9.7.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 204/24
Beroep ingesteld op 18 april 2011 — Staelen/Ombudsman
(Zaak T-217/11)
2011/C 204/44
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Claire Staelen (Bridel, Luxemburg) (vertegenwoordigers: L. Levi en M. Vandenbussche, advocaten)
Verwerende partij: Europese Ombudsman
Conclusies
—
de Ombudsman veroordelen tot betaling aan verzoekster van 559 382,13 EUR netto ter vergoeding van de materiële schade voor het verleden, vermeerderd met vertragingsrente berekend tegen het met twee procentpunten verhoogde tarief van de Europese Centrale Bank;
—
de Ombudsman veroordelen tot betaling aan het communautaire pensioenfonds ten behoeve van verzoekster van de pensioenbijdragen die overeenkomen met de voor de periode van juni 2005 tot en met april 2011 berekende basissalarissen, te weten op basis van een totaalbedrag van 482 225,97 EUR;
—
de Ombudsman veroordelen tot maandelijkse betaling aan verzoekster vanaf mei 2011 tot en met maart 2026 van de nettobedragen die overeenkomen met de salarissen van ambtenaren in functiegroep AD in de rang AD 9, salaristrap 2, tweede jaar, op basis van een normale loopbaan van een ambtenaar van die rang, aangevuld met de desbetreffende bijdragen aan het pensioenfonds ten behoeve van verzoekster en met de ziekenfondsbijdragen;
—
de Ombudsman veroordelen tot betaling aan verzoekster van 50 000 EUR ter vergoeding van de immateriële schade;
—
de Ombudsman verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vier middelen aan:
1)
Eerste middel: verzuim om over te gaan tot alle onderzoeken die nodig waren om een vermoed geval van wanbeheer bij de behandeling van verzoeksters dossier door het Europees Parlement op te lossen. Volgens verzoekster levert verweerders gedrag een fout op en zij beroept zich daarbij op schending van artikel 3, lid 1, van besluit 94/262/EGKS, EG, Euratom van het Europees Parlement van 9 maart 1994 inzake het statuut van de Europese ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van zijn ambt (PB L 113, blz. 15).
2)
Tweede middel: kennelijk onjuiste beoordeling, aangezien verweerder de grenzen van zijn beoordelingsbevoegdheid bij het onderzoek van de gegrondheid van de klacht heeft overschreden en in de uitoefening van zijn taken een fout heeft begaan waardoor verzoekster schade heeft geleden.
3)
Derde middel: gebrek aan onpartijdigheid, objectiviteit en onafhankelijkheid alsook kwade trouw en machtsmisbruik, aangezien verweerder enerzijds een samenwerkingsovereenkomst met het Europees Parlement heeft gesloten en anderzijds de centrale vragen met betrekking tot de ingediende klacht zonder rechtvaardiging heeft ontweken.
4)
Vierde middel: schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van behoorlijk bestuur. Verzoekster verwijt verweerder bij het onderzoek van haar situatie niet alle elementen in aanmerking te hebben genomen die zijn besluit konden beïnvloeden, te hebben geweigerd de documenten over te leggen waarop hij zijn besluit heeft gebaseerd, en de redelijke termijn van de procedure te hebben geschonden.
Full & Egal Universal Law Academy