ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE (Tweede kamer)
10 juli 2014 (*)
„Openbare dienst – Personeel van de EIB – Aanstelling – Ambt van hoofd van een afdeling – Aanstelling van een andere kandidaat dan verzoekster – Onregelmatigheden in de selectieprocedure – Verplichting tot onpartijdigheid van de leden van het selectiepanel – Laakbare gedragingen van de voorzitter van het selectiepanel ten aanzien van verzoekster – Belangenconflict – Mondelinge uiteenzetting voor alle kandidaten – Voor mondelinge uiteenzetting verstrekte documenten waardoor een van de kandidaten bevoordeeld kan worden – Kandidaat die heeft meegewerkt aan de opstelling van de verstrekte documenten – Schending van het beginsel van gelijke behandeling – Beroep tot nietigverklaring – Verzoek om schadevergoeding”
In zaak F‑115/11,
betreffende een beroep ingesteld krachtens artikel 270 VWEU,
CG, personeelslid van de Europese Investeringsbank, wonende te Sandweiler (Luxemburg), aanvankelijk vertegenwoordigd door N. Thieltgen, vervolgens door J.‑N. Louis en D. de Abreu Caldas, advocaten,
verzoekster,
tegen
Europese Investeringsbank (EIB), vertegenwoordigd door G. Nuvoli en T. Gilliams als gemachtigden, bijgestaan door A. Dal Ferro, advocaat,
verweerster,
wijst
HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: M. I. Rofes i Pujol (rapporteur), kamerpresident, K. Bradley en J. Svenningsen, rechters,
griffier: X. Lopez Bancalari, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 6 maart 2014,
het navolgende
Arrest
1 Bij verzoekschrift, binnengekomen ter griffie van het Gerecht op 27 oktober 2011, vraagt CG het Gerecht om, kort samengevat, nietigverklaring van het besluit van de president van de Europese Investeringsbank (EIB of hierna: „Bank”) om A, in plaats van haar, aan te stellen in het ambt van hoofd van de afdeling Risicobeleid en Tarifering („Risk Policy and Pricing division”; hierna: „afdeling RPP”), die deel uitmaakt van de afdeling Kredietrisico’s van het directoraat-generaal (DG) Risicobeheer (hierna: „DG Risicobeheer”), en om veroordeling van de Bank tot betaling van een vergoeding voor de materiële en immateriële schade die zij zou hebben geleden.
Toepasselijke bepalingen
2 Overeenkomstig artikel 308 VWEU zijn de statuten van de Bank opgenomen in een protocol gehecht aan het VWEU en het VEU, waarvan het integrerend deel uitmaakt.
3 Artikel 7, lid 3, sub h, van Protocol nr. 5 betreffende de statuten van de Bank bepaalt dat de raad van gouverneurs het reglement van orde van de Bank goedkeurt. Dit reglement is op 4 december 1958 goedgekeurd en is sindsdien enkele malen gewijzigd. Het bepaalt dat de raad van bewind de reglementen betreffende het personeel van de Bank vaststelt.
4 Op 20 april 1960 heeft de raad van bewind het personeelsreglement van de Bank vastgesteld. In de op het geschil toepasselijke versie bepaalt artikel 14 van dat personeelsreglement dat het personeel van de Bank uit drie groepen personeelsleden bestaat, afhankelijk van de uitgeoefende functie: de eerste groep betreft directiepersoneel en omvat twee functies, de functie „directiekader” en de „functie C”; de tweede groep betreft personeel belast met ontwerptaken en omvat drie functies, de „functie D”, de „functie E” en de „functie F”; de derde groep betreft uitvoerend personeel en omvat vier functies.
5 Artikel 41 van het personeelsreglement luidt:
„Alle individuele geschillen tussen de Bank en haar personeel worden beslist door het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Met uitzondering van de geschillen waarop de procedure [voor disciplinaire maatregelen] van toepassing is, worden alle geschillen ter minnelijke regeling aan een verzoeningscommissie van de Bank voorgelegd, ongeacht het feit of de zaak reeds voor het Hof is aanhangig gemaakt.
[...]”
6 Op 25 mei 2004 heeft het directiecomité van de Bank een document goedgekeurd genaamd „Instructies voor de interne mobiliteit en de bevorderingen” (hierna: „instructies”).
7 Artikel 2 van de instructies, „Bekendmaking van vacante ambten”, luidt:
„In het algemeen staan alle vacante ambten open voor alle personeelsleden en worden zij bekendgemaakt. [...]”
8 Artikel 3 van de instructies, „Gebruik van panels”, bepaalt:
„Het collectief oordeel van het directiepersoneel door het gebruik van panels beoogt bij te dragen tot het evenwicht, de rechtvaardigheid en de transparantie van het besluitvormingsproces bij de voorziening in vacante ambten. [...] [H]et gebruik van panels is vereist voor de voorziening in vacante ambten van de functie C of hoger [dan die functie] [...]”.
9 Bijlage I bij de instructies, betreffende de samenstelling en de rol van de selectiepanels, luidt:
„[...] De panels moeten zo veel mogelijk representatief zijn voor het directieteam, rekening houdend met het kader en de invloed van het betrokken ambt. Zij moeten bestaan uit vijf leden en uit vrouwen en mannen. Zij moeten ten minste één vertegenwoordiger van de [afdeling Personeelszaken] en één vertegenwoordiger van een ander directoraat-generaal dan dat van het te vervullen ambt bevatten. De functie van de leden van het panel moet ten minste hetzelfde niveau hebben als dat van het ambt waarin moet worden voorzien.
De directeur-generaal die verantwoordelijk is voor het ambt en [de afdeling] Personeelszaken beslissen gezamenlijk over de samenstelling van het panel.”
10 De afdeling Personeelszaken van de Bank heeft een document opgesteld genaamd „Goede praktijken van de selectiepanels” (hierna: „goede praktijken”). In de op het geschil toepasselijke versie luidt artikel 4.1:
„De panels bestaan uit vijf stemgerechtigde leden en uit een waarnemer die het [Paritair Comité voor de gelijke kansen van mannen en vrouwen] vertegenwoordigt. De voorzitter van het panel vertegenwoordigt in de regel het directoraat-generaal dat in het ambt voorziet. De vijf stemgerechtigde leden hebben dezelfde stemrechten. De waarnemer van het [Paritair Comité voor de gelijke kansen van mannen en vrouwen] heeft geen stemrecht. De functie van de vijf stemgerechtigde leden moet ten minste van hetzelfde niveau zijn als dat van het vacante ambt. De samenstelling van het panel wordt bepaald door [de afdeling Personeelszaken] en het directoraat-generaal dat in de post voorziet en het panel moet tenminste één stemgerechtigd vrouwelijk lid bevatten.”
11 Artikel 5.1 van de goede praktijken bepaalt:
„De voorzitter van het panel heeft dezelfde stemrechten als de andere stemgerechtigde leden, maar hij treedt op als primus inter pares [...], hetgeen inhoudt dat hij, wanneer er geen overeenstemming bestaat over de uiteindelijke aanbeveling, een beslissende stem daarin heeft, die (indien deze wordt uitgeoefend) moet worden uiteengezet in het proces-verbaal van de bijeenkomst van het panel.”
12 Artikel 10.3 van de goede praktijken luidt:
„[...] In de debriefings en de beraadslagingen van het panel [...] spreekt de voorzitter zich als laatste uit teneinde de andere leden de gelegenheid te geven hun standpunt uiteen te zetten zonder te worden beïnvloed door het aanwervende directoraat-generaal. [...]”
13 Artikel 17 van de goede praktijken bepaalt:
„Het aanstellingsbesluit wordt genomen door de president [van de Bank] na overleg met zijn collega’s van het directiecomité en op voorstel van de directeur [van de afdeling Personeelszaken]. Daartoe doet de directeur [van de afdeling Personeelszaken] op basis van het proces-verbaal van het panel een aanstellingsvoorstel aan het [comité gevormd door het directiecomité en de secretaris-generaal] waarbij hij, indien hij dit nodig acht, elke aanvullende overweging [van de afdeling Personeelszaken voegt].”
Aan het geding ten grondslag liggende feiten
14 Verzoekster is op 16 juli 1998 door de Bank aangesteld in de functie E van de groep personeel belast met ontwerptaken.
15 Op 1 april 2001 is zij bevorderd naar de functie D, salaristrap 1, van de groep personeel belast met ontwerptaken.
16 Op 1 januari 2008 werd verzoekster aangesteld als hoofd van de afdeling Coördinatie (hierna: „afdeling Coördinatie”) binnen het DG Risicobeheer en werd zij bevorderd naar de functie C van de groep directiepersoneel. Op de datum van de instelling van het beroep vervulde verzoekster nog steeds dat ambt.
17 Op het moment dat verzoekster hoofd van de afdeling Coördinatie werd, werd het DG Risicobeheer geleid door een directeur-generaal die rechtstreeks toezicht uitoefende over X, directeur van de afdeling Kredietrisico’s, Y, directeur van de afdeling Financiële Risico’s, en verzoekster.
18 In verzoeksters beoordelingsrapport over 2008 stelde de directeur-generaal van het DG Risicobeheer, haar beoordelaar, zich op het standpunt dat haar prestaties voldeden aan alle verwachtingen en kreeg zij een bonus toegekend.
19 In haar beoordelingsrapport over het eerste halfjaar van 2009 concludeerde de beoordelaar dat haar prestaties zeer goed waren geweest. Zij kreeg een salarisverhoging van drie kleine salaristrappen en bonussen.
20 Bij nota van 16 februari 2011 heeft de directeur-generaal van het DG Risicobeheer het directiecomité van de Bank een voorstel gedaan voor een reorganisatie van dat directoraat-generaal.
21 Op 18 februari 2011 heeft verzoekster een verzoek ingediend om een onderzoeksprocedure op het gebied van de eerbiediging van de waardigheid van een persoon op het werk in te leiden, die betrekking had op X en Y. In dat verzoek stelde zij dat X en Y zich sinds juni 2010 respectievelijk september 2008 schuldig hadden gemaakt aan handelingen van intimidatie en geweld jegens haar, die onder andere bestonden in een „uitschakeling” door haar rol en verantwoordelijkheden minder belangrijk en/of minder omvangrijk te maken.
22 Op 22 februari 2011 heeft het directiecomité van de Bank het plan voor de reorganisatie van het DG Risicobeheer (hierna: „reorganisatie van het DG Risicobeheer”) goedgekeurd, waarbij die nieuwe organisatie echter verschilde van het voorstel in de nota van 16 februari 2011 van de directeur-generaal van het DG Risicobeheer.
23 Bij schrijven van de directeur van de afdeling Personeelszaken van 28 februari 2011 is verzoekster op de hoogte gesteld van de inleiding van de onderzoeksprocedure en is zij gevraagd om haar klacht uiteen te zetten in een memorandum.
24 Bij memorandum van 14 maart 2011 heeft verzoekster melding gemaakt van geweld en intimidatie van de vermeende geweldplegers, X en Y, jegens haar.
25 Bij nota van 30 maart 2011 heeft de president van de Bank het personeel ervan op de hoogte gesteld dat het directiecomité de reorganisatie van het DG Risicobeheer met ingang van 1 april 2011 had goedgekeurd (hierna: „nota aan het personeel van 30 maart 2011”). Uit deze nota blijkt dat het algemeen risicobeleid, daaronder begrepen het verdrag van Bazel, de afstemming van eigen middelen, de crisissimulatie en de tariefbepaling, vanaf die datum onder een nieuw gecreëerde afdeling zou vallen, de afdeling RPP, die deel uitmaakte van de afdeling Kredietrisico’s van het DG Risicobeheer. In de nota aan het personeel van 30 maart 2011 werd eveneens aangegeven dat Y, directeur van de afdeling Financiële Risico’s, in het kader van de reorganisatie van het DG Risicobeheer directeur van de afdeling Kredietrisico’s zou worden en dat de kennisgeving van vacature voor het nieuwe ambt van hoofd van de afdeling RPP (hierna: „betrokken ambt”) volgens de gebruikelijke procedures van de Bank bekend zou worden gemaakt.
26 Op 20 mei 2011 is de kennisgeving van vacature voor het betrokken ambt bekendgemaakt. De sluitingsdatum voor de indiening van sollicitaties was vastgesteld op 7 juni 2011.
27 Bij e-mail van 3 juni 2011 aan de directeur van de afdeling Personeelszaken heeft verzoekster gevraagd om opschorting van de aanwervingsprocedure om in het betrokken ambt te voorzien, met name omdat Y, die deel uitmaakte van het selectiepanel, betrokken was bij een lopende onderzoeksprocedure die zij op gang had gebracht. Die e-mail is niet beantwoord.
28 Op 7 juni 2011 heeft verzoekster gesolliciteerd naar het betrokken ambt.
29 Bij e-mail van 10 juni 2011 is verzoekster uitgenodigd voor een onderhoud met het selectiepanel op 17 juni 2011. In die uitnodiging werd aangegeven dat het panel uit vijf personen zou bestaan, waaronder Y, die voorzitter van het panel was. Ook werd aangegeven dat verzoekster tijdens het onderhoud een uiteenzetting van tien minuten zou moeten geven over een haar in de e-mail voorgelegde kwestie en dat zij voor de uiteenzetting gebruik kon maken van bij de e-mail gevoegde stukken.
30 Bij e-mail van 14 juni 2011 heeft verzoekster de directeur van de afdeling Personeelszaken gevraagd om Y te vervangen.
31 Bij e-mail van diezelfde dag heeft de directeur van de afdeling Personeelszaken verzoekster geantwoord dat de samenstelling van het selectiepanel gehandhaafd zou blijven. Hij gaf aan het onvoorstelbaar te vinden dat Y, directeur van de afdeling Kredietrisico’s, niet alle gesprekken met het selectiepanel zou voorzitten. Hij beklemtoonde dat een functionaris van de afdeling Personeelszaken lid van het selectiepanel was en dat een van zijn belangrijkste verantwoordelijkheden erin bestond te verzekeren dat alle kandidaten rechtvaardig en objectief werden behandeld.
32 Op 16 juni 2011 heeft verzoekster midden op de dag per e-mail haar motivatie en haar curriculum vitae aan het secretariaat van het selectiepanel gezonden.
33 Bij op de avond van diezelfde 16 juni 2011 verzonden e-mail heeft verzoekster het secretariaat van het selectiepanel meegedeeld dat zij om medische redenen niet aanwezig kon zijn bij het voor de volgende dag geplande onderhoud en dat zij gedurende drie weken met ziekteverlof zou zijn.
34 Op 17 juni 2011 hebben alle kandidaten, met uitzondering van verzoekster, een gesprek gehad met het selectiepanel.
35 Bij eveneens per post verzonden e-mail van 29 juni 2011 heeft de vertegenwoordiger van de afdeling Personeelszaken in het selectiepanel verzoekster gevraagd om hem tussen 8 en 14 juli 2011 een datum te geven voor haar onderhoud met het panel. Bij gebreke van antwoord, heeft het voormelde lid haar bij e-mail van 7 juli 2011 en bij aangetekende brief gevraagd om te bevestigen of zij op 11, 13 of 14 juli 2011 beschikbaar was voor het onderhoud.
36 Bij e-mail van 11 juli 2011 heeft verzoekster meegedeeld dat zij op 13 en 14 juli 2011 beschikbaar was voor het panel.
37 Op 11 juli 2011 heeft het onderzoekscomité dat zich bezighield met verzoeksters wegens geweld ingediende klacht zijn advies uitgebracht (hierna: „advies van het onderzoekscomité”). Met betrekking tot X heeft het onderzoekscomité geconcludeerd dat het niet had kunnen vaststellen dat „er sprake was van onrechtmatig en opzettelijk gedrag dat als van [hem] afkomstig geweld kan worden aangemerkt”. Met betrekking tot Y heeft het, na te hebben vastgesteld dat bepaalde door verzoekster aan de orde gestelde gedragingen bewezen waren, zich niet uitgesproken over de vraag of die gedragingen psychisch geweld opleverden. In het advies heeft het onderzoekscomité de Bank een reeks aanbevelingen gedaan.
38 Op 13 juli 2011 is verzoekster gehoord door het selectiepanel, onder voorzitterschap van Y.
39 In zijn na afloop van de selectieprocedure opgestelde proces-verbaal van 18 juli 2011 heeft het panel unaniem vastgesteld dat A de beste kandidaat voor het betrokken ambt was en zijn aanstelling aanbevolen.
40 Bij e-mail van 27 juli 2011 is verzoekster ervan op de hoogte gesteld dat A door het panel was uitgekozen.
41 Bij nota van 28 juli 2011 heeft de president van de Bank het personeel op de hoogte gesteld van zijn besluit om, na overleg met zijn collega’s van het directiecomité, A in het betrokken ambt aan te stellen (hierna: „besluit van 28 juli 2011”).
42 Bij e-mail van 29 juli 2011 heeft verzoekster de directeur van de afdeling Personeelszaken gevraagd om schriftelijk op de hoogte te worden gesteld van de redenen waarom haar sollicitatie niet was aanvaard en waarom de keuze op een andere kandidaat was gevallen.
43 Bij e-mail van 5 september 2011 heeft verzoekster bij de president van de Bank een klacht ingediend strekkende tot nietigverklaring van het besluit van 28 juli 2011 alsmede een verzoek om vergoeding van de schade die zij zou hebben geleden als gevolg van dat besluit en van het feit dat zij voor een selectiepanel had moeten verschijnen waarvan één van de leden één van de vermeende geweldplegers was tegen wie een onderzoeksprocedure liep.
44 Op 8 september 2011 is verzoekster ontvangen door een functionaris van de afdeling Personeelszaken die haar inzage heeft gegeven in het op haar betrekking hebbende gedeelte van het proces-verbaal van het selectiepanel.
45 Bij schrijven van 19 september 2011 heeft de president van de Bank de ontvangst van de klacht van 5 september 2011 bevestigd. Hij deelde verzoekster mee dat haar klacht en verzoek om schadevergoeding wegens afwezigheid van de verantwoordelijke persoon binnen de afdeling Personeelszaken tot en met 23 september 2011, na het verlof van die persoon behandeld zouden worden en dat hij haar na die datum op de hoogte zou stellen van zijn besluit.
Conclusies van partijen en procesverloop
46 Verzoekster vraagt het Gerecht in haar verzoekschrift:
– het besluit van 28 juli 2011 nietig te verklaren;
– de Bank te gelasten om de nodige maatregelen te treffen om een regelmatige procedure voor de voorziening in het betrokken ambt te organiseren;
– vast te stellen dat de Bank jegens haar aansprakelijk is voor de onrechtmatigheid van het besluit om A in het betrokken ambt aan te stellen;
– de Bank te veroordelen tot betaling van een vergoeding voor haar materiële en immateriële schade, over welke vergoeding vertragingsrente moet worden betaald:
– 50 000 EUR aan immateriële schade;
– 436 100 EUR aan materiële schade bestaande in het verlies van bezoldiging;
– bij wijze van maatregel van instructie, een expertise te gelasten om de omvang vast te stellen van de materiële en immateriële schade als gevolg van de onrechtmatigheid van het besluit van 28 juli 2011, waarvan het voorwerp in het bij het verzoekschrift gevoegde bewijsaanbod nader wordt uiteengezet;
– de Bank te verwijzen in de kosten van de procedure.
47 De Bank verzoekt het Gerecht:
– het beroep niet-ontvankelijk en/of ongegrond te verklaren;
– verzoekster te verwijzen in de kosten.
48 In haar op 6 juni 2012 ingediende repliek vraagt verzoekster het Gerecht om bij wijze van maatregel van instructie te gelasten dat een getuige, genoemd in het bij die repliek gevoegde bewijsaanbod, wordt gehoord en, subsidiair, als nieuw bewijsaanbod de in die bijlage opgenomen getuigenis van die getuige te aanvaarden. Dit verzoek is gedaan ter ondersteuning van de conclusies tot nietigverklaring van het beroep. Toen zij in het kader van de in het volgende punt genoemde maatregelen tot organisatie van de procesgang door het Gerecht over dat verzoek om een maatregel van instructie werd gehoord, heeft verzoekster gepreciseerd dat het verzoek niet in haar verzoekschrift had kunnen worden gedaan, omdat zij pas in februari 2012 kennis had genomen van de feiten waarover die getuige zich kon uitspreken.
49 Bij brieven van de griffie van 29 januari 2012 is partijen gevraagd om te antwoorden op de maatregelen tot organisatie van de procesgang. Zij hebben naar behoren aan dit verzoek voldaan.
50 Ter terechtzitting heeft verzoekster afstand gedaan van de tweede en de vijfde vordering van haar verzoekschrift.
In rechte
1. Eerste vordering: nietigverklaring van het besluit van 28 juli 2011
51 Tot staving van haar verzoek om nietigverklaring voert verzoekster drie middelen aan. Het eerste is ontleend aan onregelmatigheden in de aanwervingsprocedure, het tweede aan een kennelijke beoordelingsfout en het derde aan misbruik van bevoegdheid.
52 Ter terechtzitting heeft verzoekster verklaard af te zien van het tweede en het derde middel.
53 Vastgesteld moet worden dat verzoekster dus één middel aanvoert, ontleend aan onregelmatigheden in de aanwervingsprocedure. Dit middel bestaat uit twee onderdelen: het eerste is ontleend aan het gebrek aan onpartijdigheid van het selectiepanel en het tweede aan schending van het beginsel van gelijke behandeling bij de keuze van de aan de sollicitanten voorgelegde vragen, waardoor A bevoordeeld zou zijn.
Eerste onderdeel van het middel: gebrek aan onpartijdigheid van het selectiepanel
54 In het kader van het eerste onderdeel van haar enige middel tot nietigverklaring voert verzoekster twee grieven aan: ten eerste het gebrek aan onpartijdigheid van de voorzitter van het selectiepanel, Y, en ten tweede het gebrek aan onpartijdigheid van de andere panelleden.
Eerste grief: gebrek aan onpartijdigheid van Y als lid en voorzitter van het selectiepanel
– Argumenten van partijen
55 Verzoekster betoogt dat het besluit van 28 juli 2011 is genomen na een aanbeveling van de directeur van de afdeling Personeelszaken gebaseerd op een aanwervingsprocedure die onregelmatigheden bevatte en dat het derhalve nietig moet worden verklaard. Op 28 februari 2011 is op haar verzoek een onderzoeksprocedure op het gebied van de eerbiediging van de waardigheid van een persoon op het werk gestart wegens feiten van intimidatie en geweld, met name door Y, waarvan zij zich slachtoffer achtte sinds september 2008. Op 11 juli 2011 heeft het onderzoekscomité in zijn advies gepreciseerd dat Y werd gezien als een „ambitieus man” en als een „wals die zich een weg baant zonder zich al te druk te maken over eventuele bijkomende schade”, en dat hij verzoekster opzij had geschoven door zich alle strategische aspecten toe te eigenen waarover de afdeling Coördinatie beschikte.
56 Wegens de op haar verzoek gestarte en op Y betrekking hebbende onderzoeksprocedure wegens geweld was er gedurende de selectieprocedure sprake van een belangenconflict tussen Y en haar, waardoor hij geen objectief en onpartijdig oordeel over haar sollicitatie heeft kunnen geven. Bovendien was Y voorzitter van het selectiepanel, waardoor hij rechtstreeks of indirect invloed heeft kunnen uitoefenen op de andere panelleden met betrekking tot de toewijzing van het ambt. Door de aanwezigheid van Y in het selectiepanel heeft het advies van dat panel dus niet de vereiste waarborgen van onpartijdigheid en objectiviteit kunnen bieden.
57 Verzoekster klaagt eveneens over het feit dat de Bank, ondanks het advies van het onderzoekscomité waarin was vastgesteld dat er bij Y sprake was van bepaalde door haar aan de orde gestelde gedragingen en ondanks haar uitdrukkelijk verzoek om Y niet op te nemen in het selectiepanel, niet de samenstelling van het panel heeft gewijzigd en dat zij heeft moeten verschijnen voor een selectiepanel waarin één van haar vermeende geweldplegers zitting had.
58 De Bank antwoordt hierop dat aangezien Y directeur was van de aanwervende afdeling, zijn benoeming als lid van het selectiepanel in overeenstemming was met een vaste praktijk en met de goede praktijken. Wat het advies van het onderzoekscomité betreft, hierin werd geconcludeerd dat de vermeende geweldplegers zich niet schuldig hadden gemaakt aan geweld. De Bank heeft eveneens maatregelen getroffen om de onpartijdigheid van de panels te waarborgen, zoals de aanwezigheid binnen het panel van een vertegenwoordiger van de afdeling Personeelszaken en de aanwezigheid als waarnemer van een vertegenwoordiger van het Paritair Comité voor de gelijke kansen van mannen en vrouwen (hierna: „COPEC”). Ten slotte blijkt uit het proces-verbaal van het selectiecomité dat Y verzoekster niet had gediscrimineerd en dat zijn positie als voorzitter van het panel geen enkele rol had gespeeld in het besluit van 28 juli 2011. Daaruit blijkt immers dat het panel verzoekster als laatste van de vijf sollicitanten had geplaatst, dat het besluit van het panel om A aan te bevelen voor het betrokken ambt unaniem door de panelleden was genomen en dat de punten die de panelleden aan elke sollicitant hadden gegeven homogeen waren, daar geen enkel lid beduidend was afgeweken van de door de anderen aangegeven lijn.
– Beoordeling door het Gerecht
59 Het is vaste rechtspraak dat de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover een jury van een vergelijkend onderzoek of een selectiepanel beschikt bij de bepaling van de modaliteiten en de gedetailleerde inhoud van de mondelinge examens van de kandidaten, moet worden gecompenseerd door een nauwgezette naleving van de regels voor de organisatie van die examens (arresten Girardot/Commissie, T‑92/01, EU:T:2002:220, punt 24, en Christensen/Commissie, T‑336/02, EU:T:2005:115, punt 38).
60 Het is eveneens vaste rechtspraak dat een jury van een vergelijkend onderzoek moet waarborgen dat haar oordeel over alle kandidaten tijdens de mondelinge examens, onder gelijke en objectieve omstandigheden wordt uitgebracht (arrest Pantoulis/Commissie, T‑290/03, EU:T:2005:316, punt 90 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Ofschoon de betrokken aanwervingsprocedure niet de vorm van een vergelijkend onderzoek had, kan deze rechtspraak in casu worden toegepast, aangezien een selectiepanel, evenals een jury van een vergelijkend onderzoek, de beste kandidaten moet kiezen uit hen die na de bekendmaking van een kennisgeving van vacature hebben gesolliciteerd, en bij de organisatie van de selectietoetsen over een aanzienlijke speelruimte beschikt.
61 Op grond van de beginselen van behoorlijk bestuur en gelijke behandeling diende de Bank dus te zorgen voor de goede organisatie van de selectieprocedure en diende zij aan alle kandidaten te verzekeren dat de gesprekken met het selectiepanel zo ordelijk en regelmatig mogelijk verliepen. Dit betekende dat alle door de Bank aangewezen leden van het selectiepanel de nodige onafhankelijkheid dienden te bezitten om hun objectiviteit niet ter discussie te kunnen stellen.
62 Het Gerecht dient derhalve na te gaan of het selectiepanel regelmatig was samengesteld en heeft gefunctioneerd, met name met eerbiediging van zijn verplichting tot onpartijdigheid, daar die eerbiediging een van de regels is die de werkzaamheden van de jury van een vergelijkend onderzoek en van een selectiepanel beheersen en die onderworpen zijn aan het toezicht van de Unierechter (zie met betrekking tot het functioneren van een jury van een vergelijkend onderzoek beschikking Meierhofer/Commissie, F‑74/07 RENV, EU:F:2011:63, punt 62).
63 In casu dient het Gerecht dus te onderzoeken of er sprake was van een belangenconflict tussen Y en verzoekster aangezien hij betrokken was bij een onderzoeksprocedure wegens geweld die door verzoekster op gang was gebracht. Is dit het geval, dan vormt de niet-nakoming door Y van zijn verplichting om zich te onthouden van beoordeling van verzoeksters sollicitatie, een niet-nakoming van zijn verplichting tot onpartijdigheid en, dientengevolge, van de verplichting tot onpartijdigheid van het panel in zijn geheel.
64 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat er sprake is van een belangenconflict wanneer een ambtenaar of functionaris zich in de uitoefening van zijn functie moet uitspreken over een aangelegenheid bij de behandeling of oplossing waarvan hij een persoonlijk belang heeft van zodanige aard dat dit afbreuk aan zijn onafhankelijkheid zou kunnen doen (zie bijvoorbeeld arrest Giannini/Commissie, „arrest Giannini”, T‑100/04, EU:T:2008:68, punt 223).
65 De omstandigheid dat tegen een lid van een jury van een vergelijkend onderzoek of van een panel in het kader van een selectieprocedure een klacht wegens geweld is ingediend door een kandidaat van dat vergelijkend onderzoek of die selectieprocedure, brengt op zich niet de verplichting mee voor het betrokken lid om zich terug te trekken uit de jury of het selectiepanel (zie in die zin arrest BY/EASA, F‑81/11, EU:F:2013:82, punt 72). Indien evenwel op basis van objectieve, relevante en onderling overeenstemmende aanwijzingen blijkt dat er bij dat jurylid sprake is van een belangenconflict in de zin dat het, rechtstreeks of indirect, een persoonlijk belang heeft om één van de kandidaten te bevoordelen of te benadelen, dan vereist de verplichting tot onafhankelijkheid, zoals neergelegd in artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat het zich niet kan uitspreken over de verdiensten van die kandidaat, met name indien de uiteindelijk gekozen persoon later onder zijn gezag wordt geacht te werken.
66 In casu staat vast dat de nieuw gecreëerde afdeling RPP deel uitmaakte van de afdeling Kredietrisico’s en dat Y, als directeur van die afdeling, de rechtstreekse hiërarchieke meerdere van de in het betrokken ambt te benoemen persoon zou worden. Het Gerecht dient dus te onderzoeken of verzoekster objectieve, relevante en onderling overeenstemmende aanwijzingen heeft gegeven dat Y als lid en voorzitter van het selectiepanel een persoonlijk belang had waardoor zijn onafhankelijkheid bij de beoordeling van haar sollicitatie naar het betrokken ambt in gevaar kwam.
67 Dienaangaande staat enerzijds vast dat op 28 februari 2011 op verzoeksters verzoek een onderzoeksprocedure is gestart op het gebied van de eerbiediging van de waardigheid van een persoon op het werk wegens feiten van intimidatie en geweld waaraan met name Y zich schuldig had gemaakt. Het Gerecht merkt op dat de Bank een dergelijke onderzoeksprocedure in het licht van de omstandigheden dus nodig vond en het niet nodig vond om verzoeksters verzoek van meet af aan af te wijzen.
68 Evenmin wordt betwist dat het onderzoekscomité dat verzoeksters klacht onderzocht op 11 juli 2011 zijn advies heeft uitgebracht, dat geen enkele formele conclusie bevatte over de vraag of de aan Y verweten gedragingen geweld vormden, ook al heeft het onderzoekscomité met name vastgesteld dat bepaalde door verzoekster aan de orde gestelde gedragingen waar waren gebleken. In antwoord op een door het Gerecht ter terechtzitting gestelde vraag heeft de Bank gesteld dat het advies van een onderzoekscomité op het gebied van geweld normaliter met het oog op de vaststelling van een besluit aan de president van de Bank wordt gezonden, maar niet rechtstreeks aan de vermeende geweldplegers noch aan de klager. Zij heeft eveneens gepreciseerd dat Y zonder enige twijfel formeel op de hoogte is gesteld van het besluit om geen gevolg te geven aan verzoeksters klacht dat de president van de Bank, gelet op het advies van het onderzoekscomité, had genomen, maar niet van het advies zelf.
69 Anderzijds staat eveneens vast dat de kennisgeving van vacature voor het betrokken ambt op 20 mei 2011 is bekendgemaakt en dat verzoeksters gesprek met het selectiepanel heeft plaatsgevonden op 13 juli 2011, dat wil zeggen twee dagen nadat het onderzoekscomité zijn advies had uitgebracht, en dat het selectiepanel op 18 juli 2011 zijn proces-verbaal heeft opgesteld waarbij A voor dat ambt was voorgedragen.
70 Uit de voorgaande punten blijkt dus dat de selectieprocedure en de onderzoeksprocedure gelijktijdig hebben plaatsgevonden.
71 Voorts blijkt uit het advies van het onderzoekscomité eveneens dat verzoekster zich er met name over heeft beklaagd dat Y haar heeft „uitgeschakeld” door haar rol en verantwoordelijkheden minder belangrijk en/of minder omvangrijk te maken.
72 Dienaangaande heeft het onderzoekscomité vastgesteld dat „[verzoeksters] positie in de loop der tijd in de ogen van [Y] was gewijzigd: van een gewaardeerd en zeer goed beoordeeld medewerkster is zij een element geworden dat een belemmering vormde op de weg die hij voor zichzelf had uitgestippeld. Daar zij bovendien een concurrente was voor de positie van directeur-generaal van het [DG Risicobeheer], heeft [Y] geen enkele aarzeling gehad om het machtsvacuüm te vullen dat door [verzoeksters] ziekteverlof was ontstaan en dat zij vanaf haar ziektebed enigszins probeerde te dichten”, zodat Y „[verzoekster] zachtjes aan opzij heeft geschoven door zich alle strategische aspecten toe te eigenen waarover de dienst Coördinatie beschikt. Zo staat vast dat in het organogram van het [DG Risicobeheer] [Y] thans alle belangrijke en strategische functies in handen heeft waardoor hij in hoge mate zichtbaar is voor de hoogste leiding van de Bank en dat [verzoekster] slechts administratieve functies heeft. Hetgeen [verzoekster] heeft voorzien, is dus gebeurd”.
73 In zijn advies heeft het onderzoekscomité eveneens gesteld dat de „verhouding tussen [verzoekster] en [Y], die eerder excellent was, verslechterde, daar [Y] de door [verzoekster] achtergelaten leegte opvulde en langzaam aan [haar] belangrijkste en intellectueel meest uitdagende werkzaamheden overnam, waarbij verzoekster deze afbrokkeling van haar bevoegdheden niet accepteerde. Uiteindelijk was elke communicatie en vertrouwensrelatie tussen hen beiden onmogelijk geworden”.
74 Bovendien merkt het onderzoekscomité op dat Y „wordt beschouwd als een ambitieus man met visies over zijn professionele toekomst, die door sommigen wordt omschreven als een wals die zich een weg baant zonder zich al te druk te maken over eventuele bijkomende schade” en dat „[verzoekster] daar was, zijn ambities in de weg stond en haar afwezigheid wegens ziekte ten dele de goede uitvoering van het werk blokkeerde, zodat zij opzij moest worden geschoven”.
75 Uit het advies van het onderzoekscomité blijkt dus dat Y zich inderdaad schuldig had gemaakt aan bepaalde, hem door verzoekster verweten gedragingen, en dat de professionele relatie tussen verzoekster en Y op het moment van verzoeksters onderhoud met het selectiepanel, op 13 juli 2011, ernstig was verslechterd.
76 Aangezien Y verzoeksters rechtstreekse hiërarchieke meerdere zou worden indien zij voor het betrokken ambt was gekozen en daarin was aangesteld, is het Gerecht van oordeel dat, gelet op de overwegingen en feiten zoals uiteengezet in de punten 67 tot en met 75 van dit arrest, en met name de feiten die het onderzoekscomité in zijn advies als vaststaand heeft beschouwd, verzoekster in casu objectieve, relevante en onderling overeenstemmende aanwijzingen heeft gegeven ter onderbouwing van haar stelling dat Y, toen hij tot lid van het selectiepanel werd benoemd, een belangenconflict had waardoor zijn vermogen om verzoeksters sollicitatie met de nodige objectiviteit te beoordelen ter discussie kon worden gesteld.
77 Vaststaat dat Y bij het onderhoud aanwezig was en heeft deelgenomen aan verzoeksters beoordeling, terwijl hij zich daarvan had moeten onthouden, aangezien er sprake was van een belangenconflict tussen hen.
78 Bovendien moet eraan worden herinnerd dat de artikelen 5.1 en 10.3 van de goede praktijken bepalen dat de voorzitter van het selectiepanel een doorslaggevende stem heeft wanneer er geen overeenstemming bestaat over de uiteindelijke aanbeveling en dat hij bij de beraadslaging als laatste moet spreken teneinde de andere leden van het selectiepanel niet te beïnvloeden. Uit deze bepalingen blijkt dus dat Y, als voorzitter van het selectiepanel, in de positie was om een doorslaggevende rol te spelen bij de werkzaamheden van het panel en om de andere leden daarvan te beïnvloeden.
79 Gelet op de voorgaande overwegingen en zonder een oordeel uit te spreken over de inhoud van de gesprekken tussen de leden van het selectiepanel en de door de verschillende leden daarvan, waaronder Y, ingenomen standpunten, moet worden vastgesteld dat Y, doordat hij zitting had in het selectiepanel, niet heeft voldaan aan zijn verplichting tot onpartijdigheid. Aangezien elk lid van het selectiepanel de nodige onafhankelijkheid moet bezitten om de objectiviteit van het selectiepanel als geheel niet in gevaar te kunnen brengen, moet worden vastgesteld dat afbreuk is gedaan aan de verplichting tot onafhankelijkheid van het gehele selectiepanel.
80 Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door de argumenten van de Bank.
81 Met betrekking tot het argument dat het „onvoorstelbaar” was geweest dat de directeur van de aanwervende afdeling, in casu Y, niet alle bijeenkomsten van het selectiepanel voorzit, volstaat de opmerking dat artikel 4.1 van de goede praktijken bepaalt dat de voorzitter van het panel „in de regel het directoraat-generaal” vertegenwoordigt dat in het ambt voorziet en dat bijlage I van de instructies niet vereist dat de directeur van de aanwervende afdeling deel uitmaakt van het panel. In het reglement van orde van de Bank wordt dus niet gesproken van de aanwervende afdeling, maar van het aanwervende directoraat-generaal en wordt toegestaan dat de directeur van de afdeling die in het ambt voorziet geen lid van het selectiepanel is.
82 Voorts zij eraan herinnerd (zie de punten 30 en 31 hierboven) dat verzoekster bij aan de directeur van de afdeling Personeelszaken gerichte e-mail van 14 juni 2011 had gevraagd om Y te vervangen, welk verzoek die directeur dezelfde dag nog heeft afgewezen. Nu er sprake was van een belangenconflict, had de Bank echter moeten vermijden dat Y lid en, a fortiori, voorzitter van het selectiepanel was, of althans ervoor moeten zorgen dat hij zich volledig afzijdig hield bij het onderhoud met en de beoordeling van verzoekster, hetgeen zij niet heeft gedaan.
83 Met betrekking tot het argument dat in het advies van het onderzoekscomité van 11 juli 2011 zou zijn vastgesteld dat er geen sprake was van geweld van de zijde van Y, zodat Y geen belangenconflict had, herinnert het Gerecht eraan dat de selectieprocedure en de onderzoeksprocedure tegelijkertijd plaatsvonden (zie punt 70 van dit arrest) en dat het onderzoekscomité op 14 juni 2011, toen de directeur van de afdeling Personeelszaken heeft geweigerd om Y in het selectiepanel te vervangen, nog niet zijn advies had uitgebracht. Ofschoon verzoeksters onderhoud met het selectiepanel oorspronkelijk was voorzien voor 17 juni 2011, zag de Bank er dus geen probleem in dat Y, die op dat moment betrokken was bij een onderzoeksprocedure wegens geweld, lid van het selectiepanel was. Het argument van de Bank ontleend aan de negatieve conclusies van het advies van het onderzoekscomité over het bestaan van handelingen van geweld door Y, is dus irrelevant. Ongeacht de datum waarop Y ervan kennis heeft kunnen nemen dat het onderzoekscomité zijn advies had uitgebracht, dat advies heeft in geen geval invloed kunnen hebben op het bestaan van een belangenconflict bij Y gedurende de selectieprocedure. Dat de professionele betrekkingen tussen Y en verzoekster ernstig waren verslechterd vóór het begin van de selectieprocedure, zoals blijkt uit het advies van het onderzoekscomité, volstaat immers om in casu vast te stellen dat Y een belangenconflict had.
84 Bovendien merkt het Gerecht op dat het bestaan van een mogelijk belangenconflict tussen een lid van het selectiepanel en een kandidaat niet kan worden weggenomen door de aanwezigheid van een vertegenwoordiger van de afdeling Personeelszaken in het panel noch door de aanwezigheid van een waarnemer van COPEC.
85 Wat ten slotte het argument van de Bank betreft dat uit het proces-verbaal van het selectiepanel zou blijken dat Y verzoekster niet heeft gediscrimineerd en dat A unaniem is gekozen, merkt het Gerecht op dat, zoals de Bank betoogt, de door elk panellid aan elke kandidaat gegeven punten inderdaad relatief homogeen zijn. Op grond van deze vaststelling kan echter niet worden uitgesloten dat er bij Y sprake was van een belangenconflict noch dat Y, als voorzitter van het panel, de beoordeling van de kandidaten door de andere leden van het selectiepanel heeft kunnen beïnvloeden.
86 Gelet op de voorgaande overwegingen moet worden vastgesteld dat de selectieprocedure onregelmatig is geweest daar de voorzitter van het selectiepanel, en daarmee het selectiepanel in zijn geheel, zijn verplichting tot onpartijdigheid niet is nagekomen. Derhalve moet de eerste grief van het eerste onderdeel van het middel gegrond worden verklaard.
Tweede grief: gebrek aan onpartijdigheid van de andere leden van het selectiepanel
– Argumenten van partijen
87 Verzoekster stelt dat de andere leden van het panel dan Y partijdig hebben kunnen zijn, aangezien de meesten van hen hun goedkeuring hadden gegeven voor de reorganisatie van het DG Risicobeheer en met name de oprichting van de afdeling RPP, waarvan het hoofd nagenoeg alle functies en verantwoordelijkheden zou overnemen die deel uitmaakten van haar werkzaamheden als hoofd van de afdeling Coördinatie.
88 De Bank spreekt zich niet uit over de tweede grief.
– Beoordeling door het Gerecht
89 Het volstaat op te merken dat verzoekster slechts stelt dat de andere leden van het selectiepanel mogelijkerwijs hun verplichting tot onpartijdigheid niet zijn nagekomen, zonder echter aan te geven wat zij in casu hebben gedaan. Het betreft hier dus louter speculaties, die niet worden gestaafd door enig bewijselement ter onderbouwing van haar stelling. In deze omstandigheden moet de tweede grief van het eerste onderdeel van het middel ongegrond worden verklaard.
90 Gelet op de voorgaande overwegingen, moet worden vastgesteld dat het eerste onderdeel van het enige middel van het beroep, ontleend aan onregelmatigheden in de selectieprocedure, gedeeltelijk gegrond is.
Tweede onderdeel van het middel: schending van het beginsel van gelijke behandeling
Argumenten van partijen
91 Verzoekster stelt dat de mondelinge uiteenzetting van tien minuten voor het selectiepanel die voor alle kandidaten verplicht was, bestond in een korte presentatie over een technisch onderwerp op basis van twee interne nota’s van de Bank die alle kandidaten vóór hun onderhoud met het selectiepanel hadden gekregen. Aangezien A die twee interne nota’s had opgesteld of aan de opstelling daarvan had meegewerkt, was hij ten onrechte bevoordeeld in vergelijking met de andere kandidaten. Met de keuze om de mondelinge uiteenzetting te baseren op die twee interne nota’s is duidelijk één van de kandidaten voor het betrokken ambt bevoordeeld en heeft het selectiepanel het beginsel van gelijke behandeling geschonden.
92 De Bank geeft toe dat A heeft meegewerkt aan de fase van voorbereiding van de twee interne nota’s, maar is van mening dat geen enkele kandidaat ten onrechte is benadeeld, aangezien voor het begrip van die nota’s geen bijzondere kennis nodig was en zij aan alle kandidaten vóór het onderhoud waren uitgedeeld. De mondelinge uiteenzetting was slechts één van de verschillende toetsen waaruit de selectieprocedure bestond en had niet tot doel de technische vaardigheden van de kandidaten te beoordelen, maar meer hun communicatieve vaardigheden en overtuigingskracht.
Beoordeling door het Gerecht
93 Het is vaste rechtspraak dat het beginsel van non-discriminatie of van gelijke behandeling vereist dat vergelijkbare situaties niet verschillend worden behandeld, tenzij dat verschil in behandeling objectief gerechtvaardigd is. Er is dus sprake van schending van het non-discriminatiebeginsel wanneer twee categorieën personen wier situaties feitelijk en rechtens niet wezenlijk verschillen, verschillend worden behandeld of wanneer verschillende situaties gelijk worden behandeld. Wil een verschil in behandeling verenigbaar zijn met het algemene non-discriminatiebeginsel, dan moet het gerechtvaardigd worden op basis van een objectief en redelijk criterium dat evenredig is aan het met dat verschil beoogde doel (zie bijvoorbeeld arresten Giannini, EU:T:2008:68, punt 131 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en Brown/Commissie, F‑37/05, EU:F:2009:121, punt 64).
94 Het beginsel van gelijke behandeling vormt een fundamenteel beginsel van het recht van de Unie dat met name geldt op het gebied van vergelijkende onderzoeken en dat de jury van een vergelijkend onderzoek bij het verloop ervan strikt moet naleven. De jury beschikt weliswaar over een ruime beoordelingsbevoegdheid met betrekking tot de modaliteiten en de gedetailleerde inhoud van de toetsen, doch de Unierechter dient zijn toezicht uit te oefenen voor zover dat nodig is om een gelijke behandeling van de kandidaten te verzekeren en de objectiviteit van de keuze die de jury tussen hen maakt (arresten Giannini, EU:T:2008:68, punt 132, en De Mendoza Asensi/Commissie, F‑127/11, EU:F:2014:14, punt 43).
95 Ten slotte moet worden opgemerkt dat, gelet op het feit dat het aantal vragen dat tijdens een examen redelijkerwijs over een bepaald onderwerp kan worden gesteld noodzakelijkerwijs beperkt is, elk examen in het algemeen en onvermijdelijk een gevaar van ongelijke behandeling inhoudt. Derhalve is reeds erkend dat er alleen sprake is van schending van het beginsel van gelijke behandeling, wanneer de jury het gevaar van ongelijke kansen dat in het algemeen inherent is aan elk examen, bij de keuze van de toetsen niet heeft beperkt (arresten Giannini, EU:T:2008:68, punt 133, en De Mendoza Asensi/Commissie, EU:F:2014:14, punt 45).
96 In casu blijkt uit het dossier dat alle kandidaten een soortgelijke vraag moesten beantwoorden die elk lid van het selectiepanel hun stelde. Bovendien had het selectiepanel voor alle kandidaten eenzelfde toets georganiseerd, die bestond in een mondelinge presentatie op basis van twee interne nota’s van de Bank, teneinde een beoordeling te geven over hun vaardigheid om een ingewikkeld en technisch thema te presenteren aan niet-gespecialiseerde toehoorders en hen te overtuigen van hun voorstel. Die twee nota’s dienden dus ter beoordeling van de vaardigheden van de kandidaten op het gebied van communicatie, presentatie, uitleg en overreding, en niet ter beoordeling van hun technische kennis.
97 Uit het dossier blijkt eveneens dat A heeft meegewerkt aan de opstelling van de twee interne nota’s die de kandidaten voor de mondelinge presentatie voor het selectiepanel kregen. Het Gerecht is van oordeel dat de omstandigheid dat een persoon die nota’s heeft opgesteld of daartoe heeft bijgedragen hem een reële bekendheid met de inhoud daarvan geeft en een presentatie op basis daarvan mogelijk vergemakkelijkt.
98 Het is juist dat, zoals de Bank betoogt, is geoordeeld dat de bekendheid met een document die bepaalde kandidaten van een vergelijkend onderzoek door hun werk hebben kunnen krijgen niet betekent dat zij ten onrechte bevoordeeld zijn door de keuze van de jury om dat document als basis voor de vragen van een toets te nemen, aangezien, ten eerste, het voordeel dat bepaalde kandidaten door de keuze van dat document hebben deel uitmaakt van het risico dat in het algemeen inherent is aan elk examen en, ten tweede, de tekst van dat document vóór de toets toegankelijk was (arrest Giannini, EU:T:2008:68, punt 164).
99 Dienaangaande merkt het Gerecht op dat in de zaak die tot het arrest Giannini (EU:T:2008:68) heeft geleid, de verzoeker, die niet was geslaagd voor een vergelijkend onderzoek, zich beklaagde over het feit dat andere kandidaten vóór het vergelijkend onderzoek hadden gewerkt aan documenten ter voorbereiding van het document dat de basis voor de schriftelijke toets vormde. Uit het arrest Giannini (EU:T:2008:68) blijkt dat de gelijkheid tussen de voorbereidende documenten en het aan de kandidaten voorgelegde document niet kon worden aangenomen en dat de kandidaten die aan de voorbereidende documenten hadden gewerkt niet mochten vertrouwen op een eventuele kennis die zij door hun werk aan die voorbereidende documenten hadden opgedaan. Het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen heeft derhalve geoordeeld dat de eventuele mogelijkheid dat de kandidaten die aan de voorbereidende documenten hadden gewerkt voor de schriftelijke toets waren geslaagd dankzij hun bekendheid met die stukken zeer beperkt was en heeft vastgesteld dat de betrokken kandidaten niet ten onrechte waren bevoordeeld.
100 In de onderhavige zaak moet echter worden vastgesteld dat één kandidaat, A, de documenten die de kandidaten ter beschikking werden gesteld om hun uiteenzetting voor te bereiden beter kende dan zijn concurrenten. Sterker nog, anders dan in de zaak die tot het arrest Giannini (EU:T:2008:68) heeft geleid, had A als opsteller of medeopsteller rechtstreeks gewerkt aan de twee interne nota’s van de Bank en niet aan de documenten ter voorbereiding van die nota’s, waarvan de inhoud als voorbereidende documenten niet noodzakelijkerwijs gelijk was geweest aan die van die twee interne nota’s. Aangezien de mondelinge uiteenzetting van de kandidaten met name hun vaardigheid beoogde te beoordelen om niet-deskundige toehoorders te overtuigen, is het voordeel dat A bij de toets van de mondelinge uiteenzetting wegens zijn deelneming aan de gehele of gedeeltelijke opstelling van die twee nota’s ten opzichte van de andere kandidaten had, dus wel degelijk reëel en relevant.
101 Aan deze beoordeling wordt niet afgedaan door het feit dat die twee interne nota’s aan alle kandidaten ter beschikking zijn gesteld vóór hun onderhoud met het selectiepanel noch door het ter terechtzitting door de Bank aangevoerde argument dat alle kandidaten geruime tijd vóór de aanvang van de selectieprocedure in ruime mate bekend waren met die twee nota’s. Ter terechtzitting heeft de Bank toegegeven dat het selectiepanel voor de toets van de mondelinge uiteenzetting andere teksten dan die twee nota’s had kunnen kiezen. Het staat dus vast dat A ten onrechte is bevoordeeld ten opzichte van andere kandidaten.
102 Derhalve moet worden geoordeeld dat de Bank, door ervoor te kiezen om de toets van de mondelinge uiteenzetting die alle kandidaten moesten afleggen te baseren op de twee voormelde interne nota’s van de Bank, het beginsel van gelijke behandeling heeft geschonden.
103 Het tweede onderdeel van het enige middel van het beroep is derhalve gegrond.
104 Gelet op de voorgaande overwegingen, moet de eerste vordering, strekkende tot nietigverklaring van het besluit van 28 juli 2011, worden toegewezen zonder dat het nodig is om het verzoek om maatregelen van instructie te onderzoeken.
2. Tweede en derde vordering, strekkende tot verkrijging van een vergoeding
Ontvankelijkheid
Argumenten van partijen
105 De Bank betoogt dat de Unierechter niet bevoegd is indien het bij hem ingestelde beroep niet gericht is tegen een handeling van de administratie tot afwijzing van de vorderingen van de verzoeker. In casu heeft de president van de Bank verzoekster met zijn schrijven van 19 september 2011 ervan op de hoogte gesteld dat haar verzoek om schadevergoeding van 5 september 2011 zou worden behandeld zodra de binnen de afdeling Personeelszaken verantwoordelijke persoon terug zou zijn van verlof, op 23 september 2011. Verzoekster heeft echter op 27 oktober 2011 bij het Gerecht haar verzoek om schadevergoeding ingediend, zonder uitdrukkelijk antwoord van de Bank te hebben gekregen op haar verzoek van 5 september 2011 en vóór het verstrijken van de termijn van drie maanden om een stilzwijgend besluit tot afwijzing van haar verzoek te doen ontstaan. De vordering tot schadevergoeding moet derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.
106 De Bank voegt hieraan toe dat de schadevordering althans ten dele een herhaling vormt van het verzoek om schadevergoeding dat is ingediend in zaak F‑95/11 waarvan het beroep op 28 september 2011 bij het Gerecht is ingesteld, en wel wat de schade betreft die verzoekster door de bekendmaking van het betrokken ambt zou hebben geleden. De schadevordering is dus in elk geval, althans ten dele, eveneens niet-ontvankelijk wegens litispendentie.
107 In antwoord op het in het kader van maatregelen tot organisatie van de procesgang door het Gerecht gedane verzoek om, gelet op de arresten De Nicola/EIB (T‑37/10 P, EU:T:2012:205) en De Nicola/EIB (T‑264/11 P, EU:T:2013:461), haar standpunt te verduidelijken over de ontvankelijkheid van de schadevordering, stelt de Bank dat het volgens die arresten weliswaar mogelijk is om bij de Unierechter een verzoek om schadevergoeding in te dienen zonder eerst een dergelijk verzoek bij de administratie te hebben ingediend, doch dat een persoon, wanneer hij besluit om eerst het standpunt van de administratie over een bepaalde kwestie te vragen, ook al is die procedure niet verplicht, de betrokken administratie de mogelijkheid moet geven om zich binnen een redelijke termijn uit te spreken. Dit begrip redelijke termijn, dat naar voren komt in het arrest Heroverweging Arango Jaramillo e.a./EIB (C‑334/12 RX-II, EU:C:2013:134, punten 26‑30), geldt zowel voor de termijn waarover een persoon beschikt om een verzoek aan de administratie te doen als voor de termijn waarover de administratie beschikt om een standpunt in te nemen over dat verzoek.
108 Verzoekster antwoordt hierop dat haar schadevorderingen ontvankelijk moeten worden geacht.
Beoordeling door het Gerecht
109 Wat in de eerste plaats de ontvankelijkheid van alle schadevorderingen betreft, herinnert het Gerecht eraan dat volgens artikel 41 van het personeelsreglement van de Bank, kort samengevat, alle geschillen tussen de Bank en de leden van haar personeel voor de Unierechter kunnen worden gebracht, doch dat een dergelijk beroep kan worden voorafgegaan door een minnelijke procedure voor de verzoeningscommissie en dit ongeacht het feit of de zaak reeds voor de rechter aanhangig is gemaakt (arrest De Nicola/EIB, EU:T:2012:205, punt 74).
110 Er is reeds geoordeeld dat uit artikel 41 van het personeelsreglement van de Bank, dat voorziet in een minnelijke procedure die losstaat van het bij de rechter ingestelde beroep, duidelijk blijkt dat de ontvankelijkheid van dat beroep in rechte niet afhangt van de beëindiging van die administratieve procedure, die voor personeelsleden van de Bank facultatief is (zie in die zin arrest De Nicola/EIB, T‑7/98, T‑208/98 en T‑109/99, EU:T:2001:69, punt 96), terwijl ambtenaren of functionarissen de afloop moeten afwachten van de precontentieuze procedure die in het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie is voorzien (hierna: „Statuut”).
111 Bovendien is geoordeeld in het arrest De Nicola/EIB (EU:T:2013:461, punten 69‑73), gewezen in hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht De Nicola/EIB (F‑59/09, EU:F:2011:19), waarin het Gerecht met overeenkomstige toepassing van artikel 91, lid 1, van het Statuut had geoordeeld dat het niet bevoegd was om zich uit te spreken over het bij hem ingestelde beroep tot schadevergoeding, op grond dat dit beroep niet was gericht tegen een handeling van de Bank die voor de betrokkene bezwarend was en vooraf bij de Bank geen verzoek om schadevergoeding was ingediend, dat het Gerecht bij gebreke van een relevante interne regeling van de Bank niet gerechtigd was om zijn bevoegdheid of de ontvankelijkheid van een bij hem ingediend verzoek om schadevergoeding te laten afhangen van „het ontbreken van een aan de Bank gericht verzoek om schadevergoeding en van een bezwarende handeling waarmee de schadevordering in verband kan worden gebracht”. Het Gerecht van de Europese Unie heeft geoordeeld dat de enige in die context relevante regeling de regeling van artikel 41 van het personeelsreglement van de Bank was, waarvan de aard en de ratio legis sterk verschillen van die van het Statuut, daaronder begrepen de artikelen 90 en 91 daarvan, en dat het bestaan van het personeelsreglement verhindert dat op dezelfde wijze te werk wordt gegaan als in het Statuut.
112 Uit de in het vorige punt genoemde rechtspraak blijkt dat de ontvankelijkheid van een beroep tot schadevergoeding van een personeelslid van de Bank niet afhankelijk kan worden gesteld van de voorafgaande indiening bij de Bank van een verzoek om schadevergoeding en evenmin van het bestaan van een bezwarende handeling waarmee de schadevordering in verband kan worden gebracht. In deze omstandigheden valt het verzoek om schadevergoeding dat een personeelslid bij de Bank indient onder de interne procedure van minnelijke regeling die krachtens artikel 41 van het personeelsreglement in elk geval facultatief is.
113 In casu heeft verzoekster, zoals in punt 43 van dit arrest is uiteengezet, bij schrijven van 5 september 2011 bij de Bank een verzoek ingediend om vergoeding van de schade die zij met name door de onrechtmatigheid van het besluit van 28 juli 2011 zou hebben geleden. Op 27 oktober 2011 heeft zij het onderhavige beroep ingesteld, ofschoon de Bank zich nog niet had uitgesproken over haar verzoek. Aangezien het verzoek om schadevergoeding aan de Bank is gedaan in het kader van de interne administratieve procedure voor de minnelijke regeling van geschillen tussen de Bank en haar personeelsleden en de ontvankelijkheid van het bij het Gerecht ingestelde beroep tot schadevergoeding niet afhangt van de beëindiging van die administratieve procedure, moet het onderhavige beroep tot schadevergoeding ontvankelijk worden geacht.
114 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door de rechtspraak die de Bank in haar verweerschrift heeft genoemd. De arresten van het Gerecht De Nicola/EIB (F‑55/08, EU:F:2009:159) en De Nicola/EIB (F‑59/09, EU:F:2011:19) waarnaar zij verwijst zijn immers beide met name op de door haar genoemde punten vernietigd bij de arresten van het Gerecht van de Europese Unie De Nicola/EIB (EU:T:2012:205) en De Nicola/EIB (EU:T:2013:461), welke arresten het Gerecht de Bank overigens voor opmerkingen heeft voorgelegd in het kader van maatregelen tot organisatie van de procesgang (zie punt 107 hierboven).
115 Bovendien stelt het Gerecht vast dat punt 137 van het arrest van het Gerecht De Nicola/EIB (EU:F:2011:19), waarop de Bank zich in haar verweerschrift eveneens beroept, irrelevant is, aangezien het betrekking heeft op de vraag vanaf welk tijdstip de redelijke termijn moet worden berekend waarbinnen een personeelslid van de Bank zijn beroep bij het Gerecht moet instellen wil het niet als tardief worden aangemerkt. De punten 26 tot en met 30 van het arrest Heroverweging Arango Jaramillo e.a./EIB (EU:C:2013:134), die door de Bank worden genoemd in haar in antwoord op de maatregelen tot organisatie van de procesgang gemaakte opmerkingen over de arresten van het Gerecht van de Europese Unie De Nicola/EIB (EU:T:2012:205) en De Nicola/EIB (EU:T:2013:461), zijn evenmin relevant, aangezien zij betrekking hebben op het begrip „redelijke termijn” waarbinnen een personeelslid van de Bank een beroep tot nietigverklaring moet instellen van een voor hem bezwarende handeling van de Bank.
116 In casu dient het Gerecht niet te onderzoeken binnen welke termijn beroep bij de Unierechter moet worden ingesteld wil het beroep niet als tardief worden aangemerkt, maar dient het te onderzoeken of het al dan niet kennis mag nemen van een beroep tot schadevergoeding. Meer bepaald dient het te onderzoeken of het kennis mag nemen van een beroep tot schadevergoeding van een personeelslid van de Bank dat is ingesteld zonder dat de verzoeker het antwoord van de Bank heeft afgewacht op het verzoek om schadevergoeding dat hij eerder bij haar had ingediend. Het door de Bank ter verweer gevoerde betoog is dus irrelevant.
117 Wat in de tweede plaats de gedeeltelijke niet-ontvankelijkheid van de schadevordering wegens litispendentie betreft, zij eraan herinnerd dat wanneer in een beroep dezelfde partijen tegenover elkaar staan en het beroep op hetzelfde voorwerp en dezelfde middelen berust als een eerder ingesteld beroep, het volgens vaste rechtspraak niet-ontvankelijk moet worden verklaard (beschikking Vienne e.a./Parlement, F‑22/06, EU:F:2006:89, punt 12 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
118 Het Gerecht moet derhalve onderzoeken of in de beroepen in zaak F‑95/11 en in de onderhavige zaak, welke op 28 september respectievelijk 27 oktober 2011 zijn ingesteld, dezelfde partijen tegenover elkaar staan en of deze betrekking hebben op hetzelfde voorwerp en op dezelfde middelen berusten.
119 Aan de voorwaarde dat de partijen in de twee beroepen dezelfde moeten zijn, is in casu voldaan. In de beide beroepen staan immers verzoekster en de Bank tegenover elkaar.
120 Met betrekking tot de voorwaarde dat het voorwerp hetzelfde moet zijn, moet worden opgemerkt dat verzoekster in zaak F‑95/11 vraagt om vergoeding van de schade die is ontstaan door de onrechtmatigheid van het besluit van de Bank om de aard van haar werkzaamheden en de voorwaarden voor de uitoefening daarvan te wijzigen en haar de verantwoordelijkheden te ontnemen die zij droeg op het gebied van het algemeen risicobeleid, zoals dat besluit volgt uit de nota aan het personeel van 30 maart 2011. Zij vraagt eveneens om vergoeding van de schade die zij zou hebben geleden als gevolg van de niet-nakoming door de Bank van haar verplichting tot zorgvuldigheid en bescherming die zij in acht moet nemen wanneer haar personeel wegens ziekte afwezig is, alsmede als gevolg van de schending van artikel 42 van het personeelsreglement doordat de Bank geen individueel besluit jegens haar heeft genomen tot wijziging van de voorwaarden voor de uitoefening en de aard van haar werkzaamheden en haar vervolgens hiervan kennis heeft gegeven.
121 In de onderhavige zaak vraagt verzoekster om vergoeding van de schade die zij zou hebben geleden door de onrechtmatigheid van het besluit van 28 juli 2011 en door het feit dat zij diende te verschijnen voor een selectiepanel tegen één van de leden waarvan op haar verzoek een onderzoeksprocedure wegens psychisch geweld gaande was.
122 Vastgesteld moet derhalve worden dat de schadevordering van het onderhavige beroep en die van het beroep in zaak F‑95/11 niet hetzelfde voorwerp hebben. Het middel van niet-ontvankelijkheid dat de Bank ontleent aan litispendentie moet derhalve worden afgewezen.
123 Gelet op de voorgaande overwegingen moet worden vastgesteld dat de schadevordering ontvankelijk is.
Ten gronde
Argumenten van partijen
124 Verzoekster betoogt dat de selectieprocedure grote ongerustheid bij haar heeft veroorzaakt daar zij ondanks haar verzoeken heeft moeten verschijnen voor een selectiepanel waarvan één van de leden één van de vermeende geweldplegers was die betrokken was bij een lopende onderzoeksprocedure die zij op gang had gebracht.
125 Voorts heeft het besluit van 28 juli 2011 bij haar geleid tot een gevoel van onbegrip, vernedering en een diepe teleurstelling met betrekking tot de Bank. Dit besluit heeft eveneens schade toegebracht aan haar beroepsreputatie, daar zij, ofschoon haar vóór de reorganisatie van het DG Risicobeheer de meeste van de aan het betrokken ambt verbonden werkzaamheden waren opgedragen, niet in dat ambt is aangesteld. Het besluit van 28 juli 2011 heeft haar dus aanzienlijke immateriële schade berokkend, die zij ex aequo et bono op een bedrag van 50 000 EUR begroot.
126 Ten slotte stelt verzoekster dat zij door het besluit van 28 juli 2011 materiële schade heeft geleden, namelijk een verlies aan bezoldiging daar zij door haar aanstelling in het betrokken ambt een beslissende bijdrage had kunnen leveren tot de strategische doelstellingen van het DG Risicobeheer en sneller carrière had kunnen maken. Verzoekster raamt de materiële schade ex aequo et bono op 436 100 EUR.
127 Volgens de Bank ontbeert het verzoek om schadevergoeding elke grondslag, daar haar geen onrechtmatige gedraging kan worden verweten. Wat de materiële schade betreft, heeft verzoekster het bestaan van die schade niet aangetoond, daar haar verlies aan bezoldiging louter hypothetisch is.
Beoordeling door het Gerecht
128 Volgens vaste rechtspraak veronderstelt de aansprakelijkheid van de administratie dat de verzoeker het bestaan van een onregelmatige gedraging, van reële schade en van een oorzakelijk verband tussen de gedraging en de aangevoerde schade aantoont. Die voorwaarden zijn cumulatief, zodat het feit dat aan één ervan niet wordt voldaan volstaat om een beroep tot schadevergoeding te verwerpen (arrest Arguelles Arias/Raad, F‑122/12, EU:F:2013:185, punt 128).
129 In casu moet worden opgemerkt dat de door verzoekster aangevoerde immateriële schade ten dele veroorzaakt is door het besluit van 28 juli 2011 en ten dele door het feit dat zij heeft moeten verschijnen voor een selectiepanel dat bestond uit één van haar vermeende geweldplegers van wie zij wist dat er een onderzoeksprocedure naar hem gaande was en die een belangenconflict met haar had.
130 In punt 104 van dit arrest is geoordeeld dat het besluit van 28 juli 2011 nietig moet worden verklaard wegens niet-nakoming van de verplichting tot onpartijdigheid van het selectiepanel en schending van het beginsel van gelijke behandeling van kandidaten, en in punt 77 van dit arrest is geoordeeld dat Y niet had moeten deelnemen aan het onderhoud van het selectiepanel met verzoekster en aan haar beoordeling. Nu is vastgesteld dat de Bank onregelmatigheden heeft begaan, moet worden onderzocht of die fouten schadelijke gevolgen voor verzoekster hebben gehad.
131 Wat in de eerste plaats de immateriële schade betreft die verzoekster stelt te hebben geleden, zij eraan herinnerd dat de nietigverklaring van een onrechtmatige handeling volgens vaste rechtspraak op zich een passend en in beginsel toereikend herstel kan vormen van elke immateriële schade die deze handeling kan hebben veroorzaakt, tenzij de verzoekende partij aantoont dat zij immateriële schade heeft geleden die kan worden losgekoppeld van de onrechtmatigheid waarop de nietigverklaring is gebaseerd en die door die nietigverklaring niet volledig kan worden hersteld (arrest CH/Parlement, F‑129/12, EU:F:2013:203, punt 64).
132 Vaststaat dat het gevoel van onrechtvaardigheid en de narigheid die een persoon heeft als gevolg van het feit dat hij een contentieuze procedure moet voeren om erkenning van zijn rechten te krijgen, schade vormt die alleen al kan worden afgeleid uit het feit dat de administratie onrechtmatigheden heeft begaan. Wetende dat die schade vergoed kan worden wanneer deze niet wordt hersteld door de genoegdoening die de nietigverklaring van een handeling geeft (zie in die zin arrest CC/Parlement, F‑9/12, EU:F:2013:116, punt 128, waarvan de hogere voorziening thans aanhangig is voor het Gerecht van de Europese Unie, zaak T‑457/13 P), beslist het Gerecht dat, rekening houdend met de omstandigheden waaronder het besluit van 28 juli 2011 tot stand is gekomen, namelijk na afloop van een selectieprocedure waarin verzoekster heeft moeten verschijnen voor een selectiepanel dat werd voorgezeten door één van de vermeende geweldplegers van wie zij wist dat er een onderzoeksprocedure naar hem gaande was en die een belangenconflict met haar had, en in de loop waarvan het beginsel van gelijke behandeling van kandidaten is geschonden, verzoeksters immateriële schade in de bijzondere omstandigheden van het geding juist zal worden beoordeeld door de vergoeding ervan ex aequo et bono vast te stellen op 25 000 EUR.
133 Wat in de tweede plaats verzoeksters verzoek betreft om de Bank te veroordelen tot vergoeding van de materiële schade die zij door het besluit van 28 juli 2011 heeft geleden daar het besluit om haar niet in het betrokken ambt aan te stellen gevolgen zou hebben gehad voor haar toekomstige bezoldiging, stelt het Gerecht vast dat verzoekster het bestaan van die schade niet heeft aangetoond. Zelfs al wordt aangenomen dat verzoekster na afloop van de selectieprocedure in het betrokken ambt zou zijn aangesteld, dan nog is het niet mogelijk om concreet te bepalen welke mogelijkheden van vooruitgang in haar loopbaan zij zou hebben gehad, daar die mogelijkheden louter hypothetisch zijn. Dit betekent dat deze schadevordering van verzoekster niet kan worden toegewezen.
134 Uit het voorgaande volgt dat de Bank wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag van 25 000 EUR aan verzoekster.
Kosten
135 Volgens artikel 87, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij, behoudens de andere bepalingen van het achtste hoofdstuk van de tweede titel van dat Reglement, in de kosten verwezen, voor zover zulks is gevorderd. Op grond van artikel 87, lid 2, kan het Gerecht, wanneer de billijkheid dit vergt, beslissen dat een in het ongelijk gestelde partij slechts ten dele in de kosten wordt verwezen of zelfs niet in de kosten dient te worden verwezen.
136 Uit de rechtsoverwegingen van dit arrest volgt dat het beroep op de belangrijkste punten is toegewezen, zodat de Bank de partij is die in het ongelijk is gesteld. Bovendien heeft verzoekster in haar conclusies uitdrukkelijk gevraagd om de Bank te verwijzen in de kosten. Daar de omstandigheden van de zaak geen grond opleveren voor toepassing van de bepalingen van artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, moet de Bank worden verwezen in haar eigen kosten en in die van verzoekster.
HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN (Tweede kamer),
rechtdoende, verklaart:
1) Het besluit van de president van de Europese Investeringsbank van 28 juli 2011 tot aanstelling van A in het ambt van hoofd van de afdeling „Risicobeleid en Tarifering” wordt nietig verklaard.
2) De Europese Investeringsbank wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag van 25 000 EUR aan CG.
3) Het beroep wordt verworpen voor het overige.
4) De Europese Investeringsbank draagt haar eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van CG.
Rofes i Pujol
Bradley
Svenningsen
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 10 juli 2014.
De griffier
De president van de Tweede kamer
W. Hakenberg
M. I. Rofes i Pujol
* Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy