ARREST VAN HET GERECHT (Vierde kamer)
16 januari 2014 ( *1 )
„Dumping — Subsidies — Invoer van biodiesel van oorsprong uit Verenigde Staten — Ontwijking — Artikel 13 verordening (EG) nr. 1225/2009 — Artikel 23 van verordening (EG) nr. 597/2009 — Enigszins gewijzigd soortgelijk product — Rechtszekerheid — Misbruik van bevoegdheid — Kennelijke beoordelingsfouten — Motiveringsplicht — Gelijke behandeling — Beginsel van behoorlijk bestuur”
In zaak T‑385/11,
BP Products North America Inc., gevestigd te Naperville, Illinois (Verenigde Staten), aanvankelijk vertegenwoordigd door C. Farrar, solicitor, H.‑J. Prieß, B. Sachs en M. Schütte, advocaten, en vervolgens door Farrar, Prieß, Schütte en K. Arend, advocaat,
verzoekster,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door J.‑P. Hix als gemachtigde, bijgestaan door B. O’Connor, solicitor, en S. Gubel, advocaat,
verweerder,
ondersteund door
Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. França en A. Stobiecka-Kuik als gemachtigden,
en door
European Biodiesel Board (EBB), vertegenwoordigd door O. Prost en M.‑S. Dibling, advocaten,
interveniënten,
betreffende een verzoek om gedeeltelijke nietigverklaring van, enerzijds, uitvoeringsverordening (EU) nr. 443/2011 van de Raad van 5 mei 2011 tot uitbreiding van het definitieve compenserende recht dat bij verordening (EG) nr. 598/2009 is ingesteld op biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika tot uit Canada verzonden biodiesel, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Canada, en tot uitbreiding van het definitieve compenserende recht dat bij verordening (EG) nr. 598/2009 is ingesteld tot biodiesel in een mengsel bevattende 20 of minder gewichtsprocenten biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika, en tot beëindiging van het onderzoek naar de uit Singapore verzonden biodiesel (PB L 122, blz. 1), en anderzijds, uitvoeringsverordening (EU) nr. 444/2011 van de Raad van 5 mei 2011 tot uitbreiding van het definitieve antidumpingrecht dat bij verordening (EG) nr. 599/2009 is ingesteld op biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika tot vanuit Canada verzonden biodiesel, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Canada, en tot uitbreiding van het definitieve antidumpingrecht dat bij verordening (EG) nr. 599/2009 is ingesteld tot biodiesel in mengsels bevattende 20 of minder gewichtsprocenten biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika, en tot beëindiging van het onderzoek naar de vanuit Singapore verzonden biodiesel (PB L 122, blz. 12), voor zover deze verordeningen verzoekster treffen,
wijst
HET GERECHT (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: M. E. Martins Ribeiro, waarnemend voor de president, F. Dehousse en M. van der Woude (rapporteur), rechters,
griffier: N. Rosner, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 14 mei 2013,
het navolgende
Arrest
Toepasselijke bepalingen
1
Het onderhavige geding betreft twee procedures wegens ontwijking in de zin van, respectievelijk, artikel 13 van verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB L 343, blz. 51, rectificatie in PB 2010, L 7, blz. 22; hierna: „antidumpingbasisverordening”) en artikel 23 van verordening (EG) nr. 597/2009 van de Raad van 11 juni 2009 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid van de Europese Gemeenschap zijn (PB L 188, blz. 93; hierna: „antisubsidiebasisverordening”) (hierna samen: „antidumping‑ en antisubsidiebasisverordeningen”).
2
Ingevolge artikel 13, lid 1, eerste alinea, van de antidumpingbasisverordening „[kunnen de] overeenkomstig deze verordening ingestelde antidumpingrechten [...] worden uitgebreid tot de invoer van al dan niet enigszins gewijzigde soortgelijke producten uit derde landen of van enigszins gewijzigde soortgelijke producten uit landen waarop maatregelen van toepassing zijn, of delen daarvan, wanneer er [ontwijking] van de geldende maatregelen plaatsvindt”. Volgens deze bepaling „wordt [ontwijking] [...] omschreven als een verandering in de structuur van het handelsverkeer tussen derde landen en de [Europese Unie] of tussen individuele ondernemingen in een land waarop maatregelen van toepassing zijn en de [Unie] als gevolg van praktijken, processen of werkzaamheden waarvoor, afgezien van de instelling van het recht, onvoldoende reden of economische rechtvaardiging bestaat en waarbij wordt bewezen dat er sprake is van schade of dat de corrigerende werking van het recht, gezien de prijzen en/of de hoeveelheden van het soortgelijke product, wordt ondermijnd, en dat dumping plaatsvindt ten aanzien van de voor de soortgelijke producten eerder vastgestelde normale waarden, eventueel overeenkomstig artikel 2 [van de antidumpingbasisverordening]”. Artikel 23, leden 1 en 3, van de antisubsidiebasisverordening is in soortgelijke bewoordingen geformuleerd met uitzondering van het vereiste van het bewijs van het bestaan van dumping, dat is vervangen door het bewijs dat „de soortgelijke ingevoerde producten en/of delen daarvan nog steeds gesubsidieerd worden”.
3
In artikel 13, lid 1, tweede alinea, van de antidumpingbasisverordening en artikel 23, lid 3, sub a, van de antisubsidiebasisverordening wordt gepreciseerd dat de als ontwijking aangemerkte praktijken, processen of werkzaamheden onder andere omvatten het enigszins wijzigen van het betrokken product om het te laten vallen onder douanecodes waarop geen maatregelen van toepassing zijn, mits de wijziging de wezenlijke kenmerken van het product niet aantast.
4
Verder dient eraan te worden herinnerd dat in artikel 1, lid 4, van de antidumpingbasisverordening en artikel 2, sub c, van de antisubsidiebasisverordening wordt gepreciseerd dat, voor de toepassing van deze verordeningen „onder ‚soortgelijk product’ [wordt] verstaan een product dat identiek is, dat wil zeggen in ieder opzicht gelijk aan het betrokken product of, bij gebrek aan een dergelijk product, een ander product dat, hoewel het niet in ieder opzicht gelijk is, kenmerken bezit die grote overeenkomst vertonen met die van het betrokken product”.
Voorgeschiedenis van het geding
Aanvankelijke procedures
5
Op 29 april 2008 heeft de European Biodiesel Board (EBB) namens een groot aantal producenten van biodiesel in de Europese Unie twee klachten ingediend waarin de Commissie werd verzocht om met betrekking tot de invoer van biodiesel uit de Verenigde Staten een antidumpingprocedure en een antisubsidieprocedure in te leiden op basis van, respectievelijk, artikel 5 van verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 1996, L 56, blz. 1), zoals gewijzigd (PB 2005, L 340, blz. 17) (thans artikel 5 van de antidumpingbasisverordening), en artikel 10 van verordening (EG) nr. 2026/97 van de Raad van 6 oktober 1997 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid van de Europese Gemeenschap zijn (PB L 288, blz. 1) (thans artikel 10 van de antisubsidiebasisverordening).
6
Biodiesel is een vervangingsproduct voor minerale diesel. Hij wordt verkocht in zuivere vorm of gemengd met minerale diesel. Om de verschillende biodieselmengsels duidelijk van elkaar te onderscheiden bestaat er een internationaal erkend systeem, genoemd de „B-factor”, die de exacte hoeveelheid biodiesel in elk mengsel aangeeft. Zo zal een mengsel dat x % biodiesel bevat, worden aangeduid met de vermelding „B” gevolgd door het percentage biodiesel, terwijl zuivere biodiesel B100 wordt genoemd.
7
De EBB klaagde over massale subsidiëring van de productie van biodiesel in de Verenigde Staten en in het bijzonder over het bestaan van een federale regeling betreffende een belastingkrediet (blender’s credit) van 1 dollar van de Verenigde Staten (USD) per gallon zuivere biodiesel in een biodieselmengsel dat bestemd is om als brandstof te worden gebruikt. Volgens de EBB had deze subsidiëring tot een massale en onnatuurlijke toename van de invoer van biodiesel uit de Verenigde Staten in de Unie geleid. De EBB verklaarde dat, om een maximale subsidie te krijgen, de Noord-Amerikaanse producenten doorgaans een minimale dosis minerale diesel, in casu 0,1 % of zelfs minder, toevoegen om een mengsel te verkrijgen dat 99,9 % zuivere biodiesel bevat (hierna: „B99,9‑mengsels”). De invoer uit de Verenigde Staten waarop de klachten van de EBB betrekking hadden, betrof dus vooral B99,9‑mengsels.
8
Volgens de EBB ging het hier om invoer met dumping die schade berokkende aan de biodieselproducenten in de Unie omdat deze Noord-Amerikaanse B99,9‑mengsels in rechtstreekse concurrentie stonden met de in de Unie geproduceerde biodiesel. Uit de stukken blijkt dat de betrokken bedrijfstak in Europa vooral zuivere biodiesel (B100) produceerde.
9
De EBB preciseerde in haar klachten dat het voor de consumenten in de Verenigde Staten bestemde eindproduct, in casu brandstof, meestal een B20‑mengsel was. De in de Unie toepasselijke regeling stond echter slechts toe, B5‑ en B7‑mengsels aan de consument te verkopen.
10
Bij in het Publicatieblad van de Europese Unie van 13 juni 2008 bekendgemaakte berichten heeft de Commissie tegen de invoer van biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten enerzijds een antidumpingprocedure (PB C 147, blz. 5) en anderzijds een antisubsidieprocedure (PB C 147, blz. 10) (hierna samen: „aanvankelijk onderzoek”) ingeleid.
11
Het product waarop het aanvankelijke onderzoek betrekking had, bestond uit „door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasoliën van niet-fossiele oorsprong (beter bekend als ‚biodiesel’), in ongemengde vorm of als bijmengsel, voornamelijk doch niet uitsluitend gebruikt als hernieuwbare brandstof, van oorsprong uit de Verenigde Staten [...], die doorgaans worden aangegeven onder de GN-codes 3824 90 91, ex 3824 90 97, ex 2710 19 41, ex 1516 20 98, ex 1518 00 91 en ex 1518 00 99”. Het onderzoek had betrekking op de periode van 1 april 2007 tot en met 31 maart 2008 (hierna: „aanvankelijke onderzoeksperiode”).
12
Op 11 maart 2009 heeft de Commissie verordening (EG) nr. 193/2009 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika (PB L 67, blz. 22; hierna: „voorlopige antidumpingverordening”) en verordening (EG) nr. 194/2009 tot instelling van een voorlopig compenserend recht op biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika (PB L 67, blz. 22; hierna: „voorlopige antisubsidieverordening”) vastgesteld. Deze twee verordeningen samen worden hierna de „voorlopige verordeningen” en de daarbij ingestelde rechten de „voorlopige rechten” genoemd.
13
In de voorlopige verordeningen heeft de Commissie met betrekking tot de onderzochte producten verklaard dat „[d]e definitie van het betrokken product zoals die [was] opgenomen in [de] bericht[en] van inleiding [...], [moest] worden verduidelijkt om precies aan te geven op welke producten het onderzoek betrekking moest hebben” (punt 23 van de considerans van de voorlopige antidumpingverordening en punt 25 van de considerans van de voorlopige antisubsidieverordening).
14
De Commissie heeft deze precisering verricht na te hebben aangegeven dat de mengsels met 20 % of minder biodiesel (hierna: „≤ B20‑mengsels”), vooral de B20‑mengsels en de B6-, B5‑ en B2‑mengsels, bestemd waren voor rechtstreeks verbruik op de markt van de Verenigde Staten. Zij heeft er namelijk op gewezen dat in de Verenigde Staten ≤ B20‑mengsels voor alle dieselmotoren kunnen worden gebruikt, zonder dat hierdoor de garantie van de autofabrikant in het geding komt (punt 24 van de considerans van de voorlopige antidumpingverordening en punt 26 van de considerans van de voorlopige antisubsidieverordening).
15
Aldus heeft de Commissie, „om een duidelijk onderscheid te maken tussen de verschillende soorten mengsels die op de Amerikaanse markt verkrijgbaar zijn”, geoordeeld dat het product waarop het aanvankelijke onderzoek betrekking heeft „moet” worden gedefinieerd als biodiesel in ongemengde vorm of in mengsels met een biodieselgehalte van meer dan 20 % (hierna: „> B20‑mengsels”) (punt 26 van de considerans van de voorlopige antidumpingverordening en punt 28 van de considerans van de voorlopige antisubsidieverordening).
16
Na het betrokken product te hebben gedefinieerd, heeft de Commissie in de voorlopige verordeningen ook gepreciseerd dat „[v]astgesteld [was] dat alle soorten biodiesel en de biodiesel in de mengsels waarop dit onderzoek betrekking [had], ondanks mogelijke verschillen wat de gebruikte grondstoffen en het productieproces betreft, dezelfde of sterk gelijkende fysische, chemische en technische basiseigenschappen [hadden] en voor dezelfde doelen [werden] gebruikt” en dat „[d]e mogelijke variaties in het betrokken product [...] niets [veranderden] aan zijn basisdefinitie en eigenschappen, noch aan het beeld dat de verschillende partijen ervan [hadden]” (punt 27 van de considerans van de voorlopige antidumpingverordening en punt 29 van de considerans van de voorlopige antisubsidieverordening).
17
Met betrekking tot de definitie van het betrokken soortgelijke product in de zin van artikel 1, lid 4, van de antidumpingbasisverordening en artikel 2, sub c, van de antisubsidiebasisverordening heeft de Commissie verklaard dat „de producten die in de [Verenigde Staten] [werden] vervaardigd en daar op de binnenlandse markt [werden] verkocht en waarop dit onderzoek betrekking [had], dezelfde fysische, chemische en technische basiseigenschappen en hetzelfde gebruik [hadden] als de producten die uit de [Verenigde Staten] naar de [Unie] [werden] uitgevoerd” en dat „[e]venzo [...] de door de [Europese] producenten vervaardigde en op de [...] markt [van de Unie] verkochte producten dezelfde fysische, chemische en technische basiseigenschappen en hetzelfde gebruik [hadden] als de producten die uit de [Verenigde Staten] naar de [Unie] [werden] uitgevoerd” (punt 29 van de considerans van de voorlopige antidumpingverordening en punt 31 van de considerans van de voorlopige antisubsidieverordening). De Commissie heeft ook verklaard dat „de verschillende soorten van het betrokken product die in de [Verenigde Staten] worden vervaardigd en vervolgens naar de [Unie] [werden] uitgevoerd, verwisselbaar [waren] met de producten die in de [Unie] door [Europese] biodieselproducenten [werden] vervaardigd” (punt 31 van de considerans van de voorlopige antidumpingverordening en punt 33 van de considerans van de voorlopige antisubsidieverordening).
18
Voor de vaststelling van de voorlopige verordeningen heeft de Commissie gebruikgemaakt van de steekproefmethode waarin artikel 17, lid 1, van de antidumpingbasisverordening en artikel 27, lid 1, van de antisubsidiebasisverordening voorzien. Zo heeft de Commissie bij de vaststelling van het tarief van de voorlopige rechten een onderscheid gemaakt tussen drie categorieën van ondernemingen.
19
De eerste categorie betrof de in de steekproef opgenomen ondernemingen die hadden meegewerkt. Voor elk van deze in artikel 1 van de voorlopige verordeningen genoemde ondernemingen heeft de Commissie een individuele berekening gemaakt van de dumpingmarge, de subsidiemarge en de schade en een individueel tarief vastgesteld (punt 55 van de considerans van de voorlopige antidumpingverordening en punt 158 van de considerans van de voorlopige antisubsidieverordening).
20
De tweede categorie omvatte de ondernemingen die hadden meegewerkt, maar niet in de steekproef waren opgenomen. Deze ondernemingen worden genoemd in een als bijlage bij de voorlopige verordeningen gevoegde lijst. Voor deze ondernemingen kwam de dumpingmarge, de subsidiemarge en de schademarge overeen met het gewogen gemiddelde van de marges die voor de in de steekproef opgenomen ondernemingen waren vastgesteld (punt 56 van de considerans van de voorlopige antidumpingverordening en punt 159 van de considerans van de voorlopige antisubsidieverordening).
21
De derde categorie ten slotte betrof alle andere ondernemingen waarvoor resttarieven zijn vastgesteld. Om de dumpingmarge, de hoogte van de subsidie en de schademarge voor deze vennootschappen vast te stellen heeft de Commissie eerst de algemene mate van medewerking van de markdeelnemers aan het aanvankelijke onderzoek vastgesteld. Daartoe heeft zij de totale door de meewerkende marktdeelnemers uitgevoerde hoeveelheid van het betrokken product vergeleken met de totale invoer van het betrokken product uit de Verenigde Staten, zoals die bleek uit de uitvoerstatistieken. De algemene mate van de mate van medewerking is vastgesteld op 81 %, wat als hoog is aangemerkt. Op basis daarvan heeft de Commissie het passend geacht om de dumpingmarge, de hoogte van de subsidie en de schademarge voor deze ondernemingen vast te stellen op het niveau van de marges van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs met de hoogste marges (punt 57 van de considerans van de voorlopige antidumpingverordening en punt 160 van de considerans van de voorlopige antisubsidieverordening).
22
Overeenkomstig de regel van het laagste recht is voor elk van deze drie categorieën van ondernemingen het toepasselijke tarief van de voorlopige rechten vastgesteld op de dumping/subsidiemarge of de schademarge indien deze lager was (punt 166 van de considerans van de voorlopige antidumpingverordening en punt 271 van de considerans van de voorlopige antisubsidieverordening). De voorlopige antidumpingrechten en de voorlopige compenserende rechten zijn slechts gecumuleerd voor zover dat noodzakelijk was om de schade op te heffen (punt 167 van de considerans van de voorlopige antidumpingverordening).
23
De voorlopige rechten op de > B20‑mengsels zijn grotendeels vastgesteld naar evenredigheid van het totale biodieselgehalte van die mengsels (punt 169 van de considerans en artikel 1, lid 2, laatste alinea, van de voorlopige antidumpingverordening en punt 273 van de considerans en artikel 1, lid 2, laatste alinea, van de voorlopige antisubsidieverordening).
24
Op 7 juli 2009 heeft de Raad van de Europese Unie verordening (EG) nr. 598/2009 tot instelling van een definitief compenserend recht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika (PB L 179, blz. 1; hierna: „aanvankelijke antisubsidieverordening”) en verordening (EG) nr. 599/2009 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika (PB L 179, blz. 26; hierna: „aanvankelijke antidumpingverordening”) vastgesteld. Deze twee verordeningen worden hierna de „aanvankelijke verordeningen” en de daarbij ingestelde definitieve rechten de „aanvankelijke rechten” genoemd.
25
De definitie van het betrokken product en die van het betrokken soortgelijke product, zoals deze door de Commissie in de voorlopige verordeningen zijn vastgesteld, zijn in de aanvankelijke verordeningen gehandhaafd. De Raad heeft dienaangaande beklemtoond dat „uit het onderzoek [was gebleken] dat B20[‑mengsels], en eventueel ook mengsels met een lager biodieselgehalte, rechtstreeks aan de consumenten in de [Verenigde Staten] werden verkocht” en dat er „twee verschillende markten [waren] met verschillende afnemers: op de ene markt [waren] biodiesel en biodieselmengsels bestemd voor (verdere) menging door handelaren en op de andere markt [waren] de mengsels bestemd voor distributie en dus voor de consument”. Volgens de Raad kon „[d]oor de drempel voor het betrokken product bij B20 te leggen, [...] een duidelijke grens worden getrokken en [...] verwarring tussen de producten, de markten en de verschillende partijen in de [Verenigde Staten] worden vermeden” (punt 33 van de considerans van de aanvankelijke antidumpingverordening en punt 34 van de considerans van de aanvankelijke antisubsidieverordening).
26
De tarieven van de aanvankelijke rechten zijn vastgesteld naargelang van de drie in de punten 19 tot en met 21 hierboven genoemde categorieën van ondernemingen. Zoals uit de punten 8 tot en met 12 van de aanvankelijke verordeningen blijkt, heeft de Raad aan de tweede categorie van ondernemingen een aantal marktdeelnemers toegevoegd die op het tijdstip van de inleiding van het aanvankelijke onderzoek niet bekend waren, maar zich na de vaststelling van de voorlopige verordeningen hadden bekendgemaakt. De aanvankelijke antidumpingrechten varieerden tussen 0 en 198 EUR per ton biodiesel en de aanvankelijke compenserende rechten varieerden tussen 211,2 en 237 EUR per ton biodiesel. Volgens artikel 1, lid 2, van elk van de aanvankelijke verordeningen werden de op de >B20‑mengsels ingestelde rechten toegepast naargelang van het biodieselgehalte ervan.
27
De aanvankelijke verordeningen zijn in werking getreden op de dag volgende op die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie, die op 10 juli 2009 heeft plaatsgevonden.
Procedures wegens ontwijking
28
Op 30 juni 2010 heeft de EBB bij de Commissie een klacht ingediend waarin zij om inleiding van twee procedures wegens ontwijking op grond van, respectievelijk, artikel 13, lid 3, van de antidumpingbasisverordening en artikel 23, lid 4, van de antisubsidiebasisverordening verzocht.
29
In de klacht maakte de EBB bezwaar tegen twee soorten van ontwijking van de aanvankelijke rechten, te weten enerzijds de verzending van het betrokken product via Canada en Singapore en anderzijds de invoer van biodiesel uit de Verenigde Staten in de vorm van ≤ B20‑mengsels.
30
Op 11 augustus 2010 heeft de Commissie op basis van de klacht van de EBB twee procedures wegens ontwijking ingeleid door de vaststelling van, enerzijds, verordening (EU) nr. 720/2010 tot opening van een onderzoek naar de mogelijke ontwijking van de bij verordening (EG) nr. 599/2009 van de Raad ingestelde antidumpingmaatregelen ten aanzien van biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika, door de invoer van vanuit Canada en Singapore verzonden biodiesel, ongeacht of deze als van oorsprong uit Canada en Singapore is aangegeven, en door de invoer van biodiesel in een mengsel bevattende 20 of minder gewichtsprocenten biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika, en tot onderwerping van deze invoer aan een registratieplicht (PB L 211, blz. 1) en anderzijds verordening (EU) nr. 721/2010 tot opening van een onderzoek naar de mogelijke ontwijking van de bij verordening (EG) nr. 598/2009 van de Raad ingestelde compenserende maatregelen ten aanzien van biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika, door de invoer van vanuit Canada en Singapore verzonden biodiesel, ongeacht of deze als van oorsprong uit Canada en Singapore is aangegeven, en door de invoer van biodiesel in een mengsel bevattende 20 of minder gewichtsprocenten biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika, en tot onderwerping van deze invoer aan een registratieplicht (PB L 211, blz. 6). De twee bij deze verordeningen ingeleide procedures samen worden hierna de „procedures wegens ontwijking” genoemd.
31
Krachtens artikel 2 van zowel verordening nr. 720/2010 als verordening nr. 721/2010 is de douaneautoriteiten van de lidstaten verzocht, de invoer in de Unie waarop de procedures wegens ontwijking betrekking hebben, te registreren vanaf de inwerkingtreding van die verordeningen op 13 augustus 2010.
32
Het onderzoek in het kader van de procedures wegens ontwijking heeft betrekking gehad op het tijdvak van 1 april 2009 tot en met 30 juni 2010 (hierna: „antiontwijkingsonderzoektijdvak”).
33
Verzoekster, BP Products North America Inc., die tijdens het antiontwijkingsonderzoektijdvak mengsels met minder dan 15 % biodiesel (hierna: „
34
Op 5 mei 2011 heeft de Raad uitvoeringsverordening (EU) nr. 443/2011 tot uitbreiding van het definitieve compenserende recht dat bij verordening (EG) nr. 598/2009 is ingesteld op biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika tot uit Canada verzonden biodiesel, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Canada, en tot uitbreiding van het definitieve compenserende recht dat bij verordening (EG) nr. 598/2009 is ingesteld tot biodiesel in een mengsel bevattende 20 of minder gewichtsprocenten biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika, en tot beëindiging van het onderzoek naar de uit Singapore verzonden biodiesel (PB L 122, blz. 1; hierna: „bestreden antisubsidieverordening”) vastgesteld. Op dezelfde dag heeft de Raad ook uitvoeringsverordening (EU) nr. 444/2011 tot uitbreiding van het definitieve antidumpingrecht dat bij verordening (EG) nr. 599/2009 is ingesteld op biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika tot vanuit Canada verzonden biodiesel, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Canada, en tot uitbreiding van het definitieve antidumpingrecht dat bij verordening (EG) nr. 599/2009 is ingesteld tot biodiesel in mengsels bevattende 20 of minder gewichtsprocenten biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika, en tot beëindiging van het onderzoek naar de vanuit Singapore verzonden biodiesel (PB L 122, blz. 12; hierna: „bestreden antidumpingverordening”) vastgesteld. Deze twee verordeningen samen worden hierna de „bestreden verordeningen” genoemd.
35
Met betrekking tot de invoer van ≤ B20‑mengsels uit de Verenigde Staten heeft de Raad allereerst in de bestreden verordeningen opgemerkt dat vijf Noord-Amerikaanse producenten van biodiesel, waaronder verzoekster, in het kader van de procedures wegens ontwijking hadden meegewerkt en dat van deze vijf vennootschappen alleen verzoekster tijdens het antiontwijkingsonderzoektijdvak ≤ B20‑mengsels uit de Verenigde Staten naar de Unie had uitgevoerd (punten 52 en 54 van de considerans van de bestreden antisubsidieverordening en punten 57 en 59 van de considerans van de bestreden antidumpingverordening). De Raad heeft erop gewezen dat verzoekster in het kader van het aanvankelijke onderzoek niet had meegewerkt omdat zij haar activiteiten inzake biodiesel pas begin 2009 had aangevangen en pas in december 2009, dus na de instelling van de aanvankelijke rechten, was gestart met de uitvoer van dit product naar de Unie (punt 62 van de considerans van de bestreden antisubsidieverordening en punt 67 van de considerans van de bestreden antidumpingverordening).
36
De Raad heeft erop gewezen verzoekster in de Unie mengsels met 15 % of minder biodiesel in Frankrijk, Nederland en het Verenigd Koninkrijk had verkocht en dat in alle gevallen dit product verder werd vermengd om de in bepaalde lidstaten geldende wettelijke regeling te eerbiedigen (punt 63 van de considerans van de bestreden antisubsidieverordening en punt 68 van de considerans van de bestreden antidumpingverordening). De Raad heeft ook gepreciseerd dat verzoekster had aangevoerd dat
37
In dit verband heeft de Raad opgemerkt dat „[h]et doel van een onderzoek naar ontwijking [was] om na te gaan of de geldende maatregelen zijn ontweken met een [≤ B20]-biodiesel”. Volgens de Raad was het „zo [...] dat lagere mengsels leid[d]en tot lagere vervoerskosten”. Hij heeft er echter op gewezen dat „een [≤ B20]‑mengsel [...] in feite slechts een verschillende samenstelling van een mengsel [betrof] in vergelijking met het productieproces van [> B20]‑mengsel”. Hij heeft daaraan toegevoegd dat „[d]e samenstelling van een mengsel [...] eenvoudig [is] te veranderen; het maken van B20 en lager wordt slechts beschouwd als een kleine wijziging van het betrokken product, omdat het enige verschil is gelegen in het biodieselgehalte van het mengsel.” De Raad heeft er ook op gewezen dat „zowel het betrokken product als [het ≤ B20‑mengsel] uiteindelijk voor hetzelfde gebruik in de Unie bestemd waren” en dat „[b]ovendien [...] zowel biodiesel in [≤ B20]‑mengsels [...] als biodiesel in [> B20]‑mengsels [...] dezelfde eigenschappen [had]” (punt 65 van de considerans van de bestreden antisubsidieverordening en punt 70 van de considerans van de bestreden antidumpingverordening).
38
Vervolgens heeft de Raad vastgesteld dat was voldaan aan de andere in artikel 13, lid 1, eerste alinea, van de antidumpingbasisverordening en artikel 23, lid 3, van de antisubsidiebasisverordening gestelde voorwaarden om het bestaan van ontwijking aan te tonen.
39
Ten eerste heeft de Raad een verandering in de structuur van het handelsverkeer tussen de Unie en de Verenigde Staten vastgesteld. In dit verband heeft hij opgemerkt dat, hoewel ten tijde van het aanvankelijke onderzoek een B5‑mengsel in de Unie verplicht was, de uitvoer van ≤ B20‑mengsels vanuit de Verenigde Staten naar de Unie pas van de grond is gekomen na de instelling van de aanvankelijke rechten. De Raad heeft gepreciseerd dat ten tijde van het aanvankelijke onderzoek en volgens de gegevens van de in de steekproef opgenomen medewerkende producenten-exporteurs vooral B99,9‑mengsels naar de Unie waren uitgevoerd (punt 67 van de considerans van de bestreden antisubsidieverordening en punt 72 van de considerans van de bestreden antidumpingverordening). Op basis van de Eurostat-gegevens betreffende de invoer in de Unie van mengsels met een biodieselgehalte van 96,5 % of meer tijdens het antiontwijkingsonderzoektijdvak, heeft de Raad vastgesteld dat de uitvoer van B99,9‑mengsels van oorsprong uit de Verenigde Staten nagenoeg was stilgevallen (punten 18, 19 en 66 van de considerans van de bestreden antisubsidieverordening en punten 18, 19 en 71 van de considerans van de bestreden antidumpingverordening). De Raad heeft daarnaast vastgesteld dat de Verenigde Staten in hetzelfde tijdvak de uitvoer naar de Unie van 358291 ton mengsels met een biodieselgehalte van 96,5 % of minder (hierna: „≤ B96,5‑mengsels”) hadden aangegeven en dat verzoekster een „aanzienlijk deel” van die uitvoer in de vorm van ≤ B20‑mengsels had verricht (punten 20, 21, 54, 60 en 61 van de considerans van de bestreden antisubsidieverordening en punten 20, 21, 59, 65 en 66 van de considerans van de bestreden antidumpingverordening).
40
Ten tweede heeft de Raad geoordeeld dat er voor de invoer van ≤ B20‑mengsels geen andere voldoende reden of economische rechtvaardiging was dan het vermijden van de betaling de aanvankelijke rechten (punt 71 van de considerans van de bestreden antisubsidieverordening en punt 76 van de considerans van de bestreden antidumpingverordening).
41
Ten derde heeft de Raad erop gewezen dat, gelet op het in het kader van het aanvankelijke onderzoek vastgestelde geen schade veroorzakende prijspeil, de prijs van de uit de Verenigde Staten ingevoerde ≤ B20‑mengsels zowel beneden de verkoopprijs als beneden de richtprijs lag. De Raad heeft vastgesteld dat deze invoer na de instelling van de aanvankelijke rechten was begonnen en dat de ingevoerde hoeveelheden zijn niet onaanzienlijk waren. Bijgevolg is geconcludeerd dat, gezien de hoeveelheden en de prijzen, de aanvankelijke rechten waren geneutraliseerd (punten 72 en 73 van de considerans van de bestreden antisubsidieverordening en punten 77 en 78 van de considerans van de bestreden antidumpingverordening).
42
Ten vierde heeft de Raad in punt 74 van de considerans van de bestreden antisubsidieverordening vastgesteld dat de belangrijkste subsidieregeling die in het kader van het aanvankelijke onderzoek was geconstateerd, in december 2010 met terugwerkende kracht was ingesteld. De Raad heeft er eveneens – in punt 79 van de considerans van de bestreden antidumpingverordening – op gewezen dat was onderzocht „of dumping kon worden aangetoond ten aanzien van de in het [aanvankelijke] onderzoek vastgestelde normale waarde” en dat was vastgesteld dat „[u]it de vergelijking tussen de gewogen gemiddelde normale waarde en de [...] vastgestelde gewogen gemiddelde uitvoerprijs [van de ≤ B20‑mengsels] bleek dat er sprake was van dumping”.
43
Ten slotte heeft de Raad in punt 77 van de considerans van de bestreden antisubsidieverordening en in punt 82 van de considerans van de bestreden antidumpingverordening de door verzoekster op basis van, respectievelijk, artikel 23, lid 6, van de antisubsidiebasisverordening en artikel 13, lid 4, van de antidumpingbasisverordening geformuleerde verzoeken tot vrijstelling afgewezen.
44
In die omstandigheden heeft de Raad in artikel 2, lid 1, van elk van de bestreden verordeningen, de aanvankelijke rechten uitgebreid tot de invoer van ≤ B20‑mengsels van oorsprong uit de Verenigde Staten (hierna: „uitgebreide rechten”).
45
De uitgebreide rechten zijn die welke in artikel 1, lid 2, van elk van de aanvankelijke verordeningen (zie punt 26 hierboven) zijn vastgesteld voor de drie in de punten 19 tot en met 21 hierboven genoemde categorieën van ondernemingen.
46
Overeenkomstig artikel 2, lid 2, van elk van de bestreden verordeningen worden de uitgebreide rechten geïnd met terugwerkende kracht vanaf de datum van de op 13 augustus 2010 verplicht geworden registratie van de ingevoerde ≤ B20‑mengsels (zie punt 31 hierboven).
47
Uit de stukken blijkt dat op verzoekster, met terugwerkende kracht vanaf de datum van de registratie van bepaalde vóór de vaststelling van de bestreden verordeningen verrichte importen, de voor de derde categorie van ondernemingen geldende tarieven zijn toegepast (zie punt 21 hierboven).
48
Bij brief van 6 mei 2011 heeft de Commissie geantwoord op het in punt 33 hierboven genoemde memorandum van verzoekster van 28 maart 2011.
49
Bij brief van 20 juni 2011 heeft verzoekster de Commissie laten weten dat zij het niet eens was met de uitkomst van de procedures wegens afwijking. Zij heeft ook verklaard dat zij overwoog om bij het Gerecht een beroep in te stellen tegen de bestreden verordeningen, en zij heeft de Commissie gesuggereerd een bijeenkomst te beleggen om te praten over de mogelijkheid om hetzij haar een individuele behandeling als nieuwe exporteur toe te kennen op grond van artikel 11, lid 4, van de antidumpingbasisverordening en artikel 20 van de antisubsidiebasisverordening, hetzij haar gedeeltelijke vrijstelling te verlenen van de uitgebreide rechten, die als overdreven worden beschouwd. Deze bijeenkomst heeft plaatsgevonden op 15 juli 2011. De Commissie heeft de verzoeken van verzoekster niet ingewilligd.
Procesverloop en conclusies van partijen
50
Bij op 21 juli 2011 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.
51
Bij op respectievelijk 3 oktober en 11 november 2011 ter griffie van het Gerecht neergelegde akten hebben de Commissie en EBB verzocht om in de onderhavige zaak te mogen interveniëren aan de zijde van de Raad.
52
Bij beschikking van 22 november 2011 heeft de president van de Vierde kamer van het Gerecht de Commissie toegelaten tot interventie.
53
Bij brief van 24 november 2011 heeft het Gerecht in het kader van de in artikel 64 van zijn Reglement voor de procesvoering bedoelde maatregelen tot organisatie van de procesgang schriftelijke vragen gesteld aan verzoekster, de Raad en de Commissie en hun verzocht daarop respectievelijk in de repliek, in de dupliek en in de memorie in interventie te antwoorden. Het Gerecht heeft de Raad ook verzocht bepaalde documenten neer te leggen. De partijen hebben binnen de gestelde termijnen deze memories neergelegd en gevolg gegeven aan deze maatregelen tot organisatie van de procesgang.
54
Bij beschikking van 9 februari 2012 heeft de president van de Vierde kamer van het Gerecht de EBB toegelaten tot interventie.
55
Bij brief van 13 februari 2012 heeft het Gerecht in het kader van de in artikel 64 van zijn Reglement voor de procesvoering bedoelde maatregelen tot organisatie van de procesgang schriftelijke vragen gesteld aan de EBB en deze verzocht daarop te antwoorden in zijn memorie in interventie. De EBB heeft binnen de gestelde termijn deze memorie neergelegd en geantwoord op de vragen.
56
De Raad en verzoekster hebben, respectievelijk op 26 maart en 5 juni 2012, verzocht dat bepaalde vertrouwelijke gegevens uit de dupliek en de opmerkingen van verzoekster over de memorie in interventie van de EBB alsmede uit bepaalde bijlagen daarbij niet aan de EBB worden meegedeeld. Zij hebben een niet-vertrouwelijke versie van deze verschillende processtukken overgelegd voor mededeling aan de EBB. Aan de EBB is slechts deze niet-vertrouwelijke versie van die processtukken meegedeeld. De EBB heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt.
57
Omdat twee leden van de kamer verhinderd waren, heeft de president van het Gerecht overeenkomstig artikel 32, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering twee andere rechters aangewezen ter aanvulling van de kamer.
58
Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan en in het kader van de in artikel 64 van zijn Reglement voor de procesvoering bedoelde maatregelen tot organisatie van de procesgang heeft het alle partijen een aantal schriftelijke vragen gesteld. Het Gerecht heeft de EBB ook verzocht bepaalde documenten neer te leggen. De partijen hebben binnen de gestelde termijn geantwoord op de vragen en deze documenten neergelegd.
59
Ter terechtzitting van 14 mei 2013 hebben partijen pleidooi gehouden en geantwoord op de mondelinge vragen van het Gerecht.
60
Verzoekster verzoekt het Gerecht:
—
artikel 2 van elk van de bestreden verordeningen nietig te verklaren voor zover het betrekking heeft op verzoekster;
—
de Raad te verwijzen in de kosten.
61
De Raad verzoekt het Gerecht:
—
het beroep te verwerpen;
—
verzoekster te verwijzen in de kosten.
62
Ter terechtzitting heeft de Raad bovendien verzocht, het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
63
De Commissie verzoekt het Gerecht:
—
het beroep te verwerpen;
—
verzoekster te verwijzen in de kosten.
64
De EBB verzoekt het Gerecht:
—
het beroep te verwerpen;
—
verzoekster te verwijzen in de kosten.
In rechte
1. Ontvankelijkheid
65
Zonder formeel een exceptie van niet-ontvankelijkheid als bedoeld in artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering op te werpen heeft de Raad ter terechtzitting de ontvankelijkheid van het beroep betwist op grond dat de bestreden verordeningen verzoekster niet individueel raakten in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU.
66
In dit verband heeft de Raad beklemtoond dat verzoekster geen producent van biodiesel was, maar een met een importeur gelijk te stellen handelaar. De Raad heeft er dienaangaande op gewezen dat verzoekster noch tijdens de procedures wegens ontwijking noch voor het Gerecht heeft gesteld dat zij biodiesel produceerde. Integendeel, in punt 46 van haar repliek zou verzoekster hebben toegegeven dat noch zijzelf noch haar dochterondernemingen over biodieselinstallaties beschikten. Volgens het arrest van het Gerecht van 19 april 2012, Würth en Fasteners (Shenyang)/Raad (T‑162/09), bevinden importeurs of handelaars, zoals verzoekster, zich echter in een andere situatie dan producenten en kunnen zij normaliter niet kunnen worden beschouwd individueel te worden geraakt door een verordening waarbij antidumpingrechten of compenserende rechten worden opgelegd, zelfs niet indien zij hebben deelgenomen aan de procedure die tot vaststelling van die verordening heeft geleid.
67
In zijn antwoord op een mondelinge vraag van het Gerecht heeft de Raad verklaard dat hij tijdens de schriftelijke behandeling de ontvankelijkheid van het beroep niet had betwist omdat het arrest Würth en Fasteners (Shenyang)/Raad, aangehaald in punt 66 hierboven, op dat ogenblik nog niet was gewezen. Hij heeft er echter op gewezen dat de procesbevoegdheid van een partij voor het Gerecht een punt van openbare orde was dat het Gerecht ambtshalve diende te behandelen.
68
Ter terechtzitting heeft verzoekster het Gerecht verzocht, het voorbehoud van de Raad ter zake van de ontvankelijkheid van het beroep van de hand te wijzen. Verzoekster heeft verklaard dat zij geen importeur, maar een exporteur van de betrokken producten was, wat de Raad zelf zou hebben erkend in punt 66 van de considerans van de bestreden antidumpingverordening. Verder heeft verzoekster gepreciseerd dat zij geen zuivere biodiesel (B100) en ook geen B99,9‑mengsels produceerde, maar als raffinadeur deze producten aankocht om ze vervolgens aan te lengen met minerale diesel teneinde de mengsels met een lager biodieselgehalte te produceren die zij uitvoerde. Zij zou dus ten dele producent en ten dele exporteur van biodieselmengsels zijn. Verzoekster heeft er ook op gewezen dat zij had deelgenomen aan de procedures wegens ontwijking en in de bestreden verordeningen uitdrukkelijk was genoemd. Ten slotte heeft verzoekster erop geattendeerd dat de Raad de ontvankelijkheid van het beroep in een te late fase van de procedure heeft betwist.
69
Volgens artikel 263, vierde alinea, VWEU „[kan] [i]edere natuurlijke of rechtspersoon [...] onder de in de eerste en tweede alinea vastgestelde voorwaarden beroep instellen tegen handelingen die tot hem gericht zijn of die hem rechtstreeks en individueel raken, alsmede tegen regelgevingshandelingen die hem rechtstreeks raken en die geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengen”.
70
Er zij aan herinnerd dat het in artikel 263, vierde alinea, VWEU geformuleerde criterium dat de ontvankelijkheid van een beroep van een natuurlijke of rechtspersoon tegen een handeling die niet tot hem is gericht, afhankelijk stelt van de voorwaarde dat hij rechtstreeks en individueel wordt geraakt door die handeling, een niet-ontvankelijkheidsgrond van openbare orde vormt die de rechterlijke instanties van de Unie op elk moment, zelfs ambtshalve, kunnen onderzoeken (beschikking Hof van 5 juli 2001, Conseil national des professions de l’automobile e.a./Commissie, C-341/00 P, Jurispr. blz. I-5263, punt 32, en arrest Hof van 29 november 2007, Stadtwerke Schwäbisch Hall e.a./Commissie, C‑176/06 P, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 18).
71
Uit artikel 13, lid 1, eerste alinea, van de antidumpingbasisverordening en artikel 23, lid 1, van de antisubsidiebasisverordening volgt dat de verordeningen waarbij rechten worden uitgebreid in geval van ontwijking, slechts tot gevolg hebben dat de werkingssfeer van de aanvankelijke verordeningen wordt uitgebreid. Een verordening waarbij een antidumpingrecht of een compenserend recht wordt uitgebreid, heeft voor de aan het aldus uitgebreide recht onderworpen ondernemingen dus dezelfde rechtsgevolgen als een verordening tot instelling van een definitief recht voor de aan een dergelijk recht onderworpen ondernemingen (zie in die zin arrest Gerecht van 26 september 2000, Büchel/Raad en Commissie, T-74/97 en T-75/97, Jurispr. blz. II-3067, punt 52).
72
In het onderhavige geval betwist de Raad niet dat de bestreden verordeningen verzoekster rechtstreeks raken. De douaneautoriteiten van de lidstaten zijn immers verplicht de bij de bestreden verordeningen tot de invoer van ≤ B20‑mengsels van oorsprong uit de Verenigde Staten uitgebreide rechten te innen en hebben dienaangaande geen enkele beoordelingsmarge (zie in die zin arrest Gerecht van 25 september 1997, Shanghai Bicycle/Raad, T-170/94, Jurispr. blz. II-1383, punt 41).
73
Met betrekking tot de voorwaarde inzake het individueel geraakt worden dient eraan te worden herinnerd dat verordeningen waarbij antidumpingrechten of compenserende rechten worden ingesteld, gelet op de criteria van artikel 263, vierde alinea, VWEU, naar de aard en de strekking ervan weliswaar een normatief karakter hebben aangezien zij voor alle betrokken marktdeelnemers gelden, maar dat niet is uitgesloten dat sommige bepalingen van deze verordeningen bepaalde marktdeelnemers individueel kunnen raken (arrest Hof van 21 februari 1984, Allied Corporation e.a./Commissie, 239/82 en 275/82, Jurispr. blz. 1005, punt 11; arresten Gerecht van 20 juni 2000, Euromin/Raad, T-597/97, Jurispr. blz. II-2419, punt 43, en 28 februari 2002, BSC Footwear Supplies e.a./Raad, T-598/97, Jurispr. blz. II-1155, punt 43).
74
De rechter van de Unie heeft geoordeeld dat sommige bepalingen van de verordeningen waarbij antidumpingrechten of compenserende rechten worden ingesteld, de producenten en exporteurs van het betrokken product die op basis van gegevens betreffende hun commerciële activiteit van de dumpingpraktijken werden beschuldigd, individueel konden raken. Dit is in de regel het geval met productie‑ en exportondernemingen die kunnen aantonen dat hun identiteit blijkt uit de handelingen van de Commissie en de Raad, dan wel dat het vooronderzoek hen heeft betroffen (zie in die zin arrest Allied Corporation e.a./Commissie, aangehaald in punt 73 hierboven, punten 11 en 12; arrest Gerecht Euromin/Raad, aangehaald in punt 73 hierboven, punt 45, en arrest van 19 september 2001, Mukand e.a./Raad, T-58/99, Jurispr. blz. II-2521, punt 21).
75
In het onderhavige geval heeft de Raad in de bestreden verordeningen erkend dat verzoekster de hoedanigheid van producent had. In de punten 52 en 54 van de considerans van de bestreden antisubsidieverordening en de punten 57 en 59 van de considerans van de bestreden antidumpingverordening heeft de Raad immers aangegeven dat verzoekster deel uitmaakte van de groep van de vijf „[Amerikaanse] producenten [...] van biodiesel of mengsels van biodiesel” die in het kader van de procedures wegens ontwijking hadden meegewerkt. Zoals uit punt 46 van de repliek en uit de door verzoekster ter terechtzitting verstrekte preciseringen blijkt, zijn deze laatste en haar dochterondernemingen niet betrokken bij de productie van zuivere biodiesel (B100) of B99,9‑mengsels, maar kopen zij deze producten van producenten en derden en mengen zij deze vervolgens met minerale diesel ter verkrijging van de mengsels met een lager biodieselgehalte die zij uitvoeren. Verzoekster koopt ook biodieselmengsels van derden. Bijgevolg staat vast dat verzoekster ten dele producent en ten dele exporteur van biodieselmengsels is.
76
Verder dient te worden opgemerkt dat verzoekster een belangrijke rol heeft gespeeld in het kader van de procedures wegens ontwijking. In punt 52 van de considerans van de bestreden antisubsidieverordening en in punt 57 van de considerans van de bestreden antidumpingverordening heeft de Raad er immers op gewezen dat van deze vijf in de Verenigde Staten gevestigde producenten van biodiesel die hadden meegewerkt, alleen verzoekster tijdens het antiontwijkingsonderzoektijdvak ≤ B20‑mengsels uit de Verenigde Staten naar de Unie had uitgevoerd (zie punt 35 hierboven). In punt 61 van de considerans van de bestreden antisubsidieverordening en in punt 66 van de considerans van de bestreden antidumpingverordening heeft de Raad erkend dat de uitvoer van verzoekster een „aanzienlijk deel” van de in dat tijdvak vastgestelde totale invoer van ≤ B96,5‑mengsels van oorsprong uit de Verenigde Staten had gevormd. De Raad betwist niet dat verzoekster tijdens de procedures wegens ontwijking ten volle met de instellingen heeft meegewerkt door gegevens over haar commerciële activiteit te verstrekken en dat die gegevens in aanmerking zijn genomen om de draagwijdte van de bestreden verordeningen te bepalen. Ten slotte dient erop te worden gewezen dat de Raad in punt 77 van de considerans van de bestreden antisubsidieverordening en in punt 82 van de considerans van de bestreden antidumpingverordening de door verzoekster op grond van, respectievelijk, artikel 23, lid 6, van de antisubsidiebasisverordening en artikel 13, lid 4, van de antidumpingbasisverordening geformuleerde verzoeken om vrijstelling uitdrukkelijk heeft afgewezen.
77
In die omstandigheden lijdt het, gelet op de uit de rechtspraak voortvloeiende criteria zoals die in punt 74 hierboven in herinnering zijn gebracht, geen twijfel dat de bestreden verordeningen verzoekster individueel raken.
78
Bijgevolg dient het door de Raad ter terechtzitting geformuleerde voorbehoud ter zake van de procesbevoegdheid van verzoekster van de hand te worden gewezen en dient het beroep ontvankelijk te worden verklaard.
2. Ten gronde
79
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vier middelen aan. Als eerste middel voert zij aan dat de Raad de antidumpingbasisverordening, de antisubsidiebasisverordening en het rechtszekerheidsbeginsel heeft geschonden en misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid door de aanvankelijke rechten uit te breiden bij wege van procedures wegens ontwijking. Het tweede middel betreft kennelijke fouten bij de beoordeling van de verzoekster betreffende feiten. Het derde middel betreft niet-nakoming van de motiveringsplicht. Het vierde middel betreft schending van het non-discriminatiebeginsel en van het beginsel van behoorlijk bestuur.
Eerste middel: schending van de antidumpingbasisverordening, de antisubsidiebasisverordening en het rechtszekerheidsbeginsel en misbruik van bevoegdheid door de aanvankelijke rechten uit te breiden bij wege van procedures wegens ontwijking
80
In het kader van het eerste middel betwist verzoeksters dat de ≤ B20‑ en > B20‑mengsels als „enigszins gewijzigde soortgelijke producten” in de zin van artikel 13, lid 1, van de antidumpingbasisverordening en artikel 23, lid 1, van de antisubsidiebasisverordening kunnen worden aangemerkt en stelt zij schending van die verordeningen en van het rechtszekerheidsbeginsel en misbruik van bevoegdheid.
81
Dit middel bestaat in wezen uit twee onderdelen.
82
In het kader van het eerste onderdeel legt verzoekster de nadruk op de verschillen tussen de > B20‑mengsels enerzijds en de ≤ B20‑mengsels anderzijds en op het feit dat deze laatste uitdrukkelijk zijn uitgesloten van de werkingssfeer van de aanvankelijke verordeningen.
83
In het kader van het tweede onderdeel betwist verzoekster het bestaan van een wijziging van het betrokken product in de zin van artikel 13, lid 1, van de antidumpingbasisverordening en artikel 23, leden 1 en 3, sub a, van de antisubsidiebasisverordening, gelet op het feit dat er steeds ≤ B20‑mengsels hebben bestaan en dat deze niet speciaal zijn gecreëerd om te ontsnappen aan de rechten.
Eerste onderdeel van het eerste middel: de verschillen tussen de > B20‑mengsels en de ≤ B20‑mengsels en het feit dat deze laatste uitdrukkelijk zijn uitgesloten van de aanvankelijke verordeningen
84
In het kader van het eerste onderdeel van het eerste middel voert verzoekster in wezen vier grieven aan.
85
In de eerste plaats is verzoekster van mening dat de verschillen tussen de > B20‑mengsels en de ≤ B20‑mengsels eraan in de weg staan dat deze laatste ten opzichte van de > B20‑mengsels kunnen worden aangemerkt als „enigszins gewijzigde soortgelijke producten” in de zin van artikel 13, lid 1, van de antidumpingbasisverordening en artikel 23, lid 1, van de antisubsidiebasisverordening.
86
In de tweede plaats voert verzoekster aan dat de toepasselijke bepalingen de instellingen van de Unie niet toestaan de definitie van een product waarop een antidumpingrecht of een compenserend recht betrekking heeft, uit te breiden bij wege van een procedure wegens ontwijking, en dit des te minder wanneer het, zoals in het onderhavige geval, gaat om producten die uitdrukkelijk zijn uitgesloten van de aanvankelijke definitie van het betrokken product en van het soortgelijke product. In die omstandigheden zou de uitbreiding van de aanvankelijke rechten tot de door verzoekster ingevoerde ≤ B20‑mengsels inbreuk maken op de antidumpingbasisverordening, de antisubsidiebasisverordening en het rechtszekerheidsbeginsel.
87
In de derde plaats betoogt verzoekster dat de instellingen van de Unie hun bevoegdheid hebben misbruikt voor zover zij de aanvankelijke rechten hebben uitgebreid bij wege van procedures wegens ontwijking in de plaats van een nieuw onderzoek betreffende de invoer van ≤ B20‑mengsels in te leiden. In haar repliek voegt verzoekster daaraan toe dat de Commissie op zijn minst een tussentijds nieuw onderzoek in de zin van artikel 11, lid 3, van de antidumpingbasisverordening en artikel 19 van de antisubsidiebasisverordening had moeten inleiden.
88
In de vierde plaats wijst verzoekster erop dat de uitbreiding van de aanvankelijke rechten bij wege procedures wegens ontwijking haar de procedurele rechten heeft ontnomen die door de antidumpingbasisverordening en de antisubsidiebasisverordening worden verleend. In dit verband verklaart zij in haar repliek dat haar met name de mogelijkheid van verkrijging van individuele tarieven is ontnomen en dat de berekening van de dumping die de Commissie in de bestreden verordeningen heeft verricht en die de Raad heeft gevalideerd, al te eenvoudig was. Volgens haar beschikte de Commissie niet over voldoende gegevens betreffende de ≤ B20‑mengsels om de marktvoorwaarden en de dumpingmarge correct te beoordelen. In haar antwoord op de memorie in interventie van de EBB verklaart verzoekster enerzijds dat zij geen dumping heeft toegepast en dat de subsidie die zij heeft gekregen, ver beneden de door de EBB genoemde bedragen lag, en anderzijds dat de aan de bedrijfstak van de Unie berokkende schade niet is onderzocht. Ter terechtzitting heeft verzoekster nog aangevoerd dat haar invoer de corrigerende werking van de aanvankelijke rechten niet heeft geneutraliseerd.
89
De Raad, ondersteund door de Commissie en de EBB, wijst de argumenten van verzoekster van de hand.
90
Om te beginnen dient erop te worden gewezen dat verzoekster niet betwist dat de Commissie en de Raad de procedurele rechten hebben geëerbiedigd die zij volgens artikel 13 van de antidumpingbasisverordening en artikel 23 van de antisubsidiebasisverordening in het kader van de procedures wegens ontwijking geniet. Onder het mom van de in het kader van de vierde grief gestelde schending van haar procedurele rechten klaagt verzoekster in werkelijkheid over het feit dat geen nieuwe procedures zijn ingeleid waarin zij individuele tarieven had kunnen krijgen die zouden zijn vastgesteld op basis van een nauwkeurige berekening van de dumpingmarge, van de subsidie en van de schade die aan de betrokken invoer kunnen worden toegerekend. De vierde grief is aldus slechts een gevolg van de derde grief, betreffende misbruik van bevoegdheid.
91
Verder dient te worden vastgesteld dat de kritiek die verzoekster in het kader van de vierde grief heeft uitgeoefend op de wijze waarop de dumping, de schade en de neutralisatie van de corrigerende werking van de aanvankelijke rechten door de Commissie zijn bepaald, pas is geformuleerd in de repliek, in verzoeksters opmerkingen over de memorie in interventie van de EBB en ter terechtzitting. Zoals verzoekster ter terechtzitting heeft toegegeven, is in het verzoekschrift niet opgekomen tegen het door de Raad in de bestreden verordeningen geformuleerde oordeel dat de ≤ B20‑mengsels met dumping werden ingevoerd en de corrigerende werking van de aanvankelijke rechten neutraliseerden. Bijgevolg moeten deze argumenten van verzoekster worden aangemerkt als een nieuw middel, dat overeenkomstig artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering niet-ontvankelijk is omdat het te laat is voorgedragen.
92
Met betrekking tot de analyse van de drie andere grieven dient eraan te worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de instellingen van de Unie op het gebied van beschermende handelsmaatregelen over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken wegens de ingewikkeldheid van de economische, politieke en juridische situaties die zij moeten onderzoeken (zie arrest Gerecht van 28 oktober 2004, Shanghai Teraoka Electronic/Raad, T-35/01, Jurispr. blz. II-3663, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Hieruit volgt dat de rechter van de Unie bij zijn toezicht op de beoordelingen door de instellingen slechts dient na te gaan of de procedureregels in acht zijn genomen, of de feiten op grond waarvan de betwiste keuze is gemaakt, juist zijn vastgesteld, en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van deze feiten dan wel van misbruik van bevoegdheid (zie arrest Shanghai Teraoka Electronic/Raad, reeds aangehaald, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
93
Allereerst dient de eerste grief van verzoekster te worden onderzocht. Ingeval het Gerecht op basis van een objectieve analyse van de wezenlijke kenmerken van de betrokken mengsels zou oordelen dat de instellingen van de Unie een kennelijke beoordelingsfout hebben gemaakt door te concluderen dat de door verzoekster ingevoerde ≤ B20‑mengsels een kleine wijziging van de > B20 mengsels vormden, zou het beroep immers moeten worden toegewezen zonder dat de andere grieven en middelen behoeven te worden onderzocht. Ingeval echter zou worden geoordeeld dat de bestreden verordeningen geen dergelijke kennelijke boordelingsfout bevatten, zou nog moeten worden onderzocht of de Commissie zonder misbruik te maken van haar bevoegdheid en zonder de antidumpingbasisverordening, de antisubsidiebasisverordening en het rechtszekerheidsbeginsel te schenden procedures wegens ontwijking kon inleiden met betrekking tot de door verzoekster ingevoerde mengsels, ofschoon de ≤ B20‑mengsels uitdrukkelijk waren uitgesloten van de werkingssfeer van de aanvankelijke verordeningen.
– Wezenlijke kenmerken van de ≤ B20‑ en > B20‑mengsels
94
Verzoekster voert aan de mengsels met een lager biodieselgehalte, in het bijzonder de B20‑mengsels verschilden van de ≤ B20‑mengsels, toen zij heeft geweigerd, verzoekster de behandeling als nieuwe exporteur in de zin van artikel 11, lid 4, van de antidumpingbasisverordening en artikel 20 van de antisubsidiebasisverordening toe te kennen.
95
De Raad, ondersteund door de Commissie en de EBB, bestrijdt de argumenten van verzoekster.
96
Gelet op de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de instellingen van de Unie op het gebied van beschermende handelsmaatregelen beschikken (zie punt 92 hierboven), dient te worden onderzocht of verzoekster heeft aangetoond dat de Raad een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door ervan uit te gaan dat de door verzoekster uitgevoerde ≤ B20‑mengsels een kleine wijziging van het betrokken product vormden en dus ten opzichte van de > B20‑mengsels konden worden aangemerkt als „enigszins gewijzigde soortgelijke producten” met dezelfde „wezenlijke kenmerken” in de zin van artikel 13, lid 1, van de antidumpingbasisverordening en artikel 23, leden 1 en 3, sub a, van de antisubsidiebasisverordening. Daartoe zal het Gerecht de drie reeksen van argumenten van verzoekster onderzoeken, zij het in andere volgorde dan die waarin zij zijn voorgedragen.
97
Wat in de eerste plaats de objectieve verschillen tussen de mengsels naargelang van het biodieselgehalte ervan betreft, voert verzoekster allereerst aan dat volgens de dieselindustrie het biodieselgehalte bepaalt of de biodieselmengsels als minerale producten of aardolieproducten dan wel als chemische producten moeten worden ingedeeld. Ook de gecombineerde nomenclatuur zou een onderscheid maken naargelang van de samenstelling van de mengsels en het biodieselgehalte ervan. Zo zou bijvoorbeeld GN-code 2710, zoals die voorkomt in het aan de minerale oliën gewijde hoofdstuk van de gecombineerde nomenclatuur, niet van toepassing zijn op de > B30‑mengsels. Verzoekster zelf zou in haar contracten en haar facturen verschillende beschrijvingen gebruiken naargelang van het biodieselpercentage.
98
Ten slotte wijst verzoekster erop dat, voor logistieke doeleinden, bijlage II bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen (Marpol) van 2 november 1973 mengsels met een biodieselgehalte van 15 % of meer (hierna: „≥ B15‑mengsels”) indeelt onder de chemische producten die, anders dan de als minerale producten of aardolieproducten beschouwde B20‑mengsels. Verder wijst verzoekster erop dat de mengsels met een hoog biodieselgehalte minder lang kunnen worden bewaard en dat zuivere biodiesel en B99,9‑mengsels moeten worden opgeslagen in tanks die geschikt zijn voor „fatty acid methyl esters” (methylesters van vetzuren; hierna: „FAME”). Deze tanks zijn kleiner en duurder dan die welke voor mengsels met een laag biodieselgehalte worden gebruikt. Verzoekster voegt daaraan toe dat het gemakkelijker is een mengsel met een laag biodieselgehalte verder te verdunnen om B7‑ en B5‑mengsels te verkrijgen, dan een mengsel met een hoog biodieselgehalte.
99
Ten slotte verklaart verzoekster in haar repliek dat de mengsels met een hoog biodieselgehalte niet voor dezelfde doeleinden kunnen worden gebruikt als de mengsels met een laag biodieselgehalte en ook niet dezelfde kracht en hetzelfde rendement hebben.
100
In dit verband dient ten eerste te worden opgemerkt dat de uit de gecombineerde nomenclatuur voortvloeiende indelingen en de door de industrie voor handelsdoeleinden op de betrokken producten toegepaste indelingen formele indelingen zijn en niet noodzakelijk betekenen dat producten die aldus een verschillende indeling hebben gekregen, niet dezelfde wezenlijke kenmerken in de zin van artikel 13, lid 1, tweede alinea, van de antidumpingbasisverordening en artikel 23, lid 3, sub a, van de antisubsidiebasisverordening hebben (zie punt 3 hierboven). Zoals de Raad terecht opmerkt, zijn bepaalde ontwijkingspraktijken er juist op gericht een enigszins gewijzigd product uit te voeren dat niet valt onder een welbepaalde code van de gecombineerde nomenclatuur waarop de aanvankelijke rechten betrekking hadden.
101
Ten tweede dient te worden opgemerkt dat, met uitzondering van de argumenten ontleend aan de regeling inzake het vervoer over zee, verzoeksters argumenten betreffende de verschillen tussen de mengsels uit het oogpunt van de logistiek niet verwijzen naar het specifieke biodieselgehalte van de mengsels. Deze argumenten maken melding van de verschillen tussen de mengsels met een hoog biodieselgehalte en de mengsels met een laag biodieselgehalte, maar gaan niet in op de essentiële vraag of de ≤ B20‑mengsels dezelfde wezenlijke kenmerken in de zin van de antidumpingbasisverordening en de antisubsidiebasisverordening hebben als de > B20‑mengsels.
102
Met betrekking tot de argumenten ontleend aan de regeling inzake het vervoer over zee dient erop te worden gewezen dat het enkele verschil in indeling tussen de ≥ B15‑mengsels en
103
Ten derde heeft verzoekster haar in repliek geformuleerde stelling dat mengsels met een hoog biodieselgehalte en mengsels met een laag biodieselgehalte niet dezelfde kracht en ook niet hetzelfde rendement hebben, niet onderbouwd. Wat het gebruik van de mengsels naargelang van het biodieselgehalte ervan betreft, betwist verzoekster niet dat het technisch vrij eenvoudig is, biodiesel met minerale diesel te verdunnen. Verzoekster betwist ook niet dat de door haar uitgevoerde B20‑mengsels, bestemd waren om verder met minerale diesel te worden vermengd om brandstof te vervaardigen in de Unie. Zowel de B99,9‑mengsels, waarvoor de aanvankelijke rechten vooral waren ingesteld, als de door verzoekster uitgevoerde
104
Wat in de tweede plaats de specifieke kenmerken van de biodieselmarkt in de Verenigde Staten betreft, is tussen partijen in confesso dat de ≤ B20‑mengsels voor alle dieselmotoren kunnen worden gebruikt zonder dat hierdoor de garantie van de autofabrikant in het geding komt, zodat deze mengsels in de Verenigde Staten rechtstreeks aan de consument worden verkocht (zie punt 14 hierboven). Verzoekster legt echter niet afdoende uit waarom deze enkele vaststelling de Raad en de Commissie zou beletten aan te nemen dat de door haar uitgevoerde ≤ B20‑mengsels ten opzichte van de > B20‑mengsels „enigszins gewijzigde soortgelijke producten” waren. In elk geval doet dit bijzondere kenmerk van de markt van de Verenigde Staten geen afbreuk aan de vaststelling door de Raad in punt 65 van de considerans van de bestreden antisubsidieverordening en punt 70 van de considerans van de bestreden antidumpingverordening, dat de fysische, chemische en technische basiseigenschappen van de > B20‑mengsels en de ≤ B20‑mengsels zoveel overeenstemming vertoonden dat deze mengsels dezelfde verdunning konden ondergaan om geschikt te worden gemaakt voor eindverbruik in de Unie (zie punt 37 hierboven).
105
Met betrekking tot in de derde en laatste plaats de weigering van de Commissie om verzoekster de behandeling als nieuwe exporteur in de zin van artikel 11, lid 4, van de antidumpingbasisverordening en artikel 20 van de antisubsidiebasisverordening toe te kennen, daarbij gaat het om juridische overwegingen die geen invloed kunnen hebben op de in het vorige punt bedoelde technische vaststellingen. Volgens deze bepalingen is het onderzoek op grond van de hoedanigheid van nieuwe exporteur immers slechts voorbehouden aan de marktdeelnemers die met de invoer van het product waarop een antidumpingverordening of een antisubsidieverordening betrekking heeft, zijn begonnen na de vaststelling van die verordeningen. In het onderhavige geval zagen de aanvankelijke verordeningen echter niet op de ≤ B20‑mengsels. Deze omstandigheid draagt echter niets bij aan het antwoord op de vraag of deze mengsels ten opzichte van de > B20‑mengsels als „enigszins gewijzigde soortgelijke producten” konden worden aangemerkt.
106
Uit een en ander volgt dat verzoekster niet heeft aangetoond dat de Raad een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door te concluderen dat de door verzoekster uitgevoerde ≤ B20‑mengsels een kleine wijziging van het betrokken product vormden en dus ten opzichte van de > B20‑mengsels als „enigszins gewijzigde soortgelijke producten” konden worden aangemerkt doordat zij dezelfde „wezenlijke kenmerken” hadden in de zin van artikel 13, lid 1, van de antidumpingbasisverordening en artikel 23, leden 1 en 3, sub a, van de antisubsidiebasisverordening.
107
Verzoeksters eerste grief moet dus worden afgewezen.
– ≤ B20‑mengsels waren uitdrukkelijk uitgesloten van de werkingssfeer van de aanvankelijke verordeningen
108
Verzoekster wijst erop dat de aanvankelijke definities van het betrokken product en van het soortgelijke product van beslissend belang zijn voor het antwoord op de vraag of de aanvankelijke rechten zijn ontweken, en dat zij coherent moeten blijven. De procedures wegens ontwijking en het rechtszekerheidsbeginsel zouden niet toestaan dat de instellingen van de Unie de aanvankelijke definitie van een betrokken product uitbreiden, zeker niet wanneer de uitbreiding betrekking heeft op een product dat uitdrukkelijk buiten die definitie van het betrokken product en het soortgelijke product is gehouden. Het arrest van het Gerecht van 10 september 2008, JSC Kirovo-Chepetsky Khimichesky Kombinat/Raad (T‑348/05, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie) zou deze beginselen bevestigen.
109
De Raad, ondersteund door de Commissie en de EBB, bestrijdt de argumenten van verzoekster.
110
In dit verband dient in de eerste plaats te worden opgemerkt dat de in artikel 13, lid 1, van de antidumpingbasisverordening en artikel 23, lid 1, van de antisubsidiebasisverordening bedoelde procedures wegens ontwijking juist zien op producten die formeel niet onder de aanvankelijke definitie van het betrokken product en van het soortgelijke product vielen, maar niettemin „enigszins gewijzigde soortgelijke producten” vormen omdat zij dezelfde „wezenlijke kenmerken” hebben als de onder de aanvankelijke definitie vallende producten. Door de aanvankelijke rechten uit te breiden tot de ≤ B20‑mengsels heeft de Raad dus in overeenstemming met de doelstellingen van deze bepalingen gehandeld.
111
Wat in de tweede plaats het in punt 108 hierboven aangehaalde arrest JSC Kirovo-Chepetsky Khimichesky Kombinat/Raad betreft, dit bevestigt deze beginselen, anders dan verzoekster stelt. Dit arrest had immers niet betrekking op een procedure wegens ontwijking, maar op een procedure van gedeeltelijke tussentijds nieuw onderzoek in de zin van artikel 11, lid 3, van de antidumpingbasisverordening. In het kader van die procedure van nieuw onderzoek had de Raad de aanvankelijke definitie van het betrokken product uitgebreid om de betrokken rechten op te leggen voor producten waarvan het aanvankelijke betrokken product een bestanddeel vormde. Het Gerecht heeft geoordeeld dat de Raad in het kader van een procedure van tussentijds nieuw onderzoek in de zin van artikel 11, lid 3, van de antidumpingbasisverordening de aanvankelijke definitie van het betrokken product niet kon wijzigen om daarin nieuwe producten op te nemen waarop de aanvankelijke verordening niet betrekking had (arrest JSC Kirovo-Chepetsky Khimichesky Kombinat/Raad, aangehaald in punt 108 hierboven, punten 61‑65). Het Gerecht heeft daarentegen verklaard dat de instellingen van de Unie hadden moeten nagaan of de nieuwe producten, waarvan het betrokken product een bestanddeel vormde, konden worden aangemerkt als „enigszins gewijzigde soortgelijke producten” in de zin van artikel 13, lid 1, van de antidumpingbasisverordening. Het heeft geconcludeerd dat de Raad het vereiste van een onderzoek als bedoeld in laatstgenoemde bepaling niet mag ontwijken door de definitie van het betrokken product te wijzigen in het kader van de toepassing van artikel 11, lid 3, van de antidumpingbasisverordening (arrest JSC Kirovo-Chepetsky Khimichesky Kombinat/Raad, aangehaald in punt 108 hierboven, punten 66‑70).
112
Wat in de derde plaats het feit betreft dat de ≤ B20‑mengsels uitdrukkelijk waren uitgesloten van de aanvankelijke verordeningen, dient te worden opgemerkt dat, anders dan verzoekster in haar repliek en in haar antwoord op de memorie in interventie van de Commissie heeft gesuggereerd, deze uitsluiting niet op de verschillen inzake de fysische, chemische en technische basiseigenschappen van de betrokken mengsels noch op de situatie in de Unie was gebaseerd.
113
Zoals in de punten 13 tot en met 15 en 25 hierboven is gezegd, waren de bijzondere kenmerken van de markt van de Verenigde Staten, waar de ≤ B20‑mengsels anders dan de > B20‑mengsels voor rechtstreekse verkoop aan de consument bestemd waren en dus niet werden uitgevoerd, de enige rechtvaardigingsgrond om deze ≤ B20‑mengsels van de werkingssfeer van de aanvankelijke verordeningen uit te sluiten. Op grond van deze vaststelling had de Raad de drempel op het niveau van de >B20‑mengsels gesteld om „een duidelijke grens [te trekken] en [...] verwarring tussen de producten, de markten en de verschillende partijen in de [Verenigde Staten te vermijden]” (punt 33 van de considerans van de aanvankelijke antidumpingverordening en punt 34 van de aanvankelijke antisubsidieverordening).
114
Hieruit volgt enerzijds dat het standpunt van de instellingen van de Unie over de wezenlijke kenmerken van de ≤ B20‑ en de > B20‑mengsels geen innerlijke tegenstrijdigheid bevat en dat verzoekster zich in het onderhavige geval dus niet met succes op schending van het rechtszekerheidsbeginsel kan beroepen.
115
Anderzijds dient eraan te worden herinnerd dat, om de in punt 104 hierboven genoemde redenen, de specifieke marktvoorwaarden in de Verenigde Staten de Commissie en de Raad niet beletten te oordelen dat de door verzoekster uitgevoerde ≤ B20‑mengsels ten opzichte van de > B20‑mengsels„enigszins gewijzigde soortgelijke producten” in de zin van artikel 13, lid 1, van de antidumpingbasisverordening en artikel 23, leden 1 en 3, sub a, van de antisubsidiebasisverordening waren.
116
In deze omstandigheden stond het feit dat de ≤ B20‑mengsels wegens de bijzondere kenmerken van de markt van de Verenigde Staten van de aanvankelijke verordeningen waren uitgesloten, niet eraan in de weg dat de Commissie en de Raad met betrekking tot deze mengsels procedures wegens ontwijking inleidden.
117
Bijgevolg moet de tweede grief van verzoekster worden afgewezen.
– Misbruik van bevoegdheid
118
Als derde grief voert verzoekster aan dat de Commissie en de Raad niet zonder misbruik van bevoegdheid de aanvankelijke rechten bij wege van procedures wegens ontwijking tot de invoer van ≤ B20‑mengsels konden uitbreiden, maar op basis van artikel 5 van de antidumpingbasisverordening en artikel 10 van de antisubsidiebasisverordening nieuwe onderzoeken betreffende de invoer van die mengsels hadden moeten inleiden. In haar repliek voegt verzoekster daaraan toe dat de Commissie op zijn minst ambtshalve een nieuw onderzoek op basis van artikel 11, lid 3, van de antidumpingbasisverordening en artikel 19 van de antisubsidiebasisverordening had moeten verrichten.
119
De Raad, ondersteund door de Commissie en de EBB, is van mening dat de argumenten van verzoekster ongegrond zijn. Bovendien zou verzoeksters argument dat de Commissie op zijn minst verplicht was een tussentijds nieuw onderzoek te verrichten, noch in de loop van de procedures wegens ontwijking noch in het verzoekschrift zijn voorgedragen. Dit argument zou dan ook niet-ontvankelijk zijn. Ter terechtzitting heeft het Gerecht verzoekster gevraagd, hierover een standpunt in te nemen.
120
Er dient aan te worden herinnerd dat ter zake van een handeling slechts kan worden gesproken van misbruik van bevoegdheid, wanneer er objectieve, ter zake dienende en onderling overeenstemmende aanwijzingen bestaan dat die handeling uitsluitend of althans hoofdzakelijk is vastgesteld ter bereiking van andere dan de aangegeven doeleinden, dan wel ter omzeiling van een speciale procedure waarin het Verdrag heeft voorzien om aan de betrokken omstandigheden het hoofd te bieden (zie arrest Gerecht van 8 juli 1999, Vlaamse Televisie Maatschappij/Commissie, T-266/97, Jurispr. blz. II-2329, punt 131 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
121
Zoals uit punt 106 hierboven blijkt, heeft verzoekster in het onderhavige geval niet aangetoond dat de Raad een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door te concluderen dat de door verzoekster uitgevoerde ≤ B20‑mengsels een kleine wijziging van het betrokken product in de zin van artikel 13, lid 1, van de antidumpingbasisverordening en artikel 23, leden 1 en 3, sub a, van de antisubsidiebasisverordening vormden. Verder belette het feit dat de ≤ B20‑mengsels van de werkingssfeer van de aanvankelijke verordeningen waren uitgesloten, de Commissie en de Raad niet om met betrekking tot de importen van verzoekster procedures wegens ontwijking in te leiden (zie punt 116 hierboven).
122
Hieruit volgt dat de Commissie en de Raad de procedure waarin de antidumpingbasisverordening en de antisubsidiebasisverordening speciaal hebben voorzien, niet hebben omzeild om aan de betrokken omstandigheden het hoofd te bieden.
123
Bijgevolg moet de derde grief worden afgewezen zonder dat de ontvankelijkheid van verzoeksters argument betreffende de verplichting van de Commissie om op zijn minst een procedure van tussentijds onderzoek in de plaats van een procedure wegens ontwijking in te leiden, hoeft te worden onderzocht.
124
Gelet op een en ander dient het eerste onderdeel van verzoeksters eerste middel, betreffende de verschillen tussen de > B20‑mengsels en de ≤ B20‑mengsels en het feit dat laatstgenoemde uitdrukkelijk van de aanvankelijke verordeningen waren uitgesloten, te worden afgewezen.
Tweede onderdeel van het eerste middel: geen wijziging van het betrokken product
125
Verzoekster voert aan dat de ≤ B20‑mengsels geen „enigszins gewijzigde producten” in de zin van artikel 13, lid 1, van de antidumpingbasisverordening en artikel 23, leden 1 en 3, sub a, van de antisubsidiebasisverordening zijn, omdat deze mengsels steeds hebben bestaan en niet specifiek zijn gecreëerd om aan de heffing van de aanvankelijke rechten te ontsnappen.
126
Dienaangaande moet met de Raad worden vastgesteld dat de bepalingen van de antidumpingbasisverordening en van de antisubsidiebasisverordening betreffende de procedures wegens ontwijking niet de verplichting bevatten, aan te tonen dat de „enigszins gewijzigde soortgelijke producten” in de zin van deze bepalingen specifiek zijn gecreëerd om aan betaling van de rechten te ontsnappen.
127
Zoals uit de punten 13 tot en met 15, 25 en 39 hierboven blijkt, bestonden de ≤ B20‑mengsels op de markt van de Verenigde Staten, maar werden zij niet uitgevoerd naar de Unie. Pas na de instelling van de aanvankelijke rechten is de invoer van de ≤ B20‑mengsels in Europa begonnen. Omdat de fysische, chemische en technische basiseigenschappen van deze mengsels erg leken op die van de > B20‑mengsels en beide mengsels in de Unie voor hetzelfde gebruik waren bestemd (zie punt 104 hierboven), heeft de Raad in punt 65 van de considerans van de bestreden antisubsidieverordening en in punt 70 van de considerans van de bestreden antidumpingverordening terecht geconcludeerd dat de door verzoekster ingevoerde ≤ B20‑mengsels een kleine wijziging van het betrokken product vormden.
128
Bijgevolg moet het tweede onderdeel van het eerste middel, en dus het eerste middel in zijn geheel, worden afgewezen.
Tweede middel: kennelijke fouten bij de beoordeling van de verzoekster betreffende feiten
129
Het tweede middel, waarin verschillende kennelijke beoordelingsfouten van de Raad worden aangevoerd, bestaat uit drie onderdelen.
130
Het eerste onderdeel betreft de omkeerbaarheid van de wijziging van het betrokken product en is gebaseerd op de vaststelling dat de ≤ B20‑mengsels na de invoer ervan niet meer tot > B20‑mengsels kunnen worden omgevormd.
131
In het kader van het tweede onderdeel betwist verzoekster dat zij de structuur van het handelsverkeer heeft veranderd in de zin van artikel 13, lid 1, van de antidumpingbasisverordening en artikel 23, lid 3, van de antisubsidiebasisverordening.
132
In het kader van het derde onderdeel voert verzoekster aan dat de Raad de economische rechtvaardiging die zij voor haar invoer van
Eerste onderdeel van het tweede middel: de ≤ B20‑mengsels kunnen niet tot > B20‑mengsels worden omgevormd
133
Verzoekster wijst erop dat de ≤ B20‑mengsels niet tot > B20‑mengsels kunnen worden omgevormd, zodat ontwijking van de aanvankelijke rechten in feite onmogelijk is. Waar in de bestreden verordeningen het tegenovergestelde wordt verklaard, zouden deze verordeningen kennelijke beoordelingsfouten bevatten.
134
De Raad, ondersteund door de Commissie, bestrijdt verzoeksters argumenten.
135
Allereerst dient te worden opgemerkt dat, anders dan verzoekster stelt, de Raad in de bestreden verordeningen nooit heeft verklaard dat de ≤ B20‑mengsels tot > B20‑mengsels konden worden omgevormd.
136
Vervolgens dient er met de Raad op te worden gewezen dat verzoekster, door te eisen dat het gewijzigde product na de invoer ervan tot het betrokken product wordt omgevormd, voor de vaststelling van het bestaan van ontwijking een nieuw criterium hanteert waarin de antidumpingbasisverordening en de antisubsidiebasisverordening niet voorzien. Verzoekster lijkt aldus de verschillende soorten van ontwijking die in deze verordeningen worden genoemd, door elkaar te halen. In het onderhavige geval had het onderzoek onder meer betrekking op de invoer van „enigszins gewijzigde soortgelijke producten” in de zin van artikel 13, lid 1, van de antidumpingbasisverordening en artikel 23, leden 1 en 3, sub a, van de antisubsidiebasisverordening. Deze vorm van ontwijking verschilt van de in artikel 13, lid 2, van de antidumpingbasisverordening bedoelde vorm van ontwijking, die bestaat in de invoer van het betrokken product in losse onderdelen die vervolgens in de Unie worden geassembleerd, om aldus te ontsnappen aan de rechten die op het volledige product zijn ingesteld.
137
Ten slotte lijken, zoals in punt 104 hierboven is gezegd, de fysische, chemische en technische basiseigenschappen van de door verzoekster ingevoerde ≤ B20‑mengsels erg op die van de > B20‑mengsels en zijn beide mengsels in de Unie voor hetzelfde gebruik bestemd. Deze vaststellingen volstaan om te oordelen dat deze mengsels „enigszins gewijzigde soortgelijke producten” in de zin van artikel 13, lid 1, van de antidumpingbasisverordening en artikel 23, leden 1 en 3, sub a, van de antisubsidiebasisverordening vormen.
138
Bijgevolg moet het eerste onderdeel van het tweede middel worden afgewezen.
Tweede onderdeel van het tweede middel: geen verandering van de structuur van het handelsverkeer
139
Verzoekster verklaart dat er, wat haar betrof, geen sprake was van een verandering van de structuur van het handelsverkeer. Zij zou immers noch haar gedrag hebben veranderd, noch zijn gestopt met de invoer van de producten waarop de aanvankelijke rechten betrekking hadden, daar zij vóór de vaststelling van de aanvankelijke verordeningen nooit dergelijke producten had ingevoerd. Zij zou dus niet kunnen worden beschuldigd van ontwijking van een maatregel die haar niet raakte.
140
De Raad bestrijdt verzoeksters argumenten.
141
Opgemerkt dient te worden dat, anders dan verzoekster betoogt, artikel 13, lid 1, van de antidumpingbasisverordening en artikel 23, lid 3, van de antisubsidiebasisverordening voor het bewijs van het bestaan van een verandering van de structuur van het handelsverkeer niet eisen dat de ondernemingen waarop een procedure wegens ontwijking betrekking heeft, de producten waarop de aanvankelijke rechten waren ingesteld, voordien invoerden. Een dergelijke voorwaarde zou de werkingssfeer van de procedures wegens ontwijking aanzienlijk en ongerechtvaardigd beperken.
142
Deze procedures zijn er immers op gericht, de bedrijfstak van de Unie tegen bepaalde importen te beschermen, los van de identiteit van de bij deze importen betrokken ondernemingen. In het onderhavige geval gaat het om de invoer van „enigszins gewijzigde soortgelijke producten”. Het gaat dus om de invoer van vervangingsproducten om zich aan de heffing van de aanvankelijke rechten te onttrekken, terwijl die producten nog steeds met dumping of subsidiëring worden ingevoerd, de bedrijfstak van de Unie schade berokkenen of de corrigerende werking van de aanvankelijke rechten neutraliseren. Om het bestaan van een verandering van de structuur van het handelsverkeer aan te tonen, behoeven de instellingen dus alleen vast te stellen dat plotseling het vervangingsproduct wordt ingevoerd in de plaats van de producten waarop de aanvankelijke rechten zijn ingesteld, ongeacht of die nieuwe importen worden verricht door ondernemingen die al door de aanvankelijke rechten zijn getroffen.
143
In het onderhavige geval wordt niet betwist dat na de instelling van de aanvankelijke rechten de invoer van het aanvankelijk betrokken product nagenoeg is stilgevallen en tegelijkertijd de uitvoer van ≤ B20‑mengsels uit de Verenigde Staten naar de Unie is begonnen.
144
In die omstandigheden hebben de Commissie en de Raad het bestaan van een verandering van de structuur van het handelsverkeer tussen de Verenigde Staten en de Unie correct aangetoond overeenkomstig artikel 13, lid 1, van de antidumpingbasisverordening en artikel 23, lid 3, van de antisubsidiebasisverordening.
145
Bijgevolg moet het tweede onderdeel van het tweede middel worden afgewezen.
Derde onderdeel van het tweede middel: de beoordeling van de door verzoekster aangevoerde economische rechtvaardiging
146
Verzoekster voert aan dat de Raad een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door te concluderen dat er, wat haar betrof, geen voldoende reden of andere economische rechtvaardiging dan het ontwijken van de aanvankelijke rechten bestond om met de uitvoer van
147
In dit verband herinnert verzoekster eraan dat zij pas begin 2009 met haar activiteiten in de biodieselsector is begonnen om de activiteiten van de groep BP te ondersteunen, en zij verklaart zij om economische redenen heeft beslist om
148
De Raad, ondersteund door de Commissie en de EBB, bestrijdt de argumenten van verzoekster.
149
Om te beginnen dient te worden opgemerkt dat verzoekster vooral logistieke redenen aanvoert ter rechtvaardiging van de invoer van
150
In dit verband staat in de eerste plaats vast dat verzoekster niet is opgekomen tegen de vaststelling door de Raad dat de winst die het niet-gebruiken van gespecialiseerde schepen voor het vervoer van ≥ B15‑mengsels volgens verzoekster oplevert, slechts 2,3 % vormde van het bedrag dat overeenkwam met de aanvankelijke rechten die zij tijdens het antiontwijkingsonderzoektijdvak heeft ontweken. In die omstandigheden heeft de Raad de door verzoekster aangevoerde economische rechtvaardiging inzake de keuze voor het gebruik van niet-gespecialiseerde schepen voor het vervoer over zee van de biodieselmengsels terecht niet aanvaard.
151
Wat in de tweede plaats de moeilijkheid om B100‑ en B99,9 mengsels in de tanks in de ARA-zone op te slaan, het bestaan van overtollige hoeveelheden minerale diesel in deze zone en de technische beperkingen van de terminal te Frontignan betreft, dient te worden vastgesteld dat de uitleg van verzoekster niet erg overtuigend is. In elk geval verstrekt verzoekster geen enkel concreet gegeven dat de rentabiliteit van deze verrichtingen aannemelijk maakt. Bovendien verstrekt verzoekster geen in cijfers uitgedrukte, gekwantificeerde of van bewijsstukken voorziene gegevens waaruit het bestaan van een vraag naar dit soort mengsels in het zuiden van Frankrijk blijkt. Verder dient erop te worden gewezen dat dit argument pas ter terechtzitting is aangevoerd. Verzoeksters ingewikkelde en niet-onderbouwde stelling betreffende de vraag naar biodiesel in het zuiden van Frankrijk staat overigens in schril contrast met de concrete cijfers die de Commissie en de Raad hebben verstrekt. Volgens deze cijfers is de invoer van >B20‑mengsels nagenoeg stilgevallen na de instelling van de aanvankelijke rechten, terwijl de invoer van ≤ B20‑mengsels pas na dat tijdstip op gang is gekomen (zie punt 39 hierboven). Vaststaat eveneens dat het niveau van de aanvankelijke rechten als vrij hoog werd aangemerkt, zodat de invoer van vervangingsproducten, zoals de ≤ B20‑mengsels, economisch interessant was.
152
Gelet op een en ander dient te worden geconcludeerd dat de Raad terecht heeft geoordeeld dat er voor verzoeksters invoer van
153
Bijgevolg moet het derde onderdeel van het tweede middel, en dus dit middel in zijn geheel, worden afgewezen.
Derde middel: niet-nakoming van de motiveringsplicht
154
Verzoekster voert aan dat de bestreden verordeningen niet voldoende zijn gemotiveerd om de uitbreiding van de aanvankelijke rechten te rechtvaardigen. Volgens verzoekster was de Raad verplicht een steviger onderbouwde motivering te verstrekken wegens de belangrijke gevolgen die deze uitbreiding voor haar had.
155
In dit verband betoogt verzoekster in de eerste plaats dat de Raad niet heeft geantwoord op haar argument dat de ≤ B20‑mengsels na de invoer ervan niet meer konden worden omgevormd tot mengsels met een hoger biodieselgehalte, en evenmin op haar argument dat zij geen maatregel kon ontwijken die haar aanvankelijk niet trof. In de tweede plaats is verzoekster van mening dat de Raad van meet af aan heeft geconcludeerd dat de in de Verenigde Staten verleende subsidie en het doel, betaling van de aanvankelijke rechten te vermijden, de enige economische rechtvaardiging voor de uitvoer van ≤ B20‑mengsels waren. In de derde plaats voert verzoekster aan dat de Raad niet heeft uitgelegd hoe hij de betrokken maatregelen kon uitbreiden tot ≤ B20‑mengsels, ofschoon hij die mengsels in het aanvankelijke onderzoek toch uitdrukkelijk van de definitie van het betrokken product en van het soortgelijke product had uitgesloten. In de vierde plaats heeft verzoekster daar ter terechtzitting aan toegevoegd dat in punt 79 van de considerans van de bestreden antidumpingverordening niet nader werd aangegeven hoe het bestaan van dumping in het kader van de procedure wegens ontwijking was vastgesteld. Volgens verzoekster blijkt uit de uitleg die de Raad en de Commissie voor het Gerecht hebben gegeven, dat de Commissie zich enerzijds heeft gebaseerd op gegevens betreffende ≤ B20‑mengsels die een marktdeelnemer tijdens het aanvankelijke onderzoek had verstrekt, en anderzijds op de voor de > B20‑mengsels vastgestelde aanvankelijke normale waarde zoals geëxtrapoleerd voor de ≤ B20‑mengsels.
156
De Raad bestrijdt verzoeksters argumenten.
157
Er zij aan herinnerd dat de motivering van een handeling van de instellingen van de Unie de redenering van de instelling waarvan die handeling uitgaat, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking moet doen komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen teneinde hun rechten te verdedigen, en de rechter zijn toezicht kan uitoefenen (arrest Gerecht van 27 september 2005, Common Market Fertilizers/Commissie, T-134/03 en T-135/03, Jurispr. blz. II-3923, punt 156). Bovendien moet bij de beoordeling of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 296 VWEU voldoet, niet alleen acht worden geslagen op de bewoordingen ervan, doch ook op de context waarin zij is tot stand gekomen en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie in die zin arrest Hof van 29 februari 1996, België/Commissie, C-56/93, Jurispr. blz. I-723, punt 86, en arrest Gerecht van 27 november 1997, Kaysersberg/Commissie, T-290/94, Jurispr. blz. II-2137, punt 150).
158
In het onderhavige geval heeft de Raad deze beginselen geëerbiedigd, zoals hierna zal worden uiteengezet.
159
Wat in de eerste plaats het argument betreft dat in de bestreden verordeningen niet uitdrukkelijk wordt geantwoord op bepaalde argumenten van verzoekster, dient eraan te worden herinnerd dat de motivering van een verordening waarbij antidumpingrechten of compenserende rechten worden ingesteld, slechts alle relevante feitelijke en juridische elementen voor de erin gegeven beoordeling hoeft te betreffen (zie in die zin arrest Gerecht van 13 september 2010, Whirlpool Europe/Raad, T-314/06, Jurispr. blz. II-5005, punt 116).
160
Zoals in de punten 136 en 141 hierboven is uiteengezet, eisen artikel 13, lid 1, van de antidumpingbasisverordening en artikel 23, leden 1 en 3, van de antisubsidiebasisverordening echter niet dat het gewijzigde product na de invoer ervan tot het betrokken product wordt omgevormd, en evenmin dat de ondernemingen waarop een procedure wegens ontwijking betrekking heeft, de producten waarop de aanvankelijke rechten waren ingesteld, voordien invoerden. De Raad was dus niet verplicht een standpunt in te nemen over verzoeksters argumenten dienaangaande.
161
Wat in de tweede plaats de economische rechtvaardiging voor de invoer van ≤ B20‑mengsels betreft, dient te worden opgemerkt dat verzoekster met haar kritiek op de bestreden verordeningen de gegrondheid van de conclusie van de Raad dienaangaande, zoals die voorkomt in de punten 70, 71 en 76 van de considerans van de bestreden antisubsidieverordening en in de punten 75, 76 en 81 van de considerans van de bestreden antidumpingverordening, betwist in de plaats van ontoereikende motivering ten aanzien van die rechtvaardiging aan de kaak te stellen. Verzoeksters argument moet dus worden afgewezen.
162
Wat in de derde plaats de motivering van de uitbreiding van de aanvankelijke rechten tot de voorheen van werkingssfeer van de aanvankelijke verordeningen uitgesloten ≤ B20‑mengsels betreft, heeft de Raad in de punten 55 en 56 van de considerans van de bestreden antisubsidieverordening en in de punten 60 en 61 van de considerans van de bestreden antidumpingverordening herinnerd aan de argumenten die de National Biodiesel Board (NBB), die de Amerikaanse biodieselindustrie vertegenwoordigt, en de andere belanghebbende partijen over deze uitsluiting hadden voorgedragen. In de punten 57 tot en met 59 van de considerans van de bestreden antisubsidieverordening en in de punten 62 tot en met 64 van de considerans van de bestreden antidumpingverordening heeft de Raad op deze argumenten geantwoord dat er in het onderhavige geval voldoende voorlopig bewijsmateriaal voorhanden was om aan te tonen dat „ontwijking in de zin van artikel 13, lid 1, van de [antidumpingbasisverordening en artikel 23 van de antisubsidiebasisverordening] [...] plaats[vond]”. De Raad heeft ook aangegeven dat de procedure waarin deze bepalingen voorzien, de definitie van het betrokken product of van het soortgelijke product niet wijzigde. In punt 65 van de considerans van de bestreden antisubsidieverordening en in punt 70 van de considerans van de bestreden antidumpingverordening heeft de Raad uitgelegd, waarom hij van mening was dat de ≤ B20‑mengsels konden worden beschouwd als een „kleine wijziging van het betrokken product” waaromtrent een procedure wegens ontwijking kon worden ingesteld.
163
Anders dan verzoekster stelt, vertoont deze motivering helemaal geen gebreken.
164
Wat in de vierde plaats de door verzoekster ter terechtzitting ter sprake gebrachte motivering betreft van de wijze waarop de dumping is vastgesteld, dient er allereerst aan te worden herinnerd dat het ontbreken van motivering of een ontoereikende motivering middelen van openbare orde zijn die door de rechter van de Unie ambtshalve kunnen, en zelfs moeten, worden onderzocht (zie naar analogie arrest Hof van 20 februari 1997, Commissie/Daffix, C-166/95 P, Jurispr. blz. I-983, punt 24). Bijgevolg kan verzoeksters argument niet worden afgewezen omdat het te laat is voorgedragen.
165
Opgemerkt dient te worden dat de Raad in punt 79 van de considerans van de bestreden antidumpingverordening heeft gepreciseerd dat „[o]vereenkomstig artikel 13, leden 1 en 2, van de [antidumpingbasisverordening] [was] onderzocht of dumping kon worden aangetoond ten aanzien van de in het [aanvankelijke] onderzoek vastgestelde normale waarde” en dat „[u]it de vergelijking tussen de gewogen gemiddelde normale waarde en de aldus vastgestelde gewogen gemiddelde uitvoerprijs bleek dat er sprake was van dumping”.
166
Uit deze motivering blijkt rechtens genoegzaam op basis van welke gegevens het bestaan van dumping is vastgesteld.
167
Bijgevolg moet het derde middel van verzoekster worden afgewezen.
Vierde middel: schending van het non-discriminatiebeginsel en van het beginsel van behoorlijk bestuur
168
In het kader van haar vierde middel wijst verzoekster erop dat zij bij de procedures wegens ontwijking ten volle heeft meegewerkt, maar dat voor haar niettemin hetzelfde tarief is vastgesteld als voor alle andere ondernemingen die bij het aanvankelijke onderzoek niet hadden meegewerkt of zich niet kenbaar hadden gemaakt, namelijk de in punt 21 hierboven genoemde derde categorie van ondernemingen. De reden waarom verzoekster niet aan het aanvankelijke onderzoek heeft deelgenomen, is echter dat zij op dat tijdstip geen biodiesel uitvoerde.
169
In de eerste plaats is verzoekster van mening dat, gelet op haar bijzondere situatie, de Raad overeenkomstig het non-discriminatiebeginsel voor haar hetzelfde tarief had moeten vaststellen als voor de vennootschappen die tijdens het aanvankelijke onderzoek hadden meegewerkt, niet in de steekproef waren opgenomen en werden genoemd in de als bijlage bij de aanvankelijke verordeningen gevoegde lijst, namelijk de in punt 20 hierboven genoemde tweede categorie van ondernemingen. Verzoekster is van oordeel dat zij zich in dezelfde situatie bevindt als deze ondernemingen.
170
In de tweede plaats betoogt verzoekster dat de informatie die zij in de loop van de procedure wegens ontwijking heeft verstrekt, had moeten volstaan om haar een individuele behandeling te verlenen. Volgens het beginsel van behoorlijk bestuur had de Raad de buiten het aanvankelijke onderzoek vallende vennootschappen individueel moeten behandelen, veeleer dan de maatregelen willekeurig op hen toe te passen zonder na te gaan in welke mate deze vennootschappen zich schuldig hadden gemaakt aan dumpingpraktijken. In haar antwoord op de memorie in interventie van de EBB verklaart verzoekster dat de Commissie haar te verstaan had gegeven dat zij haar uitvoer niet als een ontwijking beschouwde. Zij stelt in dit verband echter niet uitdrukkelijk schending van het beginsel van behoorlijk bestuur en verbindt ook geen enkele gevolgtrekking aan die bewering.
171
De Raad, ondersteund door de Commissie, is van mening dat verzoeksters argumenten niet ter zake dienend zijn.
172
Wat in de eerste plaats de grief inzake schending van het non-discriminatiebeginsel betreft, moet met de Raad worden vastgesteld dat verzoekster niet in dezelfde situatie verkeert als de vennootschappen die tijdens het aanvankelijke onderzoek hebben meegewerkt en niet in de steekproef zijn opgenomen. Ofschoon verzoekster in het kader van de procedures wegens ontwijking met de instellingen van de Unie heeft meegewerkt, heeft zij met haar invoer immers de heffing van de aanvankelijke rechten ontweken. Anders dan de klassieke antidumping‑ en antisubsidieprocedures, die erop kunnen uitlopen dat lagere rechten worden vastgesteld voor de ondernemingen die hebben meegewerkt, leiden de procedures wegens ontwijking echter niet tot de instelling van enig recht, maar alleen tot uitbreiding van het aanvankelijke recht dat is ontweken.
173
In het onderhavige geval zouden de rechten die op verzoekster zouden zijn toegepast indien deze de betrokken maatregelen niet had ontweken, in beginsel dezelfde zijn geweest als die welke van toepassing waren op alle andere ondernemingen, behalve indien zij, vooraleer > B20‑mengsels in te voeren, op grond van artikel 11, lid 4, van de antidumpingbasisverordening en artikel 20 van de antisubsidiebasisverordening een individuele behandeling als nieuwe exporteur had gevraagd en verkregen.
174
In die omstandigheden heeft de Raad geen inbreuk gemaakt op het non-discriminatiebeginsel door op verzoekster de resttarieven toe te passen die gelden voor alle andere ondernemingen die in het kader van het aanvankelijke onderzoek niet hadden meewerkt of zich niet kenbaar hadden gemaakt.
175
Verder dient erop te worden gewezen dat de op verzoekster toepaste resttarieven, hoewel zij hoog zijn, reeds rekening houden met het feit de algemene mate van medewerking van de ondernemingen in het kader van het aanvankelijke onderzoek hoog (81 %) was (zie punt 21 hierboven).
176
Wat in de tweede plaats de grief betreft, dat het beginsel van behoorlijk bestuur is geschonden doordat verzoekster geen individuele behandeling heeft gekregen, dient te worden opgemerkt dat in het kader van de procedures wegens ontwijking geen dergelijke behandeling kon worden verleend. Zoals in punt 172 hierboven is gezegd, zijn deze procedures er immers op gericht, de rechten die de Raad aanvankelijk bij de ontweken verordening had opgelegd, uit te breiden tot de betrokken invoer, maar leidden zij niet tot de instelling van nieuwe rechten die zijn vastgesteld op basis van een berekening van de dumpingmarge of hoogte van de subsidie en van de schade die kunnen worden toegerekend aan de invoer van de marktdeelnemers die de maatregelen hebben ontweken. De mogelijkheid om verzoekster een individuele behandeling als nieuwe exporteur te verlenen, was bovendien uitgesloten om de in punt 105 hierboven genoemde redenen.
177
Hieraan dient te worden toegevoegd dat het feit dat verzoekster niet aan het aanvankelijke onderzoek heeft deelgenomen omdat zij op dat tijdstip geen biodiesel in de Unie invoerde, geen uitzonderlijke individuele behandeling op basis van het beginsel van behoorlijk bestuur rechtvaardigt. Zoals in punt 141 hierboven is gezegd, eisen de antidumpingbasisverordening en de antisubsidiebasisverordening immers niet dat de ondernemingen waarop een procedure wegens ontwijking betrekking heeft, de producten waarop de aanvankelijke rechten waren ingesteld, voordien invoerden. Zoals de Commissie heeft beklemtoond, is het dan ook niet uitzonderlijk dat producenten of importeurs waarop de aanvankelijke verordeningen niet betrekking hadden, worden verplicht tot betaling van rechten die als gevolg van een procedure wegens ontwijking zijn uitgebreid. In dat geval komen de uitgebreide rechten overeen met de in de aanvankelijke verordeningen vastgestelde residuele rechten.
178
Bijgevolg is verzoeksters grief dat het beginsel van behoorlijk bestuur is geschonden doordat haar geen individuele behandeling is verleend, ongegrond.
179
Gelet op een en ander moet verzoeksters vierde middel worden afgewezen en bijgevolg moet het beroep in zijn geheel worden verworpen.
Kosten
180
Overeenkomstig artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd.
181
Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Raad en de EBB te worden verwezen in haar eigen kosten alsmede in die van laatstgenoemden.
182
Ingevolge artikel 87, lid 4, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering zal de Commissie haar eigen kosten dragen.
HET GERECHT (Vierde kamer),
rechtdoende, verklaart:
1)
Het beroep wordt verworpen.
2)
BP Products North America Inc. zal haar eigen kosten alsmede die van Raad van de Europese Unie en van de European Biodiesel Board (EBB) dragen.
3)
De Europese Commissie zal haar eigen kosten dragen.
Martins Ribeiro
Dehousse
Van der Woude
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 16 januari 2014.
ondertekeningen
Inhoud
Toepasselijke bepalingen
Voorgeschiedenis van het geding
Aanvankelijke procedures
Procedures wegens ontwijking
Procesverloop en conclusies van partijen
In rechte
1. Ontvankelijkheid
2. Ten gronde
Eerste middel: schending van de antidumpingbasisverordening, de antisubsidiebasisverordening en het rechtszekerheidsbeginsel en misbruik van bevoegdheid door de aanvankelijke rechten uit te breiden bij wege van procedures wegens ontwijking
Eerste onderdeel van het eerste middel: de verschillen tussen de > B20‑mengsels en de ≤ B20‑mengsels en het feit dat deze laatste uitdrukkelijk zijn uitgesloten van de aanvankelijke verordeningen
– Wezenlijke kenmerken van de ≤ B20‑ en > B20‑mengsels
– ≤ B20‑mengsels waren uitdrukkelijk uitgesloten van de werkingssfeer van de aanvankelijke verordeningen
– Misbruik van bevoegdheid
Tweede onderdeel van het eerste middel: geen wijziging van het betrokken product
Tweede middel: kennelijke fouten bij de beoordeling van de verzoekster betreffende feiten
Eerste onderdeel van het tweede middel: de ≤ B20‑mengsels kunnen niet tot > B20‑mengsels worden omgevormd
Tweede onderdeel van het tweede middel: geen verandering van de structuur van het handelsverkeer
Derde onderdeel van het tweede middel: de beoordeling van de door verzoekster aangevoerde economische rechtvaardiging
Derde middel: niet-nakoming van de motiveringsplicht
Vierde middel: schending van het non-discriminatiebeginsel en van het beginsel van behoorlijk bestuur
Kosten
( *1 ) Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy