschap. Voorts heeft zij noch in haar schriftelijke stukken noch in haar pleidooi ter terechtzitting gesteld dat het tuchtrechtelijk ontslag te wijten was aan haar zwangerschap.
141 Ten tweede heeft de Ombudsman in het bestreden besluit schriftelijk de gronden voor het ontslag gegeven.
142 Ten derde moet het Statuut, ofschoon het geen specifieke bepaling bevat waarin expliciet een uitzondering wordt gemaakt op het verbod van artikel 10 van de richtlijn, aldus worden uitgelegd dat het een dergelijke uitzondering toestaat in artikel 47, sub e, dat voorziet in de – inderdaad uitzonderlijke – mogelijkheid van definitieve beëindiging van de dienst van een functionaris in geval van een besluit tot tuchtrechtelijk ontslag, genomen na een tuchtprocedure.
143 Uit het voorgaande volgt dat dit middel ongegrond moet worden verklaard.
Vijfde middel: niet-nakoming van de zorgplicht en schending van het beginsel van behoorlijk bestuur
Argumenten van partijen
144 Verzoekster verwijt de Ombudsman dat hij heeft besloten tot 19 mei 2010 te wachten om een tuchtprocedure in te leiden, terwijl zij schriftelijk en met overlegging van een medisch attest van haar behandelend arts juist had gevraagd om de procedure zo snel mogelijk af te ronden, gelet op de gevolgen van de hierdoor ontstane stress voor haar zwangerschap. Bovendien is de procedure gevoerd terwijl zij zwanger en vervolgens net moeder was, hetgeen getuigt van een gebrek aan zorgvuldigheid van de Ombudsman.
145 De Ombudsman concludeert tot afwijzing van dit middel.
Beoordeling door het Gerecht
146 Uit het dossier blijkt dat verzoekster op 25 november 2009 contact heeft opgenomen met de Ombudsman teneinde hem op de hoogte te stellen van de stress die zij ondervond als gevolg van de lopende procedure en van het feit dat dit negatieve gevolgen voor haar zwangerschap kon hebben. Bij brief van 27 november 2009 heeft de Ombudsman verzoekster meegedeeld dat hij van plan was om de raadgevend arts te vragen, kennis te nemen van verzoeksters medische toestand teneinde hem eventuele maatregelen voor te stellen om de invloed van de tuchtprocedure op haar gezondheid en op die van haar ongeboren kind zo gering mogelijk te houden. Na het advies van de raadgevend arts van de instelling dat verzoeksters gezondheidstoestand fragiel was en een tuchtprocedure rampzalige gevolgen voor die toestand kon hebben, heeft de Ombudsman op 18 januari 2010 besloten om de met de tuchtprocedure verband houdende handelingen uit te stellen tot na verzoeksters bevalling.
147 Vastgesteld moet dus worden dat de Ombudsman juist uit zorg de inleiding van de tuchtprocedure heeft uitgesteld.
148 Derhalve moet het vijfde middel ongegrond worden verklaard.
3. Vorderingen tot schadevergoeding
Argumenten van partijen
149 Verzoekster vraagt het Gerecht primair om vast te stellen dat de nietigverklaring van het bestreden besluit leidt tot betaling van de financiële rechten die haar verschuldigd zijn voor de periode tussen de datum van inwerkingtreding van het tuchtrechtelijk ontslag en de beslissing van het Gerecht waarbij die nietigverklaring wordt uitgesproken, te vermeerderen met vertragingsrente vanaf de datum van die beslissing.
150 Subsidiair vraagt zij het Gerecht om de Ombudsman te veroordelen tot vergoeding van de materiële en immateriële schade die zij door het bestreden besluit zou hebben geleden.
151 In elk geval vraagt zij om de Ombudsman te veroordelen tot betaling van een immateriële schadevergoeding van 65 000 EUR.
152 De Ombudsman concludeert tot afwijzing van deze vorderingen.
Beoordeling door het Gerecht
153 Volgens vaste rechtspraak op het gebied van de openbare dienst moet de vordering tot schadevergoeding worden afgewezen wanneer zij nauw verband houdt met een vordering tot nietigverklaring die zelf is afgewezen (arrest Gerecht van 8 november 2007, Andreasen/Commissie, F‑40/05, punt 277).
154 In casu is sprake van een nauw verband tussen alle schadevorderingen en de vordering tot nietigverklaring die is afgewezen. Daar bij het onderzoek van de vordering tot nietigverklaring niet is gebleken van enige onwettigheid waarvoor de Ombudsman aansprakelijk kan worden gesteld, moeten de vorderingen tot schadevergoeding worden afgewezen.
155 Uit het voorgaande volgt dat het beroep in zijn geheel moet worden verworpen.
Kosten
156 Volgens artikel 87, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij, onverminderd de overige bepalingen van het achtste hoofdstuk van de tweede titel van dat Reglement, in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Op grond van artikel 87, lid 2, kan het Gerecht, wanneer de billijkheid dit vergt, beslissen dat een in het ongelijk gestelde partij slechts ten dele in de kosten wordt verwezen of zelfs niet in de kosten dient te worden verwezen.
157 Uit de hierboven uiteengezette rechtsoverwegingen volgt dat verzoekster in het ongelijk is gesteld. Voorts heeft de Ombudsman in zijn conclusies uitdrukkelijk gevorderd om verzoekster te verwijzen in de kosten. Daar de omstandigheden van de zaak geen grond opleveren voor toepassing van artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, moet verzoekster worden verwezen in haar eigen kosten en in die van de Ombudsman.
HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN (Tweede kamer),
rechtdoende, verklaart:
1) Het beroep van BG wordt verworpen.
2) BG draagt haar eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van de Europese Ombudsman.
Rofes i Pujol
Boruta
Bradley
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 17 juli 2012.
De griffier
De president van de Tweede kamer
W. Hakenberg
H. Kreppel
* Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy